Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGHACMB:2016:72

Instantie
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Datum uitspraak
01-03-2016
Datum publicatie
22-08-2016
Zaaknummer
AR 66016 - H 244/15
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

overeenkomst van opdracht vaststellen redelijk loon

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2016/2469
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Burgerlijke zaken over 2016 Vonnis no.:

Registratienummer: AR 66016 - H 244/15

Uitspraak: 1 maart 2016

GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE

van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en

van Bonaire, Sint Eustatius en Saba

V O N N I S

in de zaak van:

de naamloze vennootschap

PROFESSIONAL SECURITY SERVICES N.V.,

gevestigd in Curaҫao,

oorspronkelijk eiseres,

thans appellante,

gemachtigde: mr. C.S.F. Marshall,

tegen

de naamloze vennootschap

GLOBAL METALS N.V., h.o.d.n. PARC AUTHORITY CURACAO,

gevestigd in Curaҫao,

oorspronkelijk gedaagde,

thans geïntimeerde,

gemachtigde: mr. H.W. Braam.

Partijen worden hierna ook PSS en PAC genoemd.

1 Het verloop van de procedure

1.1.

Voor hetgeen in eerste aanleg is gesteld en gevorderd, voor de procesgang aldaar en voor de overwegingen en beslissingen van het Gerecht in eerste aanleg van Curaҫao (GEA) wordt verwezen naar het tussen partijen in deze zaak gewezen vonnis van 12 januari 2015. De inhoud daarvan geldt als hier ingevoegd.

1.2.

PSS is tijdig in hoger beroep gekomen van genoemd vonnis door indiening op 20 februari 2015 van een daartoe strekkende akte van hoger beroep. Op 31 maart 2015 heeft PSS een memorie van grieven, met producties, ingediend waarbij drie grieven zijn voorgedragen en toegelicht. PSS heeft in de memorie geconcludeerd dat het Hof het vonnis waarvan beroep zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, de vordering van PSS alsnog zal toewijzen, met veroordeling van PAC in de kosten van de procedure, een en ander uitvoerbaar bij voorraad.

1.3.

PAC heeft op 25 mei 2015 een memorie van antwoord ingediend. Hierbij heeft zij de grieven van PSS bestreden en geconcludeerd tot bevestiging van het vonnis waarvan beroep, met veroordeling van PSS in de proceskosten in hoger beroep, uitvoerbaar bij voorraad.

1.4.

Op de daarvoor nader bepaalde dag, 24 november 2015, hebben partijen pleitnota’s overgelegd. De pleitnota van PSS was voorzien van een productie, waarover PAC zich bij akte van 5 januari 2016 heeft uitgelaten.

1.5.

Vonnis is nader bepaald op heden.

2 De beoordeling

2.1.

Tegen de weergave van de vaststaande feiten in rechtsoverwegingen 2.1 tot en met 2.5 van het bestreden vonnis is geen grief ontwikkeld, zodat ook in hoger beroep van die feiten zal worden uitgegaan.

2.2.

Bij het bestreden vonnis heeft het GEA de vorderingen van PSS afgewezen. Naar het oordeel van het GEA heeft – kort samengevat – PSS niet voldaan aan haar stelplicht met betrekking tot de factuur en de reikwijdte van de overeenkomst.

2.3.

Het Hof verenigt zich met hetgeen het GEA in rechtsoverweging 4.1 van het bestreden vonnis heeft overwogen en neemt die overweging over. PSS is derhalve ontvankelijk in haar vordering.

2.4.

De kern van het geschil is de vraag of PAC gehouden het restant van de factuur van 16 maart 2011 van PSS te voldoen.

2.5.

PSS heeft in hoger beroep het volgende aangevoerd. Partijen waren overeengekomen dat PSS voor de uitvoering van het project “Parkeer Beheer Willemstad Curaçao” een vergoeding van maximaal 10% van de aanneemsom zou ontvangen. De factuur bedraagt ongeveer 5% van de aanneemsom, hetgeen gezien de duur van de overeenkomst en de omvang van de verrichte werkzaamheden als een redelijke en billijke vergoeding moet worden aangemerkt. PAC heeft na ontvangst van de factuur verzocht om deze in termijnen te mogen voldoen. In verband met een discussie over een vermeende dubbele betaling heeft PSS PAC pas aangemaand tot betaling van het restant van de factuur enige tijd na het versturen van een aanmaning in het kader van een andere overeenkomst die zij eerst wilde afhandelen.

2.6.

PAC betwist dat partijen hebben afgesproken dat de vergoeding maximaal 10% van de aanneemsom zou bedragen en stelt zich op het standpunt dat partijen geen enkele prijsafspraak hebben gemaakt, dat er geen sprake was van extra overeenkomsten tussen partijen, en dat het door haar in totaal aan PSS betaalde bedrag van NAf 199.089,10 gedeeld door veertien maanden neerkomt op een redelijke en billijke vergoeding van NAf 14.220,65 per maand.

