Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGHACMB:2016:74

Instantie
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Datum uitspraak
01-03-2016
Datum publicatie
22-08-2016
Zaaknummer
KG 73526 – H 314/2015
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

doorbetaling loon

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2016/2465
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Burgerlijke zaken over 2016 Vonnisno.:

Registratienummer: KG 73526 – H 314/2015

Uitspraak: 1 maart 2016

GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE

van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en

van Bonaire, Sint Eustatius en Saba

V O N N I S

in kort geding van:

[APPELLANT],

wonende in Curaçao,

oorspronkelijk eiser,

thans appellant,

hierna ook te noemen: [appellant],

gemachtigde: mr. M.A. Koendjbiharie,

tegen

de naamloze vennootschap TRAVICON N.V.,

gevestigd in Curaçao,

oorspronkelijk gedaagde,

thans geïntimeerde,

hierna ook te noemen: Travicon,

in hoger beroep niet verschenen.

1 Het verloop van de procedure

1.1

Voor hetgeen in eerste aanleg is gesteld en verzocht, voor de procesgang aldaar en voor de overwegingen en beslissingen van het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao (GEA) wordt verwezen naar het tussen partijen in deze zaak gewezen vonnis in kort geding van 9 juni 2015. De inhoud van dit vonnis geldt als hier ingevoegd.

1.2 [

Appellant] is in hoger beroep gekomen van voornoemd vonnis door indiening op 30 juni 2015 van een daartoe strekkende akte. Op gelijke datum heeft [appellant] een memorie van grieven ingediend waarbij vijf grieven zijn voorgedragen en toegelicht. De conclusie van [appellant] strekt ertoe dat het Hof hem toestemming zal verlenen om kosteloos te procederen, het vonnis waarvan beroep zal vernietigen en opnieuw rechtdoende in hoger beroep zijn vorderingen alsnog zal toewijzen, met veroordeling van Travicon in de kosten van beide instanties, een en ander uitvoerbaar bij voorraad.

1.3

Travicon heeft geen memorie van antwoord ingediend.

1.4

Op de voor pleidooi bepaalde dag heeft [appellant] een pleitnota overgelegd.

1.5

Vonnis is nader bepaald op heden.

2 De feiten

2.1

Het Hof gaat uit van de volgende feiten.

2.2

Partijen zijn op 30 november 2014 een arbeidsovereenkomst aangegaan. Na aanvang van zijn werkzaamheden voor Travicon is [appellant] arbeidsongeschikt geraakt.

2.3

Op 5 februari 2015 heeft Travicon [appellant] telefonisch meegedeeld dat zijn contract van rechtswege op 3 februari 2015 is geëindigd en dat hij niet meer op het werk hoeft te verschijnen.

2.4

In het dossier bevindt zich een arbeidsovereenkomst tussen partijen waarin op de eerste pagina staat vermeld dat deze is aangegaan voor de periode 3 december 2014 tot 3 februari 2015. De tweede pagina is door [appellant] ondertekend. De eerste pagina is niet ondertekend of geparafeerd.

2.5

In het dossier bevinden zich twee SVB-kaarten op naam van [appellant]. Op de ene kaart staat een contractduur vermeld van 1 december 2014 tot 1 december 2015 en op de ander van 1 december 2014 tot 1 februari 2015.

2.6

Op het door [appellant] overgelegde in- en uitschrijvingsformulier van de SVB staat een contractduur van twee maanden vermeld. Op dat formulier bevindt zich verder een stempel van 12 januari 2015.

2.7

In een in het Spaans op schrift gestelde verklaring van [naam van verklaarde] dd. 30 juni 2015 staat onder meer dat zij er getuige van was dat [appellant] kopieën maakte van zijn SVB-kaart waarop een contractduur van een jaar stond vermeld van 1 december 2014 tot 1 december 2015.

2.8

In een in het Spaans op schrift gestelde verklaring van [ naam van verklaarde] staat onder meer dat [appellant] een keer blij naar haar huis kwam omdat hij een jaarcontract had getekend bij Travicon en dat hij haar zijn gele SVB-kaart heeft laten zien waarop een contractduur van 1 jaar stond vermeld. Hij heeft haar ook de wijziging op de SVB-kaart laten zien.

3 De beoordeling

3.1

Nu genoegzaam is gebleken van het onvermogen van [appellant] om de proceskosten te dragen zal hem toestemming worden verleend om kosteloos te procederen.

3.2 [

Appellant] vordert dat Travicon wordt veroordeeld tot doorbetaling van zijn loon, vermeerderd met de wettelijke rente evenals de vertragingsrente, totdat de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig is beëindigd, met veroordeling van Travicon in de proceskosten. [Appellant] legt aan deze vordering ten grondslag –kort weergegeven- dat het ontslag nietig is, omdat Travicon niet over een ontslagvergunning beschikt.

