Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGHACMB:2016:69

Instantie
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Datum uitspraak
16-08-2016
Datum publicatie
22-08-2016
Zaaknummer
AR 1901/2013, ghis 74367, H 215/15
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verjaring

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Burgerlijke zaken over 2016 Vonnisno.:

Registratienummers: AR 1901/2013, ghis 74367, H 215/15

Uitspraak: 16 augustus 2016

GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE

van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en

van Bonaire, Sint Eustatius en Saba

V O N N I S

in de zaak van:

[APPELLANTE],

wonende te Curacao,

oorspronkelijk eiseres,

thans appellante,

gemachtigde: de heer dr. J.M. Eustatia,

tegen

[GEÏNTIMEERDE],

wonende te Aruba,

oorspronkelijk gedaagde,

thans geïntimeerde,

gemachtigde: mr. M.A. Ellis-Schipper.

Partijen worden hierna [appellante] en [geïntimeerde] genoemd.

1 Het verdere verloop van de procedure

1.1

Voor het procesverloop tot aan 19 januari 2016 wordt verwezen naar

het tussenvonnis van het Hof van die datum.

1.2

Ter uitvoering van voormeld tussenvonnis heeft [geïntimeerde] op 23 februari 2016 een akte uitlating met producties genomen. [appellante] heeft op 22 maart 2016 een contra-akte met producties en [geïntimeerde] heeft op 19 april 2016 een akte uitlating producties ingediend.

1.3

Vonnis is nader bepaald op heden.

2 De verdere beoordeling

2.1.

Het Hof heeft in voormeld tussenvonnis onder meer het volgende overwogen:

3.7 Het geschil in eerste aanleg heeft zich enkel toegespitst op de vraag wanneer Eustatia op de hoogte is geraakt van de aandelenoverdracht van 1993. De enkele wetenschap van de aandelenoverdracht is echter niet voldoende voor de conclusie dat de vordering van [appellante] is verjaard. Daarvoor is, gelet op artikel 3:52 BW, nodig dat drie jaren zijn verstreken sinds het moment dat het bedrog, de dwaling of de bedreiging is ontdekt. Hierover hebben partijen zich niet uitgelaten. Het Hof behoeft, alvorens verdere beslissingen te nemen, nadere inlichtingen van partijen. De zaak wordt naar de rol verwezen opdat partijen, eerst [geïntimeerde] en vervolgens [appellante], zich kunnen uitlaten omtrent het voorgaande.”

2.2 [

geïntimeerde] heeft -samengevat- het volgende gesteld. Voor zover [appellante] zich beroept op vernietiging op grond van bedreiging geldt dat de vordering is verjaard nadat drie jaren zijn verstreken sinds de invloed heeft opgehouden te werken. Indien erflater zich geïntimideerd heeft gevoeld om te ondertekenen, dan is deze invloed direct na de ondertekening, welke plaatsvond op 1 juli 1993, opgehouden. Dit betekent, aldus [geïntimeerde], dat de vordering tot vernietiging op grond van bedreiging is verjaard op 1 juli 1996. Voor het geval het Hof mocht aannemen dat deze invloed pas bij het overlijden van erflater heeft opgehouden te werken, is het zo dat [appellante] zelf heeft gesteld dat zij na het overlijden van erflater informatie heeft ingewonnen omtrent de eigendom van de aandelen van de vennootschap. Met betrekking tot het beroep van [appellante] op dwaling c.q. bedrog heeft, aldus [geïntimeerde], als aanvang voor de verjaringstermijn te gelden het jaar 1998, waarin [appellante] iedereen binnen de familie heeft aangesproken over het feit dat zij de mening is toegedaan dat de aandelenoverdracht het gevolg is van een listige streek van [geïntimeerde]. [geïntimeerde] verwijst in dit verband naar de conclusie van repliek van [appellante] (waarvan een deel door [geïntimeerde] als productie 1 bij zijn akte uitlating is overgelegd) en de als productie 2 bij die akte overgelegde verklaring van R.H.J. [zwager van eiseres].

