Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGHACMB:2016:35

Instantie
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Datum uitspraak
03-06-2016
Datum publicatie
21-06-2016
Zaaknummer
HLAR 74437/15
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering een vergunning tot tijdelijk verblijf te verlenen.

1) Discriminatieverbod van artikel 18 VWEU geldt “binnen de werkingssfeer van de verdragen”, zijnde het VEU en het VWEU. Volgens vaste rechtspraak van het HvJEU heeft het bestaan van het LGO-besluit niet tot gevolg dat de algemene bepalingen van het EG-verdrag (thans het VWEU), zijnde die welke niet tot het vierde deel behoren, zonder uitdrukkelijke verwijzing in de LGO van toepassing zijn.

2) In het LGO-besluit is geen bepaling vervat, strekkende tot een discriminatieverbod met betrekking tot het verblijf van natuurlijke personen als particulier. Vestiging als bedoeld in artikel 51 van het LGO-besluit is een economische activiteit en is zonder deze activiteit niet van toepassing op het verblijf van natuurlijke personen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

HLAR 74437/15

Datum uitspraak: 3 juni 2016

GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE

VAN ARUBA, CURAÇAO, SINT MAARTEN

EN VAN BONAIRE, SINT EUSTATIUS EN SABA

Uitspraak op het hoger beroep van:

[Appellant], wonend in Sint Maarten,

appellant,

tegen de uitspraak van het Gerecht in eerste aanleg van Sint Maarten van 30 maart 2015 in zaak nr. Lar 119/2014 in het geding tussen:

appellant

en

de minister van Justitie.

Procesverloop

Bij beschikking van 25 maart 2014 heeft de minister geweigerd appellant een vergunning tot tijdelijk verblijf te verlenen.

Bij uitspraak van 30 maart 2015 heeft het Gerecht het door appellant daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak heeft appellant hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

Appellant heeft nadere stukken ingediend.

Het Hof heeft de zaak ter zitting behandeld op 14 maart 2016, waar appellant, vertegenwoordigd door mr. W.J. Nelissen, advocaat, en de minister, vertegenwoordigd door mr. A.A. Kraaijeveld, ook advocaat, zijn verschenen.

