Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGHACMB:2016:59

Instantie
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Datum uitspraak
24-05-2016
Datum publicatie
03-08-2016
Zaaknummer
AR 1315/13 - ghis 74740 - H 258/15
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Boedelscheiding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Burgerlijke zaken over 2016 Vonnis no.:

Registratienummer: AR 1315/13 - ghis 74740 - H 258/15

Uitspraak: 24 mei 2016

GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE

van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en

van Bonaire, Sint Eustatius en Saba

V O N N I S

in de zaak van:

[appellant],

wonende in Aruba,

oorspronkelijk gedaagde,

thans appellant,

procederende in persoon,

tegen

[geïntimeerde],

wonende in Aruba,

oorspronkelijk eiseres,

thans geïntimeerde,

gemachtigde: mr. N.S. Gravenstijn.

De partijen worden hierna de man en de vrouw genoemd.

1 Het verdere verloop van de procedure

Bij vonnis van 17 november 2015 heeft het Hof de zaak naar de rol verwezen voor akte aan de zijde van de vrouw.

De man heeft een brief d.d. 14 december 2015 ingediend.

De vrouw heeft op 15 december 2015 een akte met producties ingediend, kennelijk abusievelijk getiteld "pleitaantekeningen".

De man heeft op 18 januari 2016 een akte met producties ingediend.

De man heeft een brief d.d. 21 maart 2016 ingediend.

De vrouw heeft op 22 maart 2016 een akte uitlating producties ingediend.

Vonnis is gevraagd en nader bepaald op heden.

2 De verdere beoordeling

2.1

Tussen partijen staat het volgende vast.

2.1.1

Op 14 februari 1974 zijn partijen in algemene gemeenschap van goederen gehuwd.

2.1.2

Bij beschikking van 11 februari 2010 heeft het GEA de echtscheiding tussen partijen uitgesproken. Op 8 maart 2010 is de beschikking ingeschreven in de registers van de Burgerlijke Stand van Aruba.

2.2

In dit geding heeft de vrouw gevorderd dat het GEA de verdeling van de ontbonden huwelijksgoederengemeenschap vaststelt.

Bij het vonnis van beroep van 7 januari 2015 (zoals verbeterd bij herstelvonnis van 7 juli 2015) heeft het GEA, uitvoerbaar bij voorraad, verkort weergegeven:

a. de woning aan de [adres] toebedeeld aan de vrouw;

b. bepaald dat de vrouw wordt belast met de betaling van de hypotheek;

c. bevolen dat de man meewerkt aan de levering van de woning aan de vrouw;

d. bepaald dat het vonnis zo nodig in de plaats treedt van de medewerking van de man;

e. bepaald dat na verkoop van de woning de gerealiseerde overwaarde bij helfte wordt verdeeld;

f. bevolen dat de man een aantal zaken aan de vrouw afgeeft;

g. de man veroordeeld tot betaling van een gebruiksvergoeding van Afl. 1.880,- per jaar vanaf 9 april 2012 tot de dag waarop de man de woning verlaat, met rente; en

h. de man veroordeeld in de proceskosten.

De man heeft hoger beroep ingesteld tegen deze beslissingen.

2.3

De man heeft inmiddels de woning ontruimd, nadat hij daartoe is veroordeeld bij in kort geding gewezen vonnis van het GEA van 3 juni 2015.

2.4

Bij vonnis van 17 november 2015 heeft het Hof onder meer de vraag aan partijen gesteld of het zinvol is dat opnieuw een deskundigenbericht wordt gelast ter bepaling van de waarde van de woning. De vrouw heeft, onder overlegging van een kopie van een koopovereenkomst van 12 december 2015,

gesteld dat de woning inmiddels is verkocht. De man heeft dat niet betwist. Gelet daarop acht het Hof niet zinvol dat een deskundigenbericht wordt gelast.

2.5

Grief I is gericht tegen de beslissing van het GEA de vrouw te belasten met de betaling van de hypotheek. Volgens de man is die beslissing in strijd met de voorwaarden in de hypotheekakte van 25 januari 2009.

