Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGHACMB:2016:96

Instantie
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Datum uitspraak
26-08-2016
Datum publicatie
11-11-2016
Zaaknummer
AR 114/12 - ghis 77666 - H 32/16
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Boedelscheiding

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Burgerlijke zaken over 2016 Vonnis no.:

Registratienummer: AR 114/12 - ghis 77666 - H 32/16

Uitspraak: 26 augustus 2016

GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE

van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en

van Bonaire, Sint Eustatius en Saba

V O N N I S

in de zaak van:

[APPELLANT],

wonende in Sint Maarten,

oorspronkelijk gedaagde in conventie,

eiser in voorwaardelijke reconventie,

thans appellant,

gemachtigde: mr. D.C. Daal,

tegen

[GEÏNTIMEERDE],

wonende in Sint Maarten,

oorspronkelijk eiseres in conventie,

verweerster in voorwaardelijke reconventie,

thans geïntimeerde,

gemachtigde: mr. Z. Bary.

De partijen worden hierna de man en de vrouw genoemd.

1 Het verloop van de procedure

1.1

Bij akte van appel van 10 maart 2015 is de man in hoger beroep gekomen van het tussen partijen gewezen en op 27 januari 2015 uitgesproken vonnis van het Gerecht in eerste aanleg van Sint Maarten (verder: GEA).

1.2

Bij op 21 april 2015 ingekomen memorie van grieven heeft de man twee grieven tegen het vonnis aangevoerd en toegelicht. Zijn conclusie strekt ertoe (naar het Hof begrijpt) dat het Hof het vonnis gedeeltelijk zal vernietigen en de huwelijksgoederengemeenschap alsnog aldus zal verdelen dat rekening wordt gehouden met de grieven, met veroordeling van de vrouw in de proceskosten in beide instanties.

1.3

Bij op 23 juni 2015 ingekomen memorie van antwoord heeft de vrouw de grieven bestreden. Haar conclusie strekt ertoe dat het Hof het bestreden vonnis zal bevestigen, met veroordeling van de man in de proceskosten.

1.4

Op 8 april 2016 hebben partijen pleitnotities overgelegd.

Vonnis is gevraagd en nader bepaald op heden.

2 De beoordeling

2.1

Tussen partijen staat het volgende vast.

Partijen zijn op 12 juni 1998 in algehele gemeenschap van goederen gehuwd. Het huwelijk is op 15 november 2011 door echtscheiding ontbonden.

2.2

Dit geding betreft de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap.

Het GEA heeft deze, verkort weergegeven, als volgt vastgesteld:

a. de echtelijke woning wordt aan een derde verkocht en de netto-opbrengst wordt bij helfte verdeeld;

b. hetzelfde gebeurt met een timeshare-recht;

c. aan de man wordt toebedeeld:

c1. de helft van de saldi van gemeenschappelijke bankrekeningen;

c2. de saldi van bankrekeningen ten name van de man;

c3. de helft van een aandelenpakket;

c4. de inboedel van de echtelijke woning;

c5. het ouderdomspensioen van de man;

d. aan de vrouw wordt toebedeeld:

d1. de helft van de saldi van de gemeenschappelijke bankrekeningen;

d2. de saldi van bankrekeningen ten name van de vrouw;

d3. de helft van het aandelenpakket;

d4. het ouderdomspensioen van de vrouw;

e. de man dient wegens overbedeling US$ 13.679,19 aan de vrouw te betalen.

2.3

Bij de berekening van het hiervoor in rov. 2.2 onder e genoemde overbedelingsbedrag heeft het GEA een verrekeningsvordering van de man op de vrouw in aanmerking genomen in verband met aanspraken op ouderdomspensioen. Kort gezegd heeft het GEA als volgt overwogen.

De pensioenvoorziening van de vrouw bedraagt ultimo 2011 NAf 108.160,53. Het moet ervoor worden gehouden dat ook de man pensioen heeft opgebouwd. De man heeft nagelaten de omvang daarvan inzichtelijk te maken. Wel heeft het GEA aangenomen dat de man minder pensioen heeft opgebouwd dan de vrouw. Daarom heeft het GEA de verrekeningsvordering van de man op de vrouw in verband met het pensioen gematigd tot US$ 10.000,-.

2.4

Tegen deze beslissing van het GEA heeft de man grief 1 gericht met het betoog dat hij naast de wettelijke AOV minder dan NAf 1.500,- aan pensioen heeft opgebouwd. Laatstgenoemde aanspraak heeft hij verkregen in de paar maanden dat hij voor de overheid heeft gewerkt. Ter onderbouwing van dit betoog heeft hij verwezen naar zijn in eerste aanleg overgelegde loonspecificaties van de werkgevers Vegas Amusements N.V.,

Atlantis World Management en Babitbay Beach Hotel N.V., die geen betalingen van pensioenpremies vermelden, en naar twee bezoldigingsspecificaties van het (toenmalige) Eilandgebied Sint Maarten, waaruit blijkt dat hij daar (in elk geval) in de periode augustus-oktober 2004 heeft gewerkt, en waarop telkens een aftrek van NAf 130,45 is vermeld voor "pension (employees part, deductab".