2.3 [

Appellante] heeft in haar contra-akte het volgende gesteld. [Appellante] heeft steeds getwijfeld aan het verhaal van [geïntimeerde] dat de erflater 12 waardeloze aandelen aan hem heeft geschonken en dat hij op zijn beurt deze aandelen aan een derde heeft geschonken. Deze twijfel was de reden om in 1998 notaris mr. J. Croes te benaderen ter verkrijging van zekerheid. Uit een brief van [appellante] van 1 maart 2013 aan haar toenmalige advocaat blijkt dat zij tot dat moment nog geen zekerheid had ten aanzien van de onrechtmatige aandelenoverdracht. [Appellante] betwist de door [geïntimeerde] overgelegde schriftelijke verklaring van de heer [zwager van eiseres]. Bij brief van 17 mei 2013 stuurde [geïntimeerde] aan mr. Roos de akte van aandelenoverdracht. Zelfs na ontvangst daarvan was er bij [appellante] geen absolute zekerheid omtrent de gewraakte gang van zaken met betrekking tot die overdracht. Van absolute zekerheid was pas sprake na het doornemen van de verklaring van notaris J.M. Croes dd 14 november 2014.

2.4

Het Hof stelt voorop dat voor aanvang van de verjaringstermijn van een vordering tot vernietiging op grond van dwaling of bedrog, niet is vereist dat sprake is van absolute zekerheid ten aanzien van het bestaan daarvan. Er is daadwerkelijke bekendheid vereist van de feiten en omstandigheden waarop het beroep op dwaling of bedrog is gegrond, zij het dat een absolute zekerheid omtrent die feiten niet vereist is, doch een redelijke mate van zekerheid volstaat (NJ 1995/534 en NJ 2013/256). Zoals het Hof in het tussenvonnis heeft overwogen heeft [appellante] aan haar vordering ten grondslag gelegd dat [geïntimeerde] de oude en zieke erflater valselijk heeft voorgehouden dat het aanhouden van zijn aandelen tot voor hem ongehoord hoge financiele kosten zou leiden.

2.5

De door [geïntimeerde] bij akte uitlating overgelegde verklaring van [zwager van eiseres] luidt, voor zover relevant, als volgt:

[Appellante], [roep naam appellante], had aan haar zus [naam zus], na het overlijden van mijn schoonvader in 1998, een pakket documenten toegestuurd, waarin ze o.a.. [geïntimeerde], zwager van [roep naam appellante], vals beschuldigde i.v.m. de overdracht van aandelen van Erasmus general Contractor N.V. aan hem. Ik had haar als ex-employee van de LAGO uitvoerig en langdurig uitgelegd dat ik wist wat het contract van Erasmus general Contractor N.V. met de LAGO inhield. Ik wist, dat de N.V. na januari 1985 niet meer actief was en verder bijna geen enkele waarde meer had. [overledene] had mijn vrouw en mij terloops verteld over de overdracht van de aandelen aan. [geïntimeerde] in 1993, omdat de non-actieve N.V. alleen maar kosten met zich meebracht. (...) “

2.6 [

Appellante] heeft de inhoud van deze gedetailleerde verklaring niet gemotiveerd bestreden zodat het Hof van de juistheid daarvan uitgaat. De verklaring vindt bovendien steun in de stellingen van [appellante] zoals hierna aangehaald onder 2.7 en 2.8.

2.7

Eustatia heeft in het inleidend verzoekschrift onder 6, 7, 8 en 9 het volgende gesteld:

“ 6. (..) Verzoekster besloot daarom na het overlijden van wijlen haar vader, in maart 1998, informatie in te winnen bij notaris mr John R. Croes mbt de eigendommen van haar vader en met name omtrent haar vaders bedrijf.

7. Verzoekster kreeg toen de onthutsende mededeling, dat het bedrijf Erasmus General Contractor NV op 29 januai 1998 een naamswijziging had ondergaan in Custom Contractors NV en dat de company van haar vader niet meer bestond (…).

8. Verzoekster stelde haar zusters op de hoogte van haar bevindingen, waarop haar oudste zuster, [Erfgename], met grote verbijstering reageerde.

9. [Geïntimeerde] voelde zich door deze ontwikkeling genoodzaakt erfgename [Erfgename] te overtuigen van zijn goede bedoelingen: hij zou de

“ waardeloze” aandelen na het overlijden van wijlen [overledene] (4 maart 1998) om niet aan derden cadeau hebben gedaan.

2.8 [

Appellante] heeft bij conclusie van repliek op pagina 7/8 het volgende gesteld:

[zus van eiseres] en eiseres waren diep geschokt over de naamsverandering van Erasmus General Contractor nv (…) op 29 januari 1998: een maand voor het overlijden van de erflater op 7 maart 1998. (...). [zus van eiseres] kon door deze schok de hele nacht niet slapen. (..) Haar man [zwager van eiseres] is de dag erna met haar meegegaan naar de [geïntimeerde]s om verhaal te halen over de naamsverandering. (..) Op die bewuste avond pas vertelde [geïntimeerde] aan de [erfgenamen], dat de erflater hem reeds alle 12 aandelen had gegeven en dat hij de 12 aandelen reeds aan derden had geschonken. (...) [zus van eiseres] en eiseres waren niet alleen geschokt en vreselijk teleurgesteld, maar ook erg boos. De nodige financien hiervoor om het Gerecht te adieren, had eiseres toen niet. Eiseres geloofde toen en nog steeds, dat de aandelen op een onrechtmatige wijze door [geïntimeerde] verkregen zijn.”.

