Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGHACMB:2016:55

Instantie
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Datum uitspraak
14-04-2016
Datum publicatie
03-08-2016
Zaaknummer
AR 66354/14 - H 1/16
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Burengeschil. Verwijdering van steigers.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Burgerlijke zaken over 2016 Vonnis no.:

Registratienummer: AR 66354/14 - H 1/16

Uitspraak: 14 april 2016

GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE

van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en

van Bonaire, Sint Eustatius en Saba

V O N N I S

in de zaak van:

de stichting particulier fonds

STICHTING PARTICULIER FONDS BEACH HOUSE,

gevestigd in Curaçao,

oorspronkelijk eiseres,

thans appellante,

gemachtigde: mr. H.W. Braam,

tegen

[geïntimeerde],

wonende in Curaçao,

oorspronkelijk gedaagde,

thans geïntimeerde,

gemachtigden: mrs. O.A. Martina en R.P. Koeijers.

De partijen worden hierna Beach House en [geïntimeerde] genoemd.

1 Het verloop van de procedure

1.1

Bij akte van appel van 7 september 2015 is Beach House in hoger beroep gekomen van het tussen partijen gewezen en op 27 juli 2015 uitgesproken vonnis van het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao (verder: GEA).

1.2

Bij op 19 oktober 2015 ingekomen memorie van grieven heeft

Beach House vijf grieven tegen het vonnis aangevoerd en toegelicht. Haar conclusie strekt ertoe dat het Hof het vonnis zal vernietigen en, uitvoerbaar

bij voorraad, haar vorderingen alsnog zal toewijzen, met veroordeling van

[geïntimeerde] in de proceskosten in beide instanties.

1.3

Bij memorie van antwoord, met producties, heeft [geïntimeerde] de grieven bestreden. Zijn conclusie strekt ertoe dat het Hof het bestreden vonnis zal bevestigen, kosten rechtens.

1.4

Op de daarvoor nader bepaalde dag hebben partijen pleitnotities overgelegd. Beach House heeft vooraf producties toegezonden.

Vonnis is gevraagd en bepaald op heden.

2 De beoordeling

2.1

Tussen partijen staat het volgende vast.

2.1.1

Beach House heeft bij akte van levering van 28 februari 2013 de eigendom verkregen van een perceel grond gelegen in het Tweede District

van Curaçao, deel uitmakende van de gronden van plantage

"Nooit Gedacht alias Brakkeput Ariba" ter grootte van 489 m2, nader omschreven in meetbrief 257/1999, met daarop het gebouwde, plaatselijk bekend als Brakkeput Ariba, [Adrs].

2.1.2 [

geïntimeerde] is eigenaar van het aan de noordwestkant aangrenzende perceel, meetbrief 258/1999 en 259/1999, plaatselijk bekend als Brakkeput Aruba, kavel nummer 19. Vanaf dat perceel loopt een steiger het Spaanse Water in.

[geïntimeerde] is ook eigenaar van het perceel met meetbrief 235/1999, plaatselijk bekend als Brakkeput Ariba, kavel nummer 16, dat een doorgang heeft naar het

Spaanse Water, die aan de zuidwestkant grenst aan het terrein van

Beach House. Ook vanaf die doorgang loopt een steiger het Spaanse Water in. Beide steigers lopen taps naar elkaar toe ten koste van het uitzicht vanaf het tussengelegen perceel van Beach House.

2.2

In dit geding heeft Beach House onder meer gevorderd dat [geïntimeerde] wordt veroordeeld om beide steigers zodanig te verwijderen dat zij niet meer in het verlengde liggen van het perceel van Beach House en het uitzicht en genot vanuit de woning van Beach House niet langer verstoren. Deze vordering heeft het GEA afgewezen op de grond dat het recht om dit te vorderen is verjaard.

Hiertegen zijn de grieven 1 en 2 gericht.

2.3

Ook in hoger beroep heeft Beach House tegenover het overgelegde verkavelingsplan en de overgelegde foto's onvoldoende gemotiveerd betwist dat de steigers er al stonden toen de in 1973 en 1976 geboren dochters van

[geïntimeerde] nog kinderen/jonge meisjes waren.

Het GEA heeft een descente gehouden en overwogen dat bij de descente sprake is geweest van een verbreding van de zuidoostelijke steiger. Het GEA heeft geoordeeld dat het op de weg van Beach House had gelegen om onder meer duidelijk te maken om hoeveel centimeter verbreding het zou gaan.

Beach House is noch in eerste aanleg, noch in hoger beroep daarop ingegaan. De opmerking bij memorie van grieven dat dit duidelijk door de rechter is waargenomen, vindt geen steun in de stukken. De opmerking in de pleitnota in hoger beroep dat het hout waarmee de pier is verbreed er heel anders ("nieuwer") uitziet dan de rest van de pier, houdt niets in over de omvang van de verbreding. Aldus heeft Beach House onvoldoende gesteld om te kunnen aannemen dat de gestelde verbreding een wezenlijk toename van de ernst van de hinder heeft veroorzaakt en aldus een nieuwe verjaringstermijn heeft doen ingaan. De grieven worden daarom verworpen.

2.4

Verder heeft Beach House gevorderd dat de muur aan de zuidoostelijke kant van haar perceel wordt verwijderd, althans voor zover die op haar perceel is gebouwd. Het GEA heeft ook deze vordering afgewezen. Daartegen is grief 4 gericht.

2.5

Anders dan Beach House bij grief 4 betoogt, heeft zij niet aangetoond dat de muur deels op haar perceel staat. Zoals het GEA heeft geoordeeld, op basis van niet alleen de producties 2 en 6 van Beach House, maar ook de overgelegde foto's en de waarneming van het GEA bij de descente, is weliswaar de laatste pilaar over de grenslijn geplaatst, maar ligt dit stukje in het water en staat het niet op het terrein van Beach House. Daarom mist ook deze grief doel.

2.6

Op grond van het voorgaande verenigt het Hof zich met de afwijzing van beide vorderingen. De grieven 3 en 5 richten zich niet tegen dragende overwegingen van het GEA en kunnen daarom onbesproken blijven.

Voor zover Beach House nieuwe stellingen heeft aangevoerd in de pleitnota in hoger beroep, is dat tardief, zodat die stellingen ook onbesproken kunnen blijven. Het vonnis waarvan beroep dient te worden bevestigd. Beach House zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van het hoger beroep.

B E S L I S S I N G

Het Hof:

bevestigt het vonnis waarvan beroep;

veroordeelt Beach House in de kosten van het hoger beroep, aan de zijde van [geïntimeerde] gevallen en tot op heden begroot op NAf 282,09 aan verschotten en NAf 5.100,00 aan salaris voor de gemachtigde.

Dit vonnis is gewezen door mrs. G.C.C. Lewin, T.A.M. Tijhuis en D. Radder, leden van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao,

Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba en ter openbare terechtzitting van het Hof in Curaçao uitgesproken op 14 april 2016 in tegenwoordigheid van de griffier.