Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGHACMB:2016:70

Instantie
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Datum uitspraak
22-03-2016
Datum publicatie
22-08-2016
Zaaknummer
AR 2963/13 - ghis 74743 - H 256/15
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

onvoldoende belang bij verklaring voor recht

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Burgerlijke zaken over 2016 Vonnisno.:

Registratienummers: AR 2963/13 - ghis 74743 - H 256/15

Uitspraak: 22 maart 2016

GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE

van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en

van Bonaire, Sint Eustatius en Saba

VONNIS

in de zaak van:

1. APPELLANT

2. APPELLANT

wonend in Aruba,

oorspronkelijk eisers, thans appellanten,

gemachtigde: mr. G. de Hoogd,

tegen

de naamloze vennootschap

RBC ROYAL BANK (ARUBA) N.V.,

gevestigd in Aruba,

oorspronkelijk gedaagde, thans geïntimeerde,

gemachtigde: mr. M.L.J.J.P. Willems.

Partijen worden hierna [appellanten] en RBC genoemd.

1 Het verloop van de procedure

1.1.

Voor hetgeen in eerste aanleg is gesteld en gevorderd, voor de procesgang aldaar en voor de overwegingen en beslissingen van het Gerecht in eerste aanleg van Aruba (hierna: GEA) wordt verwezen naar het tussen partijen in deze zaak gewezen vonnis van 12 november 2014. De inhoud daarvan geldt als hier ingevoegd.

1.2. [

Appellanten] zijn tijdig in hoger beroep gekomen van voornoemd vonnis door indiening op 16 december 2014 van een akte van hoger beroep. Op 27 januari 2015 hebben [appellanten]. een memorie van grieven, met productie, ingediend waarbij drie grieven zijn voorgedragen. [Appellanten] hebben geconcludeerd dat het Hof het vonnis waarvan beroep zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, hun vorderingen zal toewijzen en RBC zal veroordelen in de proceskosten in beide instanties.

1.3.

RBC heeft een memorie van antwoord ingediend. Zij heeft geconcludeerd tot bevestiging van het bestreden vonnis met veroordeling van [appellanten] in de proceskosten, uitvoerbaar bij voorraad.

1.4.

Op 15 december 2015 hebben partijen pleitnota’s overgelegd.

1.5.

Vonnis is nader bepaald op heden.

2 De feiten

2.1.

RBC was hypotheekhouder op het recht van erfpacht van het perceel grond met woonhuis, plaatselijk bekend als [adres] (hierna: het pand). Omdat de hypotheekgever zijn verplichtingen jegens RBC niet nakwam is zij overgegaan tot verkoop van het pand. De aanvankelijk aangekondigde veiling is niet doorgegaan omdat [appellanten] het pand bij onderhandse overeenkomst van 22 november 2011 (hierna: de koopovereenkomst) hebben gekocht, met de bedoeling om daar zelf te gaan wonen.

2.2.

Volgens de koopovereenkomst:

a. aanvaardt de koper het verkochte in de staat waarin het zich ten tijde van de levering bevindt (artikel 6),

b. staat de verkoper er niet voor in dat wordt geleverd vrij van bijzondere lasten en beperkingen en heeft de koper verklaard dat hij een onderzoek naar mogelijke lasten en/of beperkingen heeft ingesteld dan wel dit niet noodzakelijk acht (artikel 7).

2.3.

De akte van levering is opgemaakt en ingeschreven op 23 maart 2012 (hierna: de leveringsakte). In de leveringsakte is opgenomen:

a. onder het kopje ‘koopovereenkomst’: het bepaalde in de koopovereenkomst blijft van toepassing voor zover daarvan in de leveringsakte niet is afgeweken,

b. onder het kopje ‘garanties verkoper’: kopers kunnen het gekochte onmiddellijk aanvaarden, ontruimd en vrij van huur en andere gebruiksrechten,

c. onder het kopje ‘bijzondere veilingvoorwaarden’: koper aanvaardt het verkochte in de staat waarin het zich ten tijde van de feitelijke levering blijkt te bevinden en de verkoper is niet bekend met huurovereenkomsten inzake het verkochte.

2.4.