Overwegingen

  1. Ingevolge artikel 2 van het Verdrag betreffende de Europese Unie (hierna: het VEU) zijn de waarden, waarop de Unie berust, eerbied voor de menselijke waardigheid, vrijheid, democratie, gelijkheid, de rechtsstaat en eerbiediging van de mensenrechten, waaronder de rechten van personen die tot minderheden behoren. Deze waarden hebben de lidstaten gemeen in een samenleving die gekenmerkt wordt door pluralisme, non-discriminatie, verdraagzaamheid, rechtvaardigheid, solidariteit en gelijkheid van vrouwen en mannen, aldus deze bepaling.
    Ingevolge artikel 52, eerste lid, zijn het VEU en het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (hierna: het VWEU) op het Koninkrijk der Nederlanden en de Franse Republiek van toepassing.
    Ingevolge het tweede lid wordt het territoriale toepassingsgebied van de Verdragen omschreven in artikel 355 van het VWEU.
    Ingevolge artikel 18 van het VWEU is binnen de werkingssfeer van de Verdragen en onverminderd de bijzondere bepalingen, daarin gesteld, elke discriminatie op grond van nationaliteit verboden.
    Ingevolge artikel 198 komen de lidstaten overeen de in bijlage II vermelde niet-Europese landen en gebieden die bijzondere betrekkingen onderhouden met Denemarken, Frankrijk, Nederland en het Verenigd Koninkrijk, te associëren met de Unie. Het doel van de associatie is het bevorderen van de economische en sociale ontwikkeling der landen en gebieden en de totstandbrenging van nauwe economische betrekkingen tussen hen en de Unie in haar geheel. Overeenkomstig de in de preambule neergelegde beginselen moet de associatie in de eerste plaats de mogelijkheid scheppen de belangen en de voorspoed van de inwoners van die landen en gebieden te bevorderen, teneinde hen te brengen tot de economische, sociale en culturele ontwikkeling die zij verwachten, aldus die bepaling.
    Ingevolge artikel 199, aanhef en onder 5 wordt in de betrekkingen tussen de lidstaten en de landen en gebieden het recht van vestiging van de onderdanen en rechtspersonen op voet van non-discriminatie geregeld overeenkomstig de bepalingen en met toepassing van de procedures, bepaald in het hoofdstuk betreffende het recht van vestiging, behoudens de krachtens artikel 203 vastgestelde bijzondere bepalingen.
    Ingevolge artikel 203 stelt de Raad op basis van de in het kader van de associatie van de landen en gebieden met de Unie bereikte resultaten en van de in de Verdragen neergelegde beginselen met eenparigheid van stemmen op voorstel van de Commissie de bepalingen vast betreffende de wijze van toepassing en de procedure van de associatie van de landen en gebieden met de Unie anderzijds. Wanneer de bepalingen door de Raad volgens een bijzondere wetgevingsprocedure worden vastgesteld, besluit hij met eenparigheid van stemmen op voorstel van de Commissie en na raadpleging van het Europees Parlement.
    Ingevolge artikel 355, aanhef en onder 2 vormen de landen en gebieden overzee, waarvan de lijst als bijlage II is gehecht, het onderwerp van de bijzondere associatieregeling, omschreven in het vierde deel. Sint Maarten is in bijlage II vermeld.
    Krachtens artikel 203 VWEU is het Besluit 2013/755/EU van de Raad van 25 november 2013 betreffende de associatie van de landen en gebieden overzee met de Europese Unie (PB L 314 van 30.11.2001; hierna: het LGO-besluit) vastgesteld.
    Ingevolge artikel 51, eerste lid, aanhef en onder b, van dit Besluit kent een LGO ten aanzien van alle maatregelen die van invloed zijn op de handel in diensten en de vestiging in verband met economische activiteiten aan natuurlijke personen en rechtspersonen van de Unie een behandeling toe die niet minder gunstig is dan de meest gunstige behandeling die van toepassing is op soortgelijke natuurlijke personen van belangrijke handelsmachten waarmee het na 1 januari 2014 een overeenkomst inzake economische integratie sluit.
    Ingevolge artikel 3, eerste lid, aanhef, en onder f, van de Landsverordening toelating en uitzetting (hierna: de Ltu) hebben van rechtswege toelating tot verblijf in Sint Maarten de meerderjarige Nederlanders, niet vermeld in artikel 1, die ten genoege van de Minister van Justitie, aantonen dat zij beschikken over:
    1o een verklaring van goed gedrag gedurende de laatste vijf jaar, afgegeven door het bevoegde gezag binnen twee maanden voor hun aankomst in Sint Maarten of een schriftelijke verklaring, waaruit genoegzaam van hun gedrag blijkt;
    2o huisvesting en voldoende middelen van bestaan om in hun levensonderhoud te voorzien overeenkomstig bij landsbesluit, houdende algemene maatregelen, nader te stellen regels.

  2. De minister heeft in het verweerschrift betoogd dat het Gerecht ten onrechte heeft geoordeeld dat appellant heeft verzocht om te verklaren dat hij van rechtswege toelating in Sint Maarten heeft. Volgens de minister heeft appellant verzocht om verlening van een vergunning tot tijdelijk verblijf met als doel het verrichten van arbeid in loondienst. Aangezien de minister tegen de uitspraak van het Gerecht echter geen hoger heeft ingesteld en nu het geen ambtshalve te beoordelen aspect van de zaak betreft, kan dat betoog niet leiden tot het ermee beoogde doel.

  3. Appellant betoogt dat het Gerecht heeft miskend dat, gelet op het non-discriminatiebeginsel, vervat in het Europees recht, de minister ten onrechte heeft geweigerd te verklaren dat hij van rechtswege toelating in Sint Maarten heeft. Nu Nederlanders uit het Europese deel van het Koninkrijk der Nederlanden, indien zij aan bepaalde vereisten voldoen, ingevolge de Ltu van rechtswege toelating hebben in Sint Maarten, dient appellant, als burger van de Europese Unie, nu hij aan die vereisten voldoet, evenzeer van rechtswege te worden toegelaten, aldus appellant.

