Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGHACMB:2016:86

Instantie
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Datum uitspraak
01-03-2016
Datum publicatie
01-09-2016
Zaaknummer
AR 56927 - H 286/14
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Totstandkoming overeenkomst. Wie is contractspartij? Bewijswaardering. Het Hof waardeert het ten overstaan van de eerste rechter bijgebrachte getuigenbewijs anders dan de eerste rechter.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2016/2537
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Burgerlijke zaken over 2016 Vonnisno.:

Registratienummer: AR 56927 - H 286/14

Uitspraak: 1 maart 2016

GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE

van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en

van Bonaire, Sint Eustatius en Saba

V O N N I S

in de zaak van:

de vennootschap naar buitenlands recht

SCALTACH INTERNATIONAL LLC,

gevestigd te Houston, Verenigde Staten van Amerika,

oorspronkelijk gedaagde, thans appellante,

gemachtigde: mr. A.C. van Hoof,

tegen

de besloten vennootschap

CURACAO INTERNATIONAL CONSTRUCTION COMPANY B.V.,

gevestigd te Curaçao,

oorspronkelijk eiseres, thans geïntimeerde,

gemachtigde: mr. R.A.P.H. Pols.

Partijen worden hierna (ook) Scaltech International en CICC genoemd.

1 Het verdere verloop van de procedure

1.1.

Bij tussenvonnis van dit Hof van 11 augustus 2015 heeft het Hof Scaltech International in de gelegenheid gesteld om [getuige]en eventuele andere getuigen in contra-enquête te horen, zulks in het kader van de bewijslevering door CICC van feiten of omstandigheden waaruit kan volgen dat tussen CICC en Scaltech International een overeenkomst tot stand is gekomen om machines en mankracht ter beschikking te stellen van Scaltech International in het kader van het project dat Scaltech International voor Isla moest uitvoeren.

1.2

Ingevolge voormeld tussenvonnis heeft op 18 september 2015 een getuigenverhoor plaatsgevonden, alwaar twee getuigen zijn gehoord. Het hiervan opgemaakte proces-verbaal bevindt zich in afschrift bij de stukken.

1.3

Op 8 december 2015 hebben beide partijen een akte na contra-enquête genomen.

1.4

Vervolgens is vonnis nader bepaald op heden.

2 De verdere beoordeling

2.1

In dit hoger beroep kan, zoals in het tussenvonnis van 11 augustus 2015 is overwogen, onder meer worden uitgegaan van het volgende. Scaltech International heeft op 15 april 2011 een overeenkomst gesloten met Refineria Isla Curaçao B.V. (hierna: Isla) met betrekking tot onder meer schoonmaak-, onderhouds- en reparatiewerkzaamheden op het Isla-terrein. Scaltech International heeft deze werkzaamheden onder andere door Scaltech Curaçao N.V. (hierna: Scaltech Curaçao) laten uitvoeren. Scaltech International en Scaltech Curaçao zijn geen (direct) gelieerde vennootschappen, maar hebben beiden dezelfde bestuurder, te weten [bestuurder scaltech] (hierna: [bestuurder scaltech]). CICC heeft mankracht en machines ter beschikking gesteld voor de uitvoering van diverse uit de overeenkomst tussen Scaltech International en Isla voortvloeiende werkzaamheden. Zij heeft voor deze werkzaamheden facturen gestuurd aan “Scaltech’, welke facturen (deels) onbetaald zijn gebleven.

2.2

CICC stelt zich in deze procedure primair op het standpunt dat zij de overeenkomst met betrekking tot het ter beschikking stellen van mankracht en machines met Scaltech International is aangegaan en dat Scaltech International daarom is gehouden de openstaande facturen aan haar te betalen. Subsidiair legt CICC aan haar vordering ten grondslag dat Scaltech International misbruik maakt van het identiteitsverschil tussen haar en Scaltech Curaçao. Scaltach Curaçao is in 2003 opgericht, daarna inactief geweest en pas in 2010-2011 weer geactiveerd in het kader van het project met Isla. Dit is gebeurd met het enkele doel om met derden overeenkomsten aan te gaan, schulden te maken en deze onbetaald te laten, aldus nog steeds CICC. Scaltech International heeft de stellingen van CICC weersproken en aangevoerd dat Scaltech Curaçao de contractspartij is van CICC.

2.3

Bij het bestreden vonnis van 10 maart 2014 heeft het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao (hierna: GEA) geoordeeld dat CICC is geslaagd in de haar bij tussenvonnis van 29 april 2013 opgedragen bewijsopdracht dat tussen haar en Scaltech International een overeenkomst tot stand is gekomen en de vordering van CICC toegewezen zoals verzocht. Tegen dit oordeel en de overwegingen waarop het berust, komt Scaltech International met een tweetal grieven op.

2.4

Bij voornoemd tussenvonnis van 11 augustus 2015 heeft het Hof Scaltech International toegelaten tot het (alsnog) leveren van tegenbewijs ter zake de door CICC gestelde overeenkomst tussen partijen. CICC had als getuigen doen horen [getuige 1] (hierna: [getuige 1]), voormalig General manager en aandeelhouder van CICC en M.A.P. Vega (hierna: Vega), Financial Controller bij CICC. In dit hoger beroep heeft Scaltech International in contra-enquête als getuigen doen horen haar directeur [bestuurder scaltech] en [werknemer 2] (hierna: [werknemer 2]).

2.5

Het Hof komt thans tot een hernieuwde bewijswaardering.