2.6

Deze grief miskent dat de toedeling van de hypotheekschuld aan de vrouw slechts betekent dat de vrouw jegens de man verplicht wordt de hypotheeklasten voor haar rekening te nemen (te dragen). De toedeling brengt geen verandering in de verplichtingen van partijen jegens de bank of in de gelding van de voorwaarden van de hypotheekakte. Dit volgt uit art. 3:179 lid 3 jo. art. 6:155 BW. Indien de man jegens de bank verplicht is eraan mee te werken dat een deel van de hypotheekbetalingen wordt ingehouden op zijn AOV-uitkering en pensioenuitkering, dan is de vrouw verplicht de bij de man ingehouden bedragen aan de man te vergoeden. De grief faalt daarom. Voor de goede orde merkt het Hof op dat partijen de bank kunnen benaderen met het verzoek ermee in te stemmen dat op de een of andere manier geregeld wordt dat de vrouw zorgdraagt voor de hypotheekbetalingen zonder dat de pensioenuitkeringen van de man daarbij betrokken worden, voor zover dit na de verkoop van de woning nog van belang is.

2.7

Grief II strekt ten betoge dat de eerste rechter ten onrechte de volgende goederen en schulden niet in de verdeling heeft betrokken:

a. een gemeenschappelijke schuld van Afl. 31.873,77;

b. een Chevrolet Opta; en

c. een boeteschuld van Afl. 17.518,00.

Anders dan de vrouw bij pleitaantekeningen van 13 oktober 2015 heeft aangevoerd, kan dit betoog bij memorie van grieven voor het eerst worden gevoerd, en dient dit betoog beoordeeld te worden.

2.8

Ad a. De gestelde schuld is als volgt opgebouwd:

a1. Brown advocaten Afl. 22.773,77; en

a2. Volkskredietbank Afl. 9.100,00

2.9

Ad a1. De vrouw heeft niet betwist dat deze gemeenschappelijke schuld ten tijde van de ontbinding van de huwelijksgemeenschap bestond, maar wel dat de man deze voor zijn rekening heeft genomen. Volgens haar is deze schuld kwijtgescholden.

Het Hof zal deze schuld niet toedelen aan de man, maar gelijkelijk verdelen over beide partijen, met als gevolg dat de man in verband met deze schuld geen overbedelingsvordering op de vrouw heeft.

Indien de man kan aantonen dat hij na 1 maart 2010 meer dan de helft van

Afl. 22.773,77 ter zake van deze schuld aan Brown Advocaten heeft betaald, dan kan hij het meerdere in beginsel op de vrouw verhalen, maar deze procedure biedt geen ruimte om dat te beoordelen.

2.10

Ad a2. De vrouw heeft niet betwist dat deze schuld ten tijde van de ontbinding van de huwelijksgemeenschap bestond, maar zij heeft aangevoerd dat dit een door de man aangegane geldlening betreft ten behoeve van

The Caribbean University of Aruba, en dat de man met uitsluiting van de vrouw over het geleende bedrag heeft beschikt.

Voor zover dit verweer ten betoge strekt dat deze schuld geen gemeenschappelijke schuld is, faalt het wegens onvoldoende onderbouwing.

Het Hof zal ook deze schuld gelijkelijk verdelen over beide partijen, met als gevolg dat de man in verband met deze schuld geen overbedelingsvordering op de vrouw heeft.

2.11

Ad b. De Chevrolet Opta is van het bouwjaar 2005. Het Hof begrijpt uit de door de man op 29 januari 2014 ingediende producties, getiteld "documentatie 7", die in zoverre niet betwist zijn, dat deze auto ten tijde van het huwelijk is gekocht met financiering van de Aruba Bank. Uit de door de vrouw op

9 oktober 2015 overgelegde productie betreffende de aanschaf van een Suzuki Grand Vitara 5DR is de Chevrolet Opta op 2 mei 2014 of 5 februari 2014 ingeruild voor Afl. 6.000,00.

In de conclusie van antwoord van 11 juni 2013 van de man (getiteld "repliek op het verzoek (...) inzake verdeling" is als stelling van de man te lezen: "[de [vrouw] [heeft] de personenwagen "Chevrolet Opta 2005 verder afbetaald (...)."

Uit dit alles leidt het Hof af dat de vrouw de betalingsverplichtingen aan Aruba Bank ter zake van de financiering van de Chevrolet Opta na de ontbinding van de huwelijksgoederengemeenschap voor haar rekening heeft genomen.

