Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGHACMB:2016:36

Instantie
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Datum uitspraak
03-06-2016
Datum publicatie
21-06-2016
Zaaknummer
HLAR 74440/15
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing verzoek om verlening van een vergunning tot tijdelijk verblijf voor gezinsvorming, verblijf bij moeder.

Geen zodanig bijzondere omstandigheden gesteld en aannemelijk gemaakt dat de minister niet in redelijkheid onverkort aan het gevoerde beleid vast heeft kunnen houden. Geen strijd met artikel 8 EVRM.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

HLAR 74440/15

Datum uitspraak: 3 juni 2016

GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE

VAN ARUBA, CURAÇAO, SINT MAARTEN

EN VAN BONAIRE, SINT EUSTATIUS EN SABA

Uitspraak op het hoger beroep van:

[Appellante], ten tijde van het instellen van dit hoger beroep in haar hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordiger van de op dat moment minderjarige [vreemdeling], appellante,

tegen de uitspraak van het Gerecht in eerste aanleg van Sint Maarten van 30 maart 2015 in zaak nr. LAR 114 van 2014 in het geding tussen:

appellante

en

de minister van Justitie (hierna: de minister).

Procesverloop

Bij beschikking van 9 september 2013 heeft de minister een aanvraag van [de vreemdeling] (hierna: de vreemdeling) om hem een vergunning tot tijdelijk verblijf voor gezinsvorming, verblijf bij moeder, te verlenen afgewezen.

Bij beschikking van 9 juni 2014 heeft de minister het door appellante daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 30 maart 2015 heeft het Gerecht het door appellante daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak heeft appellante hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

Appellante heeft nadere stukken ingediend.

Het Hof heeft de zaak ter zitting behandeld op 14 maart 2016, waar appellante, bijgestaan door mr. B.B. Brooks, advocaat, en de minister, vertegenwoordigd door mr. A.O. Muller, advocaat, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 6, eerste lid, van de Landsverordening Toelating en Uitzetting (hierna: de LTU) wordt, behalve de in de artikelen 1 en 3 vermelde personen, niemand in Sint Maarten toegelaten zonder vergunning tot tijdelijk verblijf of tot verblijf.

Ingevolge artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, kan de vergunning tot tijdelijk verblijf of tot verblijf door of namens de minister worden geweigerd met het oog op de openbare orde of het algemeen belang, waaronder economische redenen mede worden begrepen.

Artikel 8, eerste lid, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) bepaalt dat een ieder recht heeft op respect voor zijn familie- en gezinsleven.

Ingevolge het tweede lid is geen inmenging van enig openbaar gezag in de uitoefening van dit recht toegestaan, dan voor zover bij de wet is voorzien en in een democratische samenleving noodzakelijk is in het belang van de nationale veiligheid, de openbare veiligheid of het economisch welzijn van het land, het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden, of voor de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen.

Volgens paragraaf 3.1.1. van de Richtlijnen van de minister van Justitie van Sint Maarten met betrekking tot de toepassing van de LTU en het Toelatingsbesluit van mei 2012 (hierna: de Richtlijnen) dienen aanvragen voor eerste toelating tot Sint Maarten in principe in het buitenland te worden afgewacht. In het geval de vreemdeling reeds illegaal in het land verblijft, kan zijn aanvraag worden afgewezen op grond van artikel 9 van de LTU, tenzij er goede gronden door de aanvrager worden aangevoerd, aldus die passage.

2. Aan de afwijzing heeft de minister ten grondslag gelegd dat de vreemdeling niet aan het zogenoemde uitlandigheidsvereiste, gesteld in paragraaf 3.1.1. van de Richtlijnen, voldoet.

3. Appellante betoogt dat het Gerecht heeft miskend dat de vreemdeling aan alle vereisten voor verlening van een vergunning tot tijdelijk verblijf voldoet en de minister ten onrechte artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a van de Ltu aan de afwijzing ten grondslag heeft gelegd, nu het uitlandigheidsvereiste slechts van procedurele aard is.

3.1.

Niet in geschil is dat de vreemdeling sedert augustus 2012 zonder over een geldige verblijfstitel te beschikken in Sint Maarten verblijft en op 11 juli 2013, tijdens dat verblijf, om verlening van een vergunning tot tijdelijk verblijf voor verblijf bij appellante, zijn moeder, heeft verzocht. Aldus voldeed hij niet aan het uitlandigheidsvereiste.

Het Gerecht heeft met juistheid overwogen dat de vreemdeling geen zodanig bijzondere omstandigheden heeft gesteld en aannemelijk gemaakt, dat geoordeeld moet worden dat de minister niet in redelijkheid onverkort aan het ter zake gevoerde beleid vast heeft kunnen houden.

