Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGHACMB:2016:43

Instantie
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Datum uitspraak
17-06-2016
Datum publicatie
24-06-2016
Zaaknummer
HLAR 74441//15
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing verzoek om verlening vergunning tot tijdelijk verblijf. More than emotional ties niet gesteld en aannemelijk gemaakt. Gelijkheidsbeginsel. Geen sprake van gelijke of gelijk te stellen gevallen die niettemin verschillend zijn behandeld. De minister heeft onweersproken gesteld dat hij bij de vergunningverlening in de door appellant genoemde gevallen met name de duur van het rechtmatig verblijf van deze personen, te weten gedurende een periode van negen, onderscheidenlijk tien jaar, in aanmerking heeft genomen. Niet in geschil is dat appellant gedurende slechts drie jaar zodanig verblijf in Sint Maarten heeft gehad.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

HLAR 74441/15

Datum uitspraak: 17 juni 2016

gemeenschappelijk hof van jusTitie

van aruba, CURAÇAO, SINT MAARTEN

EN VAN BONAIRE, SINT EUSTATIUS EN SABA

Uitspraak op het hoger beroep van:

[Appellant], appellant,

tegen de uitspraak van het Gerecht in eerste aanleg van Sint Maarten van 20 april 2015 in zaak nr. LAR 187 van 2014 in het geding tussen:

appellant

en

de minister van Justitie (hierna: de minister).

Procesverloop

Bij beschikking van 14 februari 2014 heeft de minister een door appellant op 30 september 2013 ingediende aanvraag tot verlening van een vergunning tot tijdelijk verblijf afgewezen.

Bij beschikking van 20 november 2014 heeft de minister het door appellant daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 20 april 2015 heeft het Gerecht het door appellant daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak heeft appellant hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

Het Hof heeft de zaak ter zitting behandeld op 14 maart 2016, waar appellant, vertegenwoordigd door mr. S.R. Bommel, advocaat, en de minister, vertegenwoordigd door mr. A.O. Muller, ook advocaat, zijn verschenen.

Na sluiting van het onderzoek ter zitting heeft het Hof het onderzoek heropend voor het inwinnen van nadere inlichtingen. Met toestemming van partijen is een nadere behandeling van de zaak ter zitting achterwege gelaten.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 6, eerste lid, van de Landsverordening Toelating en Uitzetting (hierna: de LTU) wordt, behalve de in de artikelen 1 en 3 vermelde personen, niemand in Sint Maarten toegelaten zonder vergunning tot tijdelijk verblijf of tot verblijf.

Ingevolge artikel 9, eerste lid, onder a, kan de vergunning tot tijdelijk verblijf of tot verblijf door of namens de minister worden geweigerd met het oog op de openbare orde of het algemeen belang, waaronder economische redenen mede worden begrepen.

Ingevolge artikel 8, eerste lid, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) heeft een ieder recht op respect voor zijn familie- en gezinsleven.

Ingevolge het tweede lid is geen inmenging van enig openbaar gezag in de uitoefening van dit recht toegestaan, dan voor zover bij de wet is voorzien en in een democratische samenleving noodzakelijk is in het belang van de nationale veiligheid, de openbare veiligheid of het economisch welzijn van het land, het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden, of voor de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen.

2. Aan de afwijzing van de aanvraag, door de minister aangemerkt als voor voortgezet verblijf, heeft deze ten grondslag gelegd dat appellant bij vonnis van het Gerecht van 10 maart 2009 is veroordeeld ter zake van diefstal met geweld en/of bedreiging met geweld en bij vonnis van het Gerecht van 30 juni 2010 ter zaken van poging tot doodslag, meermalen gepleegd en medeplegen diefstal, voorgegaan van geweld en bedreiging met geweld, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en medeplegen afpersing.