Tegenover hetgeen de man ter zake van de Chevrolet Opta heeft gevorderd (verdeling van de verkoopopbrengst) staat hetgeen ter zake van deze auto aan de vrouw toekomt: verdeling van de ten tijde van de ontbinding van de huwelijksgoederengemeenschap bestaande schuld aan de Aruba Bank. Het Hof zal deze posten aldus verrekenen (mede gelet op de eisen van redelijkheid en billijkheid) dat zij beide tenietgaan.

2.12

Ad c. Bij beslissing van 20 juli 2012 heeft de Sociale Verzekeringsbank een bedrag van Afl. 17.518,00 van de man teruggevorderd als ten onrechte geïnd ouderdomspensioen over de maanden april 2010 tot en met maart 2012, inclusief kerstuitkeringen. In die periode ontving de man nog een gehuwdenpensioen, maar hij had slechts recht op een ongehuwdenpensioen, omdat hij in die periode niet meer gehuwd was. De beslissing van de

Sociale Verzekeringsbank strekt ertoe het om die reden te veel betaalde terug te vorderen. Dit te veel betaalde bedrag valt niet in de huwelijksgoederengemeenschap. Anders dan de man heeft aangevoerd, betreft het door de Sociale Verzekeringsbank teruggevorderde bedrag geen boete wegens beweerdelijk onjuiste mededelingen van de vrouw over de datum waarop zij de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt. Er is dus geen grond voor verhaal van de helft van dit bedrag op de vrouw.

2.13

Grief III is gericht tegen de toekenning van een gebruiksvergoeding (zie rov. 2.2 onder g hiervoor).

Het toekennen van een gebruiksvergoeding als de onderhavige dient ertoe dat indien de ene ex-echtgenoot de in de huwelijksgoederengemeenschap vallende echtelijke woning met uitsluiting van de andere gebruikt, de andere ex-echtgenoot, die aldus verstoken wordt van het gebruik waarop hij of zij uit hoofde van het deelgenootschap recht heeft, schadeloos te stellen. Daarbij dienen de redelijkheid en billijkheid tot maatstaf.

Nu in rechte is vastgesteld dat het huwelijk duurzaam was ontwricht, kan de stelling dat de vrouw zonder goede reden de echtelijke woning heeft verlaten, wat ervan zij, de man niet baten. Het argument dat het vertrek van de vrouw uit de echtelijke woning kosten voor de man heeft meegebracht, kan hem evenmin baten. Het Hof verenigt zich daarom met de toegekende gebruiksvergoeding.

2.14

Grief IV is gericht tegen de toedeling van toldo's (zonnetenten) en een tuinhuisje aan de vrouw. Partijen zijn het erover eens dat de beslissing van het GEA aldus moet worden uitgelegd dat de toldo's en het tuinhuisje aan de vrouw zijn toebedeeld en dat zij als onlosmakelijk verbonden aan de woning moeten worden beschouwd.

Het Hof begrijpt niet welk bezwaar grief IV behelst. Ook voor de vrouw is dat niet voldoende kenbaar gemaakt. De grief faalt daarom.

2.15

De verzoeken die partijen over en weer in hoger beroep hebben gedaan, nadat de memorie van grieven was ingediend, zijn tardief en worden niet in behandeling genomen.

2.16

De grieven I, III en IV falen. Grief II leidt tot een aanvullend dictum. Het vonnis waarvan beroep dient te worden bevestigd. De proceskosten zullen worden gecompenseerd vanwege de aard van de procedure.

B E S L I S S I N G

Het Hof:

bevestigt het vonnis waarvan beroep;

verdeelt de hiervoor in rov. 2.9 en 2.10 bedoelde schulden aldus dat iedere partij de helft daarvan draagt;

compenseert de proceskosten in hoger beroep aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;

wijst af het meer of anders verzochte.

Dit vonnis is gewezen door mrs. G.C.C. Lewin, S. Verheijen en H.J. Fehmers, leden van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao,

Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba en ter openbare terechtzitting van het Hof in Aruba uitgesproken op 24 mei 2016 in tegenwoordigheid van de griffier.