De dag na de levering bleek het pand nog bewoond. De toenmalige bewoners stelden zich op het standpunt dat zij een huurovereenkomst hadden met de vorige eigenaar. Op 23 april 2012 hebben zij de woning alsnog verlaten.

3 De beoordeling

3.1. [

Appellanten] hebben gesteld dat de woning niet aan hun gerechtvaardigde verwachtingen voldeed en dat zij schade hebben geleden tot een bedrag van
Afl. 61.068,11 doordat op 23 april 2012 bleek dat een aantal goederen uit het pand was verwijderd. Het GEA heeft de vorderingen afgewezen. Daartoe heeft het geoordeeld dat de vorige bewoners bij hun vertrek de ontbrekende goederen hebben meegenomen, dat het pand vanaf de levering voor rekening en risico van [appellanten] kwam en dat van een tekortkoming van RBC dus geen sprake is. Verder heeft het GEA geoordeeld dat de mogelijkheid van andere schade als gevolg van de gestelde wanprestatie of onrechtmatige daad niet aannemelijk is gemaakt.

3.2.

Het Hof verwerpt de stelling van [appellanten] dat RBC is tekortgekomen in de nakoming van de koopovereenkomst en de leveringsakte doordat de voormalige bewoners een aantal roerende goederen uit het pand hebben verwijderd. Beoordeeld moet worden of het pand op het moment van levering voldeed aan de gerechtvaardigde verwachtingen van [appellanten] Gesteld noch gebleken is dat de door [appellanten] bedoelde goederen op 23 maart 2012 al waren verwijderd, zodat van een gebrek in de door RBC geleverde prestatie als door [appellanten] bedoeld geen sprake kan zijn. Het GEA heeft terecht en op goede gronden geoordeeld dat het na de levering verwijderen van goederen door derden voor risico van [appellanten] komt en dus geen gebrek in de prestatie van RBC oplevert.

3.3. [

Appellanten] hebben daarnaast aangevoerd dat RBC tekort is gekomen in de nakoming van haar in de leveringsakte opgenomen verplichting doordat het pand nog bewoond was, terwijl RBC gegarandeerd had dat de woning vrij van huur en andere gebruiksrechten was.

3.4.

RBC heeft bestreden dat zij is tekortgekomen in de nakoming van de garantieverplichting. Zij heeft daarnaast gesteld dat causaal verband tussen de gestelde tekortkoming en (mogelijke) schade ontbreekt.

3.5.

Alle gevorderde schadeposten hebben betrekking op de feitelijke staat van de woning. Uit de stellingen van [appellanten] kan niet worden afgeleid dat de gestelde tekortkoming van RBC ten aanzien van de garantieverplichting heeft geleid tot de door hen gestelde schade. Het valt namelijk zonder nadere toelichting, die ontbreekt, niet in te zien dat de gestelde schade niet zou zijn ontstaan als de woning voor de levering was ontruimd en de gestelde tekortkoming in de nakoming van de garantieverplichting (dus) achterwege was gebleven. Over de mogelijkheid van andere schade als gevolg van de tekortkoming is door [appellanten] niets gesteld terwijl daarvan ook niet is gebleken, zodat die mogelijkheid evenmin aannemelijk is geworden. Dit brengt mee dat [appellanten] onvoldoende belang hebben bij de beoordeling van hun stelling dat RBC tekort is gekomen in de nakoming van de garantieverplichting.

3.6.

Uit het voorgaande volgt dat de vorderingen van [appellanten] terecht zijn afgewezen. Het vonnis waarvan beroep zal worden bevestigd.

3.7. [

Appellanten] zullen als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten in hoger beroep aan de kant van RBC. Deze kosten worden begroot op NAf 216,28 aan verschotten en NAf 6.600,00 aan salaris gemachtigde (3 punten maal tarief NAf 2.200,00), derhalve in totaal NAf 6.816,28.

BESLISSING

Het Hof:

  • -

    bevestigt het vonnis waarvan beroep,

  • -

    veroordeelt [appellanten] in de proceskosten aan de zijde van RBC, begroot op NAf 6.816,28.

Dit vonnis is gewezen door mrs. G.C.C. Lewin, H.J. Fehmers en F.V.L.M. Wannyn, leden van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie, en ter openbare terechtzitting van het Hof in Aruba in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken op 22 maart 2016.