3. Appellant betoogt dat het Gerecht heeft miskend dat de beschikking van 20 november 2014 in strijd is met het zorgvuldigheidsbeginsel, daar de minister er geen rekening mee heeft gehouden dat hij in Sint Maarten is geboren en er zijn hele leven heeft gewoond, hij van 30 december 2012 tot 30 december 2013 en van 8 september 2005 tot 8 september 2007 rechtmatig in Sint Maarten heeft verbleven en hij erkend is door zijn Nederlandse vader.

3.1

Het Gerecht heeft terecht overwogen dat de minister de door appellant gestelde feiten voldoende heeft betrokken bij het geven van de beschikking op bezwaar. Uit die beschikking valt af te leiden dat de minister die feiten in aanmerking heeft genomen. Het betoog faalt.

4. Appellant betoogt voorts dat – samengevat – het Gerecht heeft miskend dat de afwijzing een onrechtmatige inmenging in het privé-, gezins- en familieleven oplevert, nu hij zijn grootmoeder niet in Sint Maarten kan achterlaten, aangezien zij door hem wordt verzorgd en hij zeer afhankelijk is van zijn familie in Sint Maarten, te weten een oom en een neef.

4.1

Ook dat betoog faalt. Niet in geschil is dat appellant ten tijde van belang meerderjarig was, hij door zijn grootmoeder is opgevoed en geen gezin hier te lande heeft. Volgens vaste rechtspraak van het EHRM (onder meer: Onur tegen het VK van 17 februari 2009, JV 2009/14) zal tussen ouders en meerderjarige kinderen sprake moeten zijn van ‘more than the normal emotional ties’ (meer dan de gebruikelijke emotionele banden), alvorens bescherming op grond van artikel 8 van het EVRM kan worden ingeroepen. Dat kan worden aangenomen, indien de band zo bijzonder is, dat van een, de normale emotionele banden overstijgende, bijzondere afhankelijkheid sprake is.

Appellant heeft dat niet gesteld en aannemelijk gemaakt. Voorts wordt mede in aanmerking genomen dat hij ten tijde van de beschikking van 20 november 2014 reeds enige tijd in detentie verbleef en aldus gedurende die periode geen zorg aan zijn grootmoeder heeft geboden. Appellant heeft evenmin aannemelijk gemaakt dat hij financieel of anderszins van zijn grootmoeder of van andere familieleden in Sint Maarten afhankelijk is, nog daargelaten welke betekenis dat zou hebben als hij dat wel had gedaan.

5. Appellant betoogt voorts dat het Gerecht heeft miskend dat de beschikking van 20 november 2015 in strijd is met het gelijkheidsbeginsel, nu de minister aan […] en […], beiden evenals hij meerderjarig en gedetineerd geweest, wel een vergunning tot tijdelijk verblijf heeft verleend, zonder dat sprake was van “more than emotional ties.”

5.1.

Niet in geschil is dat de twee voornoemde personen evenals appellant in Sint Maarten gedetineerd zijn of zijn geweest en dat aan […] bij onderscheiden beschikkingen van 23 mei 2013 en van 5 juni 2015 vergunning tot tijdelijk verblijf op humanitaire gronden is verleend en aan […] bij beschikking van 5 februari 2015. De minister heeft echter onweersproken gesteld dat hij daarbij met name de duur van het rechtmatig verblijf van deze personen, te weten gedurende een periode van negen, onderscheidenlijk tien jaar, in aanmerking heeft genomen. Niet in geschil is dat appellant gedurende slechts drie jaar zodanig verblijf in Sint Maarten heeft gehad. Van gelijke of gelijk te stellen gevallen die niettemin verschillend zijn behandeld, is derhalve geen sprake. Het betoog faalt.

6. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

Het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. E.J. van der Poel, voorzitter, en mr. R.W.L. Loeb en mr. A.W.M. Bijloos, leden, in tegenwoordigheid van mr. B. Jussen, griffier.

w.g. Van der Poel

voorzitter

w.g. Jussen

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 17 juni 2016

Verzonden:

Voor eensluidend afschrift,
de griffier,
voor deze,