Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGHACMB:2016:77

Instantie
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Datum uitspraak
22-03-2016
Datum publicatie
26-08-2016
Zaaknummer
AR 2374/2014 Ghis 76737 H- 400/15
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Financiële instelling. Bijzondere zorgplicht. Is een professionele verschaffer van hypothecaire leningen aan particulieren verplicht om na ommekomst van de rentevaste periode op eigen initiatief tot renteverlaging over te gaan?

Is hij verplicht de particulier erop te wijzen dat deze om renteverlaging kan verzoeken?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Burgerlijke zaken over 2016 Vonnisno.:

Registratienummer: AR 2374/2014 Ghis 76737 H- 400/15

Uitspraak: 22 maart 2016

GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE

van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en

van Bonaire, Sint Eustatius en Saba

VONNIS

in de zaak van:

de naamloze vennootschap

FATUM LIFE ARUBA N.V,

gevestigd te Aruba,

oorspronkelijk gedaagde, thans appellante,

gemachtigden: mrs. M.R. Hammoud en D.W. Ormel,

tegen

Jorge Alexander [GEÏNTIMEERDE],

wonende te Aruba,

oorspronkelijk eiser, thans geïntimeerde,

gemachtigde: mr. D.G. Kock.

Partijen worden hierna als Fatum en [geïntimeerde] aangeduid.

1 Het verloop van de procedure

1.1

Voor hetgeen in eerste aanleg is gesteld en gevorderd, voor de procesgang aldaar en voor de overwegingen en beslissingen van het Gerecht in eerste aanleg van Aruba (hierna: GEA) wordt verwezen naar de tussen partijen in deze zaak gewezen vonnissen van 28 januari 2015 en 29 april 2015. De inhoud van deze vonnissen geldt als hier ingevoegd.

1.2

Fatum is tijdig van het vonnis van 29 april 2015 in hoger beroep gekomen door indiening op 21 mei 2015 van een daartoe strekkende akte van hoger beroep. Op 2 juli 2015 heeft Fatum een memorie van grieven ingediend, waarbij vijf grieven zijn voorgedragen en toegelicht. Haar conclusie strekt ertoe dat het Hof het vonnis waarvan beroep zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, de vordering van [geïntimeerde] zal afwijzen, dan wel de schade zal verminderen tot nihil wegens eigen schuld, met veroordeling uitvoerbaar bij voorraad van [geïntimeerde] in de proceskosten van beide instanties, het in hoger beroep betaalde griffierecht daaronder begrepen.

1.3 [

geïntimeerde] heeft op 17 september 2015 een memorie van antwoord ingediend. Hij concludeert tot bevestiging van het vonnis waarvan beroep, met veroordeling uitvoerbaar bij voorraad van Fatum in de kosten van het hoger beroep.

1.4

Op de daarvoor nader bepaalde dag hebben partijen schriftelijk pleidooi gevoerd.

1.5

Vonnis is nader bepaald op heden.

2 De feiten

2.1

Het GEA heeft in het vonnis van 29 april 2015 onder 3.2 de feiten vastgesteld die het tot uitgangspunt heeft genomen. Over de juistheid van die feiten bestaat geen geschil, zodat ook het Hof mede van die feiten zal uitgaan.

3 De beoordeling

3.1.

Het gaat in deze zaak om het volgende.

3.1.1 [

Geïntimeerde] heeft bij notariële akte van 26 januari 1999 (hierna: de akte) een hypothecaire geldlening verkregen bij Fatum ten bedrage van Afl. 200.000,- tegen een jaarlijkse rente van 9,7%. In de akte is bepaald dat het “rentepercentage voor de duur van vijf (5) jaar zal gelden, waarna de rente om de vijf (5) jaar, voor het eerst op een maart tweeduizend vier, door de schuldeiseres kan worden gewijzigd”.

3.1.2.

Bij brief van 25 oktober 2013 heeft [geïntimeerde] als volgt aan Fatum bericht:

“Ondergetekende (…) doet een dringend beroep op u om in aanmerking te kunnen komen voor een aanpassing van het rentepercentage (…). Vanaf de afsluiting van de hypotheek in 1999 heeft geen aanpassing van het rentepercentage plaatsgevonden”.

3.1.3

Bij brief van 1 november 2013 heeft Fatum aan [geïntimeerde] bericht dat zij de rentevoet van zijn hypothecaire geldlening met ingang van 1 november 2013 heeft aangepast naar 6,0% op jaarbasis en dat dit rentepercentage minimaal voor een periode van 5 jaar geldt.

3.1.4 [

Geïntimeerde] heeft vervolgens Fatum bij brief van 21 januari 2014 verzocht de renteverlaging met terugwerkende kracht door te voeren. Fatum heeft dit verzoek afgewezen.