3.3

Het GEA heeft geoordeeld dat niet aannemelijk is geworden dat de tussen partijen bestaande arbeidsovereenkomst een tijdsduur had van één jaar en de vordering afgewezen. Hiertegen richt zich het hoger beroep. De grieven lenen zich voor gezamenlijke behandeling.

3.4

Tegen het oordeel van het GEA dat voor de beoordeling van de vraag of [appellant] recht heeft op doorbetaling van loon voldoende aannemelijk dient te zijn dat de tussen partijen bestaande arbeidsovereenkomst een tijdsduur had van een jaar en aldus zou eindigen op 1 december 2015 is geen grief aangevoerd. Het Hof sluit zich aan bij dat oordeel en maakt het tot het zijne.

3.5

In hoger beroep heeft [appellant] het volgende naar voren gebracht. Hij heeft op 30 november 2014 een arbeidsovereenkomst getekend voor de duur van een jaar ingaand op 1 december 2014 en eindigend op 1 december 2015. Zowel de eerste als de tweede pagina van de overeenkomst heeft hij ondertekend. Ondanks verzoek daartoe is hem geen kopie van de overeenkomst verstrekt. Op 12 januari 2015 heeft [appellant] op het kantoor van Travicon zijn gele SVB kaart opgehaald. Op die kaart stond dat hij in dienst is van 1 december 2014 tot 1 december 2015. [Appellant] heeft van die kaart een kopie gemaakt. Nadat [appellant] op 5 februari 2012 van Travicon te horen kreeg dat hij niet meer op het werk hoefde te verschijnen, is hij naar Travicon gegaan voor zijn SVB-kaart en arbeidsovereenkomst en toen ontdekte hij dat Travicon op de SVB-kaart de duur van het contract heeft gewijzigd in die zin dat als einddatum werd vermeld 1 februari 2015. Ook ontdekte hij dat Travicon in de arbeidsovereenkomst de einddatum heeft gewijzigd van 1 december 2015 naar 1 februari 2015. Travicon heeft het in- en uitschrijvingsformulier geantidateerd en op 12 januari 2015 de duur van twee maanden vermeld, wetende dat [appellant] vanaf 9 januari 2015 arbeidsongeschikt was en voorlopig niet op het werk zou verschijnen.

3.6

Travicon heeft, hoewel hiertoe in de gelegenheid gesteld, voormelde stellingen van [appellant] in hoger beroep niet betwist. Het Hof gaat dan ook voorshands van de juistheid daarvan uit. In samenhang met de –eveneens onbestreden gebleven- verklaringen van de getuigen (zie onder 2.7 en 2.8) komt het Hof tot het voorlopig oordeel dat voldoende aannemelijk is geworden dat de tussen partijen bestaande arbeidsovereenkomst een tijdsduur had van een jaar en dus zou eindigen op 1 december 2015.

3.7

In het feit dat het betreft een geldvordering in kort geding, waarbij tevens rekening moet worden gehouden met het restitutierisico, ziet het Hof aanleiding om thans Travicon niet te veroordelen tot doorbetaling loon maar tot betaling van een voorschot. Hierbij neemt het Hof tevens in aanmerking dat gegevens omtrent het aantal verwachte gewerkte uren na februari 2015 ontbreken. Het Hof bepaalt het door Travicon als voorschot te betalen bedrag op NAf 5.000,-. Dit bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente met ingang van 6 mei 2015. Het meer of anders gevorderde zal worden afgewezen.

3.8

De slotsom is dat de grieven slagen en het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd. Travicon wordt als de in het ongelijk gestelde partij veroordeeld in de proceskosten in eerste aanleg en in hoger beroep.

4 De beslissing

Het Hof:

verleent [appellant] toestemming om kosteloos te procederen;

vernietigt het vonnis waarvan beroep en opnieuw rechtdoende;

veroordeelt Travicon om aan [appellant] te betalen een voorschot ter hoogte van NAf 5.000,-, vermeerderd met de wettelijke rente met ingang van 6 mei 2015;

Veroordeelt Travicon in de proceskosten, aan de zijde van [appellant] gevallen en tot aan deze uitspraak in eerste aanleg begroot op NAf 348,53 aan verschotten en NAf 900,- aan gemachtigdensalaris en in hoger beroep op NAf 211,45 aan verschotten en NAf 5.400,- aan gemachtigdensalaris, alsmede met veroordeling van Travicon tot voldoening aan de griffie van het in debet gestelde griffierecht van NAf 450,- (eerste aanleg) en NAf 900,- (hoger beroep);

Verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

Wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mrs. E.A. Saleh, G.C.C. Lewin en D. Radder, leden van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie, en ter openbare terechtzitting van het Hof in Sint Maarten in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken op 1 maart 2016.