2.7.

Voor zover PSS bedoeld heeft te stellen dat PAC de verschuldigdheid van de factuur aanvankelijk heeft erkend door betaling daarvan in termijnen te verzoeken, wordt overwogen dat PSS deze stelling tegenover de gemotiveerde betwisting daarvan door PAC, onvoldoende heeft gemotiveerd. PSS heeft immers nagelaten nader te onderbouwen op welke wijze, door wie en wanneer dit verzoek zou zijn gedaan. Daar staat echter tegenover dat de lezing van PAC dat PSS pas met de factuur van 16 maart 2011 uit de hoge hoed kwam nadat alles was afgerekend, niet geloofwaardig is. Daartoe wordt het volgende overwogen. PAC heeft enkele dagen na de factuurdatum, te weten op 23 maart 2011, een bedrag van NAf 105.000,00 aan PSS betaald. Uit de door PAC bij conclusie van antwoord overgelegde producties kan worden afgeleid dat betalingen van PAC steeds volgden op facturen van PSS, zodat het ook voor de hand ligt dat ook de betaling van 23 maart 2011 op een factuur volgde. Daar komt nog bij dat PAC niet eenduidig is over het moment waarop zij de factuur van 16 maart 2011 heeft ontvangen. In eerste aanleg heeft zij aangevoerd dat zij deze factuur en de aanmaningsbrief van 17 augustus 2011 nooit had ontvangen en dat PSS pas na anderhalf jaar met de vordering uit de hoge hoed kwam (zie sustenu 3 en 4 bij conclusie van antwoord), terwijl in de memorie van antwoord staat dat PAC de factuur voor het eerst op 17 augustus 2011 heeft gezien. Wat daar ook van zij, omstandigheden op grond waarvan PAC na de betaling van NAf 105.000,00 de overeenkomst als afgewikkeld mocht beschouwen zijn niet gesteld of gebleken.

2.8.

Dat PSS op basis van een mondelinge overeenkomst van opdracht tussen partijen werkzaamheden heeft verricht voor PAC op grond waarvan PAC loon verschuldigd is, is niet in geschil. Daargelaten de vraag of partijen gesproken hebben over een maximumvergoeding, staat vast dat de exacte hoogte van het loon niet is bepaald. Indien de opdrachtnemer krachtens een in de uitoefening van zijn beroep of bedrijf aangegane overeenkomst werkzaamheden heeft verricht waarvoor de overeenkomst geen vergoeding bepaalt, terwijl ook onvoldoende duidelijke aanknopingspunten bestaan om het loon op de gebruikelijke wijze te berekenen (bijvoorbeeld door het aantal gewerkte uren te vermenigvuldigen met het gebruikelijke uurloon), is de opdrachtgever ingevolge artikel 7:405 lid 2 BW een redelijk loon verschuldigd. Aangezien PSS zich beroept op het rechtsgevolg, te weten dat PAC het gevorderde loon verschuldigd is, rusten de stelplicht en de bewijslast dat het gevorderde loon redelijk is op PSS. Daaraan kunnen echter geen hoge eisen worden gesteld, aangezien – anders dan doorgaans het geval is bij de berekening van een gebruikelijk loon – aan de bepaling van een redelijk loon niet een nauwkeurige berekening ten grondslag kan worden gelegd (zie HR 19 december 2008, NJ 2011/43 (https://www.navigator.nl/), Span/Recreatiebeheer). Wat in een concreet geval als een "redelijk" loon heeft te gelden, zal onder meer afhangen van de aard en – zo nodig schattenderwijs te bepalen – omvang van de verrichte werkzaamheden en van hetgeen in de desbetreffende branche in het algemeen gebruikelijk is.

2.9.

PSS heeft ter onderbouwing van haar vordering een opsomming overgelegd van de door haar verrichte werkzaamheden. PAC betwist dat PSS alle daarin genoemde werkzaamheden heeft uitgevoerd. PSS heeft vervolgens een accountantsrapport overgelegd. Anders dan PAC heeft aangevoerd is dit rapport tijdig in het geding gebracht, nu het reeds als productie bij de memorie van grieven was gevoegd. Daargelaten de vraag of PSS alle opgesomde werkzaamheden heeft verricht, hetgeen – zoals PAC terecht heeft aangevoerd – op basis van het rapport niet kan worden vastgesteld, biedt de opsomming geen aanknopingspunten voor de vaststelling van een redelijk loon voor de verrichte werkzaamheden. PAC heeft in het geheel geen omstandigheden aangevoerd om tot de bepaling van een redelijk loon te komen.

2.10.