3.2 [

Geïntimeerde] heeft in eerste aanleg gevorderd dat (i) voor recht wordt verklaard dat Fatum onrechtmatig jegens hem heeft gehandeld door aan [geïntimeerde] niet en aan andere hypotheekgevers met een zelfde soort hypotheekakte wel om de vijf jaar een renteverlaging toe te kennen, (ii) Fatum wordt bevolen de hypotheekrente voor [geïntimeerde] met ingang van 1 maart 2004 respectievelijk 1 maart 2009 te verlagen naar de op dat moment gangbare en jegens andere hypotheekgevers met eenzelfde type hypotheekakte bij Fatum toepasselijke rentetarieven, (iii) Fatum wordt bevolen om hetgeen [geïntimeerde] wegens het uitblijven van de renteverlagingen per 1 maart 2004 respectievelijk 1 maart 2009 te veel heeft betaald aan [geïntimeerde] te restitueren, en dat (iv) Fatum wordt veroordeeld in de kosten van het geding, (v) alles uitvoerbaar bij voorraad.

3.3

Aan deze vorderingen heeft [geïntimeerde] ten grondslag gelegd dat de eisen van redelijkheid en billijkheid meebrengen dat aan hem dezelfde renteverlagingen moeten worden toegekend als aan de andere hypotheekgevers, alsmede dat uit de door Fatum jegens hem te betrachten zorgplicht voortvloeit dat Fatum na ommekomst van de rentevaste periode de rente uit eigener beweging dient te verlagen zodra de renteontwikkelingen daar ruimte toe bieden en dat Fatum hem had behoren te informeren dat renteverlaging eerst aan de orde kan zijn na een daartoe strekkend verzoek.

3.4

Het GEA heeft de vorderingen (ii), (iii), (iv) en (v) van [geïntimeerde] toegewezen, oordelende dat Fatum in haar bijzondere zorgplicht jegens [geïntimeerde] toerekenbaar is tekortgeschoten en daarom aansprakelijk is voor de als gevolg daarvan door [geïntimeerde] geleden schade. Tegen deze beslissing en de daaraan ten grondslag gelegde motivering komt Fatum in hoger beroep op.

3.5

De grieven 1 tot en met 3 lenen zich voor gezamenlijke behandeling. Met deze grieven motiveert Fatum haar standpunt dat het haar na ommekomst van de rentevaste periode van vijf jaar vrij staat over te gaan tot wijziging van de rente en dat [geïntimeerde] vanwege deze discretionaire bevoegdheid van Fatum had moeten begrijpen dat Fatum pas zou kunnen overgaan tot renteverlaging nadat zij daartoe aanleiding had, bijvoorbeeld na ontvangst van een daartoe strekkend verzoek. Voorts heeft Fatum bestreden dat zij in strijd met haar zorgplicht handelt indien zij niet steeds wijst op de mogelijkheid om verlaging van de rente te verzoeken.

3.6

Tussen partijen is niet in geschil dat de tussen hen gesloten overeenkomst van geldlening Fatum de discretionaire bevoegdheid geeft om na een periode van vijf jaren het overeengekomen rentepercentage te wijzigen. Het is derhalve aan Fatum om, al dan niet na een daartoe strekkend verzoek, tot een door [geïntimeerde] voorgestane verlaging van de rente over te gaan.

3.7

De vraag die in de eerste plaats voorligt is of Fatum na ommekomst van de rentevaste periode op grond van haar zorgplicht jegens [geïntimeerde] op eigen initiatief, en dus zonder dat [geïntimeerde] daar om heeft verzocht, tot een renteverlaging dient over te gaan zodra de renteontwikkelingen daar ruimte toe bieden. Deze vraag moet ontkennend worden beantwoord.

3.8

Op Fatum rust als financiële instelling op grond van de maatschappelijke functie die zij uitoefent, een bijzondere zorgplicht ten aanzien van het verstrekken van krediet aan particulieren. Deze zorgplicht strekt tot bescherming van de (potentiële) klant tegen eigen lichtvaardigheid of ondeskundigheid en vloeit voort uit hetgeen de eisen van redelijkheid en billijkheid, gelet op de aard van de verhouding tussen financiële instellingen en haar particuliere cliënten, meebrengen. Anders dan door het GEA is aangenomen, reikt de zorgplicht evenwel niet zo ver dat Fatum is gehouden om uit eigener beweging ten gunste van [geïntimeerde] de contractueel overeengekomen rente te verlagen, slechts omdat de rentestand lager is dan (destijds) tussen partijen is overeengekomen. Voor het aannemen van een zo vergaande zorgplicht bestaat geen grond.