2.9

Uit de verklaring van [zwager van eiseres] en de hiervoor aangehaalde stellingen van [Appellante] volgt dat [appellante] al in 1998 kennelijk met zodanige feiten en omstandigheden bekend was dat zij meende dat de aandelenoverdracht aan [geïntimeerde] onrechtmatig was en [geïntimeerde] daarvan beschuldigde. Uit de verklaring van de heer [zwager van eiseres] volgt voorts dat tijdens het gesprek dat hij in 1998 met [appellante] heeft gevoerd, welk gesprek plaatsvond nadat [appellante] [geïntimeerde] had beschuldigd in verband met de verkoop van de aandelen, de waarde van de N.V. en de aan de N.V. verbonden kosten aan de orde zijn geweest. Hierbij komt dat [appellante] heeft gesteld dat zij destijds enkel om financiële redenen heeft afgezien van het aanhangig maken van een procedure. Het Hof neemt tevens in aanmerking dat [appellante] haar stelling dat zij pas in 2013 kennis heeft gekregen van de feiten waarop zij het beroep op dwaling c.q. bedrog grondt, onvoldoende heeft onderbouwd. Uit de verklaring van J.M. Croes (productie 5 bij contra-akte van uitlating [appellante]) kan dit niet worden afgeleid. Hetzelfde geldt ten aanzien van de brief van [appellante] van 1 maart 2013 aan haar toenmalige advocaat.

2.10

Voor zover [appellante] aan haar vordering tot vernietiging van de aandelenoverdracht ten grondslag heeft gelegd dat deze onder invloed van bedreiging tot stand is gekomen, geldt dat [appellante] de stelling van [geïntimeerde] dat de gestelde invloed daarvan uiterlijk op het moment van overlijden van de erflater in 1998 heeft opgehouden te bestaan, niet gemotiveerd heeft bestreden.

2.11

Op grond van het voorgaande heeft het GEA terecht overwogen dat de vordering van [appellante] reeds op 1 januari 2003 is verjaard en dat van een stuitingshandeling voordien niet is gebleken. De grieven I en II falen.

2.12

Met grief III betoogt [geïntimeerde] dat het GEA ten onrechte de stelling van [appellante] dat de akte van overdracht nietig was omdat artikel 55 van het Wetboek van Koophandel (WvK) niet in acht is genomen, niet heeft besproken.

2.13

Deze grief kan [appellante] niet baten. [Geïntimeerde] heeft erkend dat artikel 55 WvK niet in acht is genomen, in die zin dat geen sprake is geweest van een akte van overdracht met vaste dagtekening, zodat het Hof dit tot uitgangspunt neemt. Overdracht door schriftelijke erkenning daarvan heeft dus niet plaatsgevonden. Gesteld noch gebleken is dat overdracht heeft plaatsgevonden op de andere in artikel 55 lid 1 WvK genoemde wijze. [Geïntimeerde] stelt dat hij als gevolg van verjaring eigenaar is geworden van de aandelen, omdat hij sinds 1 juli 1993 bezitter te goeder trouw was van de aandelen en [appellante] geen stuitingshandelingen heeft verricht. [Appellante] heeft de door [geïntimeerde] gestelde feiten en omstandigheden niet gemotiveerd bestreden. Zij heeft enkel aangegeven grote twijfels te hebben omtrent de goede trouw van [geïntimeerde]. Dit is niet voldoende. Het betoog van [geïntimeerde] slaagt.

2.14

De slotsom is dat het hoger beroep faalt en dat het bestreden vonnis zal worden bevestigd. [Appellante] wordt als de in het ongelijk gestelde partij veroordeeld in de proceskosten in hoger beroep.

4. BESLISSING

Het Hof:

- bevestigt het vonnis waarvan beroep,

- veroordeelt [appellante] in de kosten van de procedure aan de zijde van [geïntimeerde] gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op Afl 225,50 aan verschotten en Afl 6.800,- aan gemachtigdensalaris.

Dit vonnis is gewezen door mrs. E.A. Saleh, J. De Boer en T.A.M. Tijhuis, leden van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie, en ter openbare terechtzitting van het Hof in Aruba in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken op
16 augustus 2016.