2.6

Het Hof is van oordeel dat het bewijs door CICC van de overeenkomst tussen haar en Scaltech International niet is geleverd. Uit geen van de in enquête afgelegde getuigenverklaringen volgt met zoveel woorden dat CICC met Scaltech International een overeenkomst is aangegaan. De getuige [getuige 1] verklaart - voor zover hier relevant - dat CICC is benaderd door de heer [werknemer] (hierna: [werknemer]) met de vraag of CICC de werkzaamheden voor “Scaltech” wilde verrichten en dat de contacten met “Scaltech” vervolgens plaatsvonden via [werknemer 2]. Beiden waren blijkens de in contra-enquête afgelegde getuigenverklaringen in dienst van Scaltech Curaçao. Voorts verklaart de getuige [getuige 1] dat bij de zogenaamde kick-off meeting (waar over de door CICC uit te brengen offerte werd gesproken) ook [bestuurder scaltech] aanwezig was. Uit deze enkele omstandigheid volgt, nu [bestuurder scaltech] behalve bestuurder van Scaltech International ook de bestuurder is van Scaltech Curaçao, evenwel nog niet dat de overeenkomst met Scaltech International is aangegaan.

2.7

Voorts geldt dat geen feiten en/of omstandigheden zijn gesteld of gebleken waaruit volgt dat CICC er gerechtvaardigd op heeft mogen vertrouwen dat zij de overeenkomst met Scaltech International is aangegaan. Het feit dat in het kader van de uitvoering van de overeenkomst aan CICC het voorblad van de overeenkomst tussen Scaltech International en Isla is overhandigd brengt niet dit gerechtvaardigd vertrouwen mee, reeds omdat uit de door de getuige [getuige 1] afgelegde verklaring volgt dat dit voorblad is ontvangen nadat CICC ‘te horen had gekregen dat de werkzaamheden aan haar waren gegund’ en de overeenkomst derhalve tot stand was gekomen. Ook is door het feit dat haar wederpartij gebruikt maakt van het e-mailadres 'scaltechint.com’ niet het gerechtvaardigd vertrouwen gewekt dat Scaltech International de contractspartij is. Niet alleen is gesteld noch gebleken dat voor of bij het tot stand komen van de overeenkomst door middel van dit e-mailadres is gecommuniceerd, ook heeft CICC kort voor en/of na het tot stand komen van de overeenkomst correspondentie van [werknemer] namens ‘Scaltech’ (de brief van 13 januari 2012; productie 2 bij de akte aan de zijde van CICC van 2 december 2013) met vermelding van een adres hier ten lande (terwijl Scaltech International in de Verenigde Staten is gevestigd) en op 13 februari 2012 een betaling van Scaltech Curaçao ontvangen.

2.8

Gelet op het voorgaande kan de stelling van CICC dat zij de overeenkomst met Scaltech International is aangegaan, niet slagen.

2.9

Aan CICC kan worden toegegeven dat voor haar niet zonder meer kenbaar was of kon zijn dat Scaltech Curaçao, zoals Scaltech International stelt, haar contractspartij was. Niet alleen werd in de correspondentie en andere uitingen naar buiten toe (op voertuigen) enkel de naam ‘Scaltech’ vermeld, ook werd - zoals hiervoor is overwogen - een e-mailadres met de naam ‘scaltechint.com’ gebruikt en werden de betalingen weliswaar aanvankelijk van Scaltech Curaçao, maar daarna van andere vennootschappen (waaronder Scaltech International) ontvangen. Er zijn echter geen feiten en/of omstandigheden gesteld of gebleken op grond waarvan moet worden geoordeeld dat bewust verwarring werd gewekt en dat Scaltech International dan wel degene(n) die (volledige of overheersende) zeggenschap over deze vennootschap en Scaltech Curaçao heeft (hebben), misbruik van het identiteitsverschil tussen beide vennootschappen heeft (hebben) gemaakt. Het enkele feit dat Scaltech Curaçao door Scaltech International is ingeschakeld om met derden te contracteren teneinde uitvoering aan de overeenkomst tussen Scaltech International en Isla te geven, is voor dit oordeel onvoldoende. Weliswaar heeft Scaltech Curaçao, zoals de getuige [werknemer 2] heeft verklaard, zich op enig moment (namelijk nadat betalingsproblemen waren ontstaan) ook als Scaltech International geïdentificeerd, maar dit kan Scaltech International, daar niet is gesteld of gebleken dat dit laatste op haar instigatie of met haar instemming is gebeurd, niet worden verweten.

2.10

Nu de stelling van CICC dat sprake is van misbruik van identiteitsverschil niet kan slagen, is voor vereenzelviging van de betrokken vennootschappen (als aangewezen vorm om het misbruik maken van het identiteitsverschil ongedaan te maken) geen plaats. Scaltech International kan derhalve ook op deze grond niet worden aangemerkt als contractspartij van CICC.

2.11

Gelet op het voorgaande bestaat voor toewijzing van het door CICC gevorderde geen grond. Het hoger beroep slaagt derhalve. Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en de vorderingen van CICC zullen worden afgewezen.

2.12

Het Hof ziet in de omstandigheden van het geval, waaronder het feit dat Scaltech International in eerste aanleg van de gelegenheid tot contra-enquête geen heeft gemaakt, aanleiding de proceskosten in beide instanties te compenseren, aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt.

BESLISSING

Het Hof:

- vernietigt het vonnis waarvan beroep;

- wijst het gevorderde af;

- compenseert de proceskosten in beide instanties, aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Dit vonnis is gewezen door mrs. J. de Boer, S. Verheijen en T.A.M. Tijhuis, leden van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie, en ter openbare terechtzitting van het Hof in Curaçao in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken op 1 maart 2016.