Voor de vaststelling van wat als redelijk loon heeft te gelden zal daarom worden aangeknoopt bij de specificatie van de factuur van 16 maart 2011 van PSS die door PAC als productie 3 bij conclusie in het geding is gebracht. Daaruit blijkt dat de factuur is opgebouwd uit – kort gezegd – arbeidsloon en een vergoeding van secundaire arbeidsvoorwaarden voor Gonet, en daarnaast uit vergoedingen voor kantoor-, telefoon- en autokosten. PSS heeft, tegenover de gemotiveerde betwisting daarvan door PAC, niet voldoende gemotiveerd gesteld dat op grond van de afspraken tussen partijen ook andere vergoedingen dan die voor arbeidsloon bij de vaststelling van een redelijk loon moeten worden betrokken. Daarom zal slechts het arbeidsloon in aanmerking worden genomen. PAC heeft aangevoerd dat zij, uitgaande van de door haar gestelde betalingen aan PSS, ruim NAf 14.000,00 per maand heeft betaald en dat dat als een redelijk loon moet worden beschouwd. Zij weerspreekt aldus niet dat het door PSS berekende arbeidsloon van NAf 12.500,00 per maand redelijk is, zodat daarvan zal worden uitgegaan. Over een periode van veertien maanden heeft PSS daarom recht op een vergoeding van NAf 175.000,00 (14 x 12.500,00).

2.11.

Blijkens de door partijen overgelegde en niet (voldoende gemotiveerd) weersproken betalingsbewijzen en facturen heeft PAC in de periode waarop de factuur betrekking heeft in totaal NAf 153.967,20 (= NAf 5.000,00 + NAf 10.000,00 + NAf 2.750,00 + NAf 31.217,20 + NAf 105.000,00) aan PSS betaald. Tegenover de gemotiveerde betwisting daarvan door PSS, heeft PAC niet voldoende gemotiveerd gesteld dat deze betalingen (deels) buiten beschouwing moeten blijven omdat deze betrekking hebben op werkzaamheden die in het kader van een andere overeenkomst tussen partijen zijn verricht. De betalingen die PAC voorafgaand en na deze periode aan PSS heeft gedaan worden wel buiten beschouwing gelaten omdat deze – los van de vraag in welk kader dat is gebeurd – betrekking hebben op werkzaamheden die zijn verricht buiten de periode waarop de factuur betrekking heeft.

2.12.

Gezien het voorgaande is PAC – na aftrek van het reeds betaalde bedrag van NAf 153.967,20 – nog een bedrag van NAf 21.032,80 verschuldigd aan PSS. De vordering is dus tot de hoogte van dat bedrag toewijsbaar. De wettelijke rente over dat bedrag zal worden toegewezen vanaf de datum van betekening van het inleidend verzoekschrift.

2.13.

Daargelaten de vraag naar de aansprakelijkheid daarvoor van PAC – de discussie over het verschuldigde loon is immers het gevolg van het ontbreken van heldere afspraken daarover op voorhand, hetgeen mede aan PSS zelf te wijten is – heeft PSS ter onderbouwing van de gevorderde schadevergoeding geen concrete omstandigheden aangevoerd waaruit blijkt dat zij als gevolg van het handelen van PAC financiële schade heeft geleden. De gevorderde schadevergoeding wordt dan ook afgewezen.

2.14.

De gevorderde buitengerechtelijke incassoskosten worden eveneens afgewezen. Dat deze zijn overeengekomen is niet gesteld of gebleken en PSS heeft evenmin (voldoende gemotiveerd) gesteld dat zij werkzaamheden heeft verricht die meer omvatten dan het versturen van een enkele (herhaalde) aanmaning.

2.15.

De slotsom van het vooroverwogene is dat de vordering van PSS moet worden toegewezen tot een bedrag van NAf 21.032,80. Het Hof zal het bestreden vonnis dan ook vernietigen en opnieuw rechtdoen overeenkomstig hetgeen hiervoor is overwogen.

2.16.

PAC zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de proceskosten van PSS in eerste aanleg en in hoger beroep. De proceskosten van PSS in eerste aanleg zullen worden begroot op NAf 233,50 aan oproepingskosten,

NAf 1.650,00 aan griffierechten, NAf 12,50 aan afroepkosten en NAf 2.250,00 aan gemachtigdensalaris (3 x tarief 4). De proceskosten van PSS in hoger beroep zullen worden begroot op NAf 368,45 aan oproepingskosten, NAf 3.300 aan griffierechten en NAf 3.600,00 aan gemachtigdensalaris (3 x tarief 4).

BESLISSING

Het Hof:

- vernietigt het vonnis waarvan beroep en opnieuw rechtdoende:

- veroordeelt PAC om aan PSS te betalen een bedrag van NAf 21.032,80, vermeerderd met wettelijke rente over dat bedrag vanaf 8 januari 2014 tot de algehele voldoening;

- veroordeelt PAC in de proceskosten van PSS in eerste aanleg en in hoger beroep, gezamenlijk begroot op NAf 5.564,45 aan verschotten en

NAf 5.850,00 aan gemachtigdensalaris;

- verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

- wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mrs. S. Verheijen, H.J. Fehmers en F.V.L.M. Wannyn, leden van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie, en ter openbare terechtzitting van het Hof in Curaҫao in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken op 1 maart 2016.