2.5

De vrouw heeft in hoger beroep niet aangevoerd dat de man meer dan slechts heel beperkt pensioenrechten heeft opgebouwd. Ook in eerste aanleg heeft zij dat niet aangevoerd. Bij de comparitie van 13 maart 2014 heeft de gemachtigde van de vrouw slechts aangevoerd dat de man altijd bij een werkgever heeft gewerkt en dus wel pensioen moet hebben opgebouwd.

Bij akte van 23 september 2014 heeft zij (onder H) een betoog over de wijze van verdeling van pensioen gehouden, waarin zij aanvoerde dat de man zich nimmer heeft ingezet voor het verkrijgen van een vaste baan en een vast inkomen.

2.6

Gelet op het partijdebat acht het Hof voldoende aannemelijk dat het GEA van een te hoog bedrag aan pensioenaanspraken van de man is uitgegaan en daarom de verrekeningsvordering van de man op een te laag bedrag heeft vastgesteld. Het Hof zal de verrekeningsvordering op een hoger bedrag vaststellen, aldus dat het door de man te betalen overbedelingsbedrag, door het GEA berekend op US$ 13.679,19, geheel komt te vervallen.

2.7

In verband met de verdeling van het pensioen overweegt het Hof nog als volgt. De vrouw heeft bij akte van 23 september 2014 onder H betoogd dat de door haar opgebouwde pensioenaanspraken aan haar zijn verknocht en dat ook de eisen van redelijkheid en billijkheid meebrengen dat die aanspraken zonder verrekening aan haar worden toebedeeld, omdat - kort en zakelijk

weergegeven - zij gedurende de huwelijksjaren hard heeft gewerkt om haar vaste baan te behouden en daarin te groeien en de man zich nimmer voor een vaste baan heeft ingezet en zich ook overigens niet als een goed echtgenoot heeft gedragen. Wat hiervan zij, deze gestelde omstandigheden maken niet dat de pensioenaanspraken aan de vrouw verknocht zijn en leiden evenmin ertoe dat de eisen van redelijkheid en billijkheid meebrengen dat de verrekeningsvordering van de man wordt afgewezen of (verder) gematigd.

2.8

Grief 2 van de man is gericht tegen de beslissing van het GEA dat de echtelijke woning aan een derde dient te worden verkocht. Volgens de man moet de echtelijke woning aan hem worden toebedeeld, ten eerste omdat de vrouw daarmee akkoord is gegaan en ten tweede omdat hij emotionele waarde aan de woning hecht.

2.9

Deze grief faalt. Niet is gesteld of gebleken dat sprake is van een bindende afspraak tussen partijen die inhoudt dat de woning aan de man zou worden toebedeeld, ongeacht de wijze waarop de gemeenschap voor het overige zou worden verdeeld.

Het is onvoldoende aannemelijk dat indien de woning aan de man zou worden toebedeeld, de man in staat zou zijn het bijbehorende overbedelingsbedrag aan de vrouw te betalen. Daarom heeft het GEA de woning terecht niet aan de man toebedeeld, maar bepaald dat deze zal moeten worden verkocht.

Het staat de man overigens vrij een aanbod aan de vrouw te doen van een door hem aan haar te betalen bedrag waartegenover de vrouw meewerkt aan overdracht van de woning uit de gemeenschap aan hem. In dat kader kunnen het aanbod van de vrouw in de brief van 31 januari 2012 (productie bij inleidend verzoekschrift), het taxatierapport van 5 maart 2014 en de opmerkingen van de vrouw hierover bij de comparitie van 13 maart 2014 aan de orde komen. Dit betreft echter mogelijke onderhandelingen tussen partijen waar het Hof buiten staat.

2.10

Het vonnis waarvan beroep dient gedeeltelijk te worden vernietigd. Nu partijen ex-echtelieden zijn, zullen zij hun eigen proceskosten dienen te dragen.

B E S L I S S I N G

Het Hof:

vernietigt het vonnis waarvan beroep, maar uitsluitend voor zover daarbij onder 3.4 is bepaald dat de man wegens overbedeling een bedrag van US$ 13.679,19 aan de vrouw dient uit te keren;

en in zoverre opnieuw rechtdoende:

bepaalt dat partijen over en weer niets aan elkaar verschuldigd zijn wegens overbedeling;

bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige;

compenseert de proceskosten in hoger beroep aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Dit vonnis is gewezen door mrs. E.A. Saleh, J. de Boer en G.C.C. Lewin, leden van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao,

Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba en ter openbare terechtzitting van het Hof in Sint Maarten uitgesproken op 26 augustus 2016 in tegenwoordigheid van de griffier.