3.1

Het door appellant aldus ingeroepen discriminatieverbod van artikel 18 van het VWEU geldt volgens die bepaling “binnen de werkingssfeer van de verdragen”, zijnde het VEU en het VWEU. Volgens vaste rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: het HvJEU) heeft het bestaan van het LGO-besluit niet tot gevolg dat de algemene bepalingen van het EG-verdrag (thans het VWEU), zijnde die welke niet tot het vierde deel behoren, zonder uitdrukkelijke verwijzing in de LGO van toepassing zijn (X BV en TBG Limited, C-24/12 en C-27/12, ECLI:EU:C:2014:15, punt 45; zie ook de arresten Leplat, C‑260/90, ECLI:EU:C:1992:66, punt 10; Eman en Sevinger, C‑300/04, EU:C:2006:545, punt 46, en Prunus en Polonium, C-384/09, ECLI:EU:C:2011:276, punt 29 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Dit is tevens neergelegd in paragraaf 4 van de preambule van het LGO-besluit, waarin is vermeld: “Het VWEU en de afgeleide wetgeving zijn niet automatisch van toepassing op de LGO, met uitzondering van een aantal uitdrukkelijk als zodanig aangegeven bepalingen. De LGO zijn geen derde landen, maar maken ook geen deel uit van de eengemaakte markt; zij dienen op handelsgebied te voldoen aan de verplichtingen die ten aanzien van derde landen zijn vastgesteld, met name wat betreft oorsprongsregels, sanitaire en fytosanitaire normen en vrijwaringsmaatregelen.”

3.2

Voorts is in het LGO-besluit geen bepaling vervat, strekkende tot een discriminatieverbod met betrekking tot het verblijf van natuurlijke personen als particulier. Het beoogde verblijf van appellant in Sint Maarten heeft volgens hem niet tot doel om zich daar als zelfstandige te vestigen, dan wel aldaar een onderneming op te richten en te beheren. Zijn verzoek betreft derhalve geen toelating in verband met vestiging, als bedoeld in artikel 51 van het LGO-besluit, zodat het daarin geregelde door de minister terecht niet op zijn aanvraag is toegepast. Vestiging in de zin van deze bepaling is een economische activiteit, en is, anders dan appellant betoogt, niet zonder deze activiteit van toepassing op het verblijf van natuurlijke personen (vergelijk het arrest van het HvJEU Kaefer en Procacci, C‑100/89 en C‑101/89, ECLI:EU:C:1990:456, punt 14; zie ook de uitspraak van het Hof van 15 december 2014 in zaak nr. HLAR 69936/14, ECLI:NL:OGHACMB:2014:89). Voor zover appellant in dit verband verwijst naar meer recente rechtspraak van het HvJEU, onder meer Zambrano, C‑34/09, ECLI:EU:C:2011:124, geeft dat geen grond voor een ander oordeel, reeds omdat het in die zaken burgerschap binnen de Europese Unie betreft, en niet in de LGO.
Gelet hierop, kan de verwijzing van appellant naar artikel 199, vijfde lid, van het VWEU, hem evenmin baten. Het recht van vestiging, als bedoeld in die bepaling en zoals nader omschreven in artikel 49 van het VWEU, ziet eveneens op de vestiging van ondernemers en zelfstandigen en, zoals hiervoor overwogen, appellant heeft niet om toelating voor het verrichten van werkzaamheden als zelfstandige, dan wel voor het oprichten en beheren van een onderneming, verzocht.

3.3

Gelet op het vorenoverwogene, heeft het Gerecht reeds om deze reden in het in beroep aangevoerde terecht geen grond gevonden voor het oordeel dat de minister in strijd met het Europese Unierecht heeft gehandeld door te weigeren te verklaren dat appellant van rechtswege toelating in Sint Maarten heeft. Het betoog faalt reeds om deze reden.

4. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

Het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. E.J. van der Poel, voorzitter, en mr. R.W.L. Loeb en mr. A.W.M. Bijloos, leden, in tegenwoordigheid van mr. B. Jussen, griffier.

w.g. Van der Poel

voorzitter

w.g. Jussen

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 3 juni 2016

Verzonden:

Voor eensluidend afschrift,
de griffier,
voor deze,