3.9

Voorts ligt de vraag voor of op Fatum uit hoofde van haar zorgplicht de verplichting rust om [geïntimeerde] (steeds) te wijzen op de mogelijkheid om een renteverlaging te verzoeken.

3.10

De reikwijdte van haar zorgplicht hangt af van de omstandigheden van het geval en de aard van de door Fatum verleende dienst. In het onderhavige geval betreft de aard van de overeenkomst een reguliere hypothecaire geldleningsovereenkomst, waarbij de rechten en plichten - ook dat de rente om de vijf jaar door Fatum kan worden gewijzigd - voldoende duidelijk uit de overeenkomst blijken. Een financiële instelling voldoet bij overeenkomsten als de onderhavige aan haar zorgplicht wanneer zij voor het sluiten van de overeenkomst de kredietwaardigheid van de geldlener heeft gecontroleerd en zich over diens leen- en aflossingsgedrag heeft geïnformeerd. De aard van deze overeenkomst geeft thans geen aanleiding tot het aannemen van een zwaardere zorgplicht. [geïntimeerde] moet bekend worden verondersteld met de in de overeenkomst neergelegde bepaling dat Fatum de rente na ommekomst van een bepaalde periode kan wijzigen. Naar huidige zorgvuldigheidsmaatstaven ligt het op zijn weg om zich over de voorwaarden dan wel redenen daarvoor (nader) te laten informeren. De op Fatum rustende zorgplicht brengt thans dus niet mee dat zij [geïntimeerde] er op had moeten wijzen dat hij een verzoek tot renteverlaging kan doen.

3.11

De slotsom van het voorgaande is dat Fatum jegens [geïntimeerde] niet in strijd met de op haar rustende zorgplicht heeft gehandeld en dat de grieven 1 tot en met 3 slagen. Daarbij overweegt het Hof dat de maatschappelijke opvattingen over wat de zorgplicht van financiële dienstverleners zoals Fatum omvat, zich ontwikkelen in de richting van hetgeen thans in Nederland geldt (te weten dat de hypothecair kredietverstrekker de consument een aantal maanden voor het aflopen van de rentevaste periode daarover dient te informeren, alsmede informatie dient te verschaffen over (de mogelijkheden van) het boetevrij oversluiten bij het aflopen van de rentevaste periode (artikel 68b Besluit Gedragstoezicht financiële ondernemingen Wft)). Gelet op deze ontwikkelingen acht het Hof niet uitgesloten dat de zorgplicht van financiële dienstverleners in de nabije toekomst hier te lande een zodanige invulling krijgt.

3.12

Ook faalt het betoog van [geïntimeerde] dat Fatum op grond van de redelijkheid en billijkheid is gehouden hem dezelfde renteverlagingen toe te kennen als dat zij aan de andere hypotheekgevers heeft gedaan, reeds omdat in het licht van de betwisting daarvan door Fatum niet kan worden gezegd dat bij alle andere hypothecaire geldleningsovereenkomsten dan die met [geïntimeerde] de rente in 2004 en 2009 (op initiatief van Fatum) is verlaagd.

3.13

Nu de stellingen van [geïntimeerde] niet kunnen slagen, behoeft grief 4, die ziet op de verjaring van de vordering van [geïntimeerde], geen bespreking meer.

3.14

Het vonnis van beroep zal worden vernietigd en de vorderingen van [geïntimeerde] zullen worden afgewezen.

3.15 [

Geïntimeerde] zal als de in het ongelijk te stellen partij worden veroordeeld in de kosten van het geding in beide instanties. Deze kosten worden aan de zijde van Fatum tot op heden in eerste aanleg begroot op Afl. 1.800,- aan gemachtigdensalaris en in hoger beroep op Afl. 900,- aan griffierecht, Afl. 258,20 aan verschotten en

Afl. 5.100,- aan gemachtigdensalaris.

BESLISSING

Het Hof:

- vernietigt het bestreden vonnis, en opnieuw rechtdoende;

- wijst het gevorderde af;

- veroordeelt [geïntimeerde] in de kosten van het geding, aan de zijde van Fatum in eerste aanleg begroot op Af. 1.800,- aan gemachtigdensalaris en in hoger beroep op Afl. 900,- aan griffierecht, Afl. 258,20 aan verschotten en

Afl. 5.100,- aan gemachtigdensalaris;

- verklaart dit vonnis voor wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mrs. J. de Boer, G.C.C. Lewin en T.A.M. Tijhuis, leden van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie, en ter openbare terechtzitting van het Hof in Sint Maarten in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken op 22 maart 2016.