Het betoog faalt.

4.

Appellante betoogt voorts dat het Gerecht heeft miskend dat de afwijzing in strijd is met het recht op familie- of gezinsleven, bedoeld in artikel 8 van het EVRM.

4.1

Nu de afwijzing er niet toe strekt de vreemdeling een verblijfstitel te ontnemen die hem tot gezinsleven met zijn moeder hier te lande in staat stelde, heeft het Gerecht deze met juistheid geen inmenging, als bedoeld in artikel 8, tweede lid, van het EVRM, geacht. De bepaling houdt voorts geen algemene verplichting in voor een staat de keuze van domicilie van de leden van een gezin steeds te eerbiedigen. Wel kunnen zich zodanige feiten en omstandigheden voordoen, dat uit het recht op eerbiediging van het familie- of gezinsleven een positieve verplichting voortvloeit om een vreemdeling toe te laten, hoewel deze daar volgens het gevoerde beleid niet voor in aanmerking komt. Volgens de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (onder meer arrest van 18 maart 2003, JV 2003/203) dient bij de beoordeling van de vraag of artikel 8 van het EVRM in een bepaald geval een zodanige positieve verplichting met zich brengt een “fair balance” te worden gevonden tussen de belangen van het betrokken individu enerzijds en het algemeen belang anderzijds. Bij deze afweging komt aan de overheid beoordelingsruimte toe. De vreemdeling, geboren op 17 januari 1998, heeft sinds het vertrek van appellante naar Sint Maarten in 2007 bij zijn grootmoeder in Grenada verbleven. Niet in geschil is dat hij in augustus 2012 Sint Maarten is ingereisd, bij de luchthaven geen uitreisdatum bekend is en hij op 11 juli 2013 voor het eerst een aanvraag om toelating heeft ingediend. Aldus verbleef de vreemdeling gedurende de wederopneming en intensivering van het gezinsleven met appellante niet rechtmatig hier te lande.

4.2

Dat van appellante, als gesteld, niet kan worden gevergd dat zij de samenleving met haar echtgenoot en haar derde kind, dat in Sint Maarten is geboren, beëindigt, om zich bij de vreemdeling, die intussen 18 jaar oud is, in Grenada te vestigen, staat er niet aan in de weg dat de vreemdeling het gezinsleven met appellante desgewenst voortzet vanuit Grenada, zoals hij heeft gedaan sinds haar vertrek uit dat land. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat hij niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij afhankelijk is van de verzorging door zijn moeder. De vreemdeling heeft voorts geen bijzondere redenen aangevoerd, waarom hij juist nu in Sint Maarten moet verblijven. De enkele wens van appellante om het gezin te herenigen, dan wel een betere toekomst aan haar kinderen te bieden, is geen bijzondere omstandigheid in deze zin.

4.3

Gelet op het vorenoverwogene, heeft het Gerecht met juistheid in het geheel van de voor de te verrichten belangenafweging van betekenis zijnde feiten en omstandigheden geen grond gevonden voor het oordeel dat de minister het algemeen belang bij het voeren van een restrictief toelatingsbeleid ten onrechte zwaarder heeft laten wegen dan dat van de vreemdeling bij verblijf hier te lande. Het betoog faalt.

5.

Appellante betoogt tenslotte dat de weigering tot verlening van een vergunning tot tijdelijk verblijf in strijd is met de artikelen 3, 5 en 10 van het Verdrag inzake de Rechten van het Kind (IVRK). Appellante meent dat het belang van de vreemdeling boven ieder ander belang dient te prevaleren en in ieder geval boven het toelatingsbeleid van de minister.

5.1

Dit heeft appellante voor het eerst in hoger beroep aangevoerd. Het hoger beroep is gericht tegen de aangevallen uitspraak en appellante heeft geen feiten of omstandigheden gesteld, op grond waarvan moet worden geoordeeld dat het voor haar redelijkerwijs niet mogelijk was eerder dan bij haar hoger beroepschrift deze grond aan te voeren. Reeds om deze reden kan dit betoog evenmin leiden tot het ermee beoogde doel. Het faalt.

6.

Het hoger beroep is ongegrond.

7.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

Het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. E.J. van der Poel, voorzitter, en mr. R.W.L. Loeb en mr. A.W.M. Bijloos, leden, in tegenwoordigheid van mr. B. Jussen, griffier.

w.g. Van der Poel
voorzitter

w.g. Jussen
griffier

Uitgesproken in het openbaar op 3 juni 2016

Verzonden:

Voor eensluidend afschrift,
de griffier,
voor deze,