Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGHACMB:2016:34

Instantie
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Datum uitspraak
03-06-2016
Datum publicatie
21-06-2016
Zaaknummer
HLAR 73758/15
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verlening vergunning voor de op- en overslag van minerale olieproducten en een raffinaderij op Sint Eustatius.

Gemachtigden geen woonplaats in de BES. Redelijke wetstoepassing brengt met zich dat gemachtigde in de zin van artikel 36 van de War BES niet beperkt is tot advocaten als bedoeld in artikel 52, eerste lid van de Advocatenwet BES. Goede procesorde. Best beschikbare technieken (BBT) en plaatselijke (milieu)omstandigheden. BBT en kosteneffectiviteit. Verwijzing naar beroepsgronden tevergeefs.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
OGR-Updates.nl 2016-0131
Milieurecht Totaal 2016/6447
Milieurecht Totaal 2016/6524
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

HLAR 73758/15

Datum uitspraak: 3 juni 2016

GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE

VAN ARUBA, CURAÇAO, SINT MAARTEN

EN VAN BONAIRE, SINT EUSTATIUS EN SABA

Uitspraak op het hoger beroep van:

de naamloze vennootschap NuStar N.V., gevestigd te Sint Eustatius,

appellante,

tegen de uitspraak van het Gerecht in eerste aanleg van Sint Maarten van 17 februari 2015 in zaak nr. War 2013-25 in het geding tussen:

appellante

en

het bestuurscollege van het openbaar lichaam Sint Eustatius.

Procesverloop

Bij beschikking van 24 mei 2013 heeft het bestuurscollege NuStar vergunning verleend voor de op- en overslag van minerale olieproducten met een gezamenlijke opslagcapaciteit van ruim 2.200.000 m³, inclusief de nieuwe tankput (70 serie) van ongeveer 160.000 m³, en een raffinaderij met een capaciteit van 30.000 vaten per dag voor drie maanden per jaar.

Bij uitspraak van 17 februari 2015, voor zover thans van belang, heeft het Gerecht het door NuStar daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Daartegen heeft NuStar hoger beroep ingesteld.

De minister van Infrastructuur en Milieu heeft als rechtsopvolger van het bestuurscollege een verweerschrift ingediend.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening (hierna: de StAB) heeft op 28 januari 2016 desverzocht aan het Hof een deskundigenbericht uitgebracht. NuStar en de minister hebben hun zienswijzen daarop naar voren gebracht. Op 1 maart 2016 heeft de StAB een aanvullend deskundigenbericht uitgebracht.

NuStar heeft nadere stukken ingediend.

Het Hof heeft de zaak ter zitting behandeld op 17 maart 2016, waar NuStar, vertegenwoordigd door haar bestuurder […], bijgestaan door mr. T.L.H. Peeters, advocaat, en de minister, vertegenwoordigd door mr.dr. H.C. Borgers en mr. W.E. van Haveren, beiden werkzaam in dienst van het ministerie van Infrastructuur en Milieu, zijn verschenen.

Overwegingen

  1. Ingevolge artikel 36 van de Wet administratieve rechtspraak BES (hierna: de War BES) moet een gemachtigde, niet zijnde advocaat, voorzien zijn van een schriftelijke machtiging, tenzij de gemachtigde in gezelschap van de betrokken partij verschijnt.
    Ingevolge artikel 77, eerste lid, voor zover thans van belang, is artikel 36 op de behandeling van het hoger beroep van overeenkomstige toepassing.
    Ingevolge artikel 52, eerste lid, van de Advocatenwet BES kunnen alleen in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba of in Curaçao en Sint Maarten woonplaats hebbende personen als gemachtigden of raadslieden optreden.
    Ingevolge het vierde lid, voor zover thans van belang, kan de rechter weigeren personen als gemachtigden of raadslieden toe te laten.
    Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de Hinderverordening Sint Eustatius 1993 (hierna: de Hinderverordening), zoals deze luidde ten tijde van de bestreden beschikking en voor zover thans van belang, is het verboden zonder vergunning van het bestuurscollege milieubelastende aktiviteiten aan te vangen, uit te voeren, uit te breiden of te wijzigen.
    Ingevolge artikel 5 kan het bestuurscollege vergunningen, als bedoeld in artikel 3, eerste en tweede lid, verlenen.
    Ingevolge artikel 15 betrekt het bestuurscollege bij de beslissing op het verzoek om vergunningverlening in ieder geval:
    a. de bestaande toestand van het milieu, voor zover de aktiviteit daarvoor gevolgen kan hebben;
    b. de gevolgen voor het milieu, die de aktiviteit kan veroorzaken;
    c. de redelijkerwijs te verwachten ontwikkelingen, die van belang zijn met het oog op de bescherming van het milieu met betrekking tot de aktiviteit;
    d. de effecten van milieubelastende aktiviteiten, die reeds in het vestigings- en operatiegebied plaatsvinden.
    Ingevolge artikel 20, eerste lid, worden aan de vergunning voorschriften verbonden, die nodig zijn in het belang van de bescherming van het milieu. De voorschriften kunnen inhouden:
    a. de verplichting om de aangegeven middelen ter voorkoming of beperking van belasting van het milieu;
    b. de verplichting om met middelen ter keuze van de vergunninghouder de aangegeven doeleinden te verwezenlijken ter behartiging van de in de aanhef bedoelde belangen.
    Ingevolge het tweede lid kunnen aan de vergunning tevens voorschriften worden verbonden, inhoudende:
    a. de verplichting metingen op een bij het voorschrift aangegeven wijze te verrichten ter bepaling van de mate van gevaar, schade of hinder ten gevolge van een bedrijfsmatige aktiviteit of een verontreinigende handeling;
    b. de verplichting om de uitkomsten van de onder a bedoelde metingen ter beschikking te stellen van de bij het voorschrift aan te wijzen overheidsdiensten.

  2. NuStar heeft het Hof verzocht te weigeren mr. Borgers en mr. Van Haveren als gemachtigden van de minister te laten optreden, omdat zij geen woonplaats in de BES hebben. Het Hof heeft dit verzoek afgewezen, reeds omdat redelijke wetstoepassing met zich brengt dat gemachtigde in de zin van artikel 36 van de War BES niet beperkt is tot advocaten als bedoeld in artikel 52, eerste lid van de Advocatenwet BES

  3. Aan de hindervergunning van 24 mei 2013 zijn, voor zover thans van belang, de volgende voorschriften verbonden:

9.4

Emissies van verbrandingsinstallaties
9.4.1 Vergunninghouder dient uiterlijk binnen drie maanden na inwerkingtreding van de vergunning een vervangingsschema ten aanzien van allen bestaande verbrandingsinstallaties ter kennisgeving aan het bevoegd gezag voor te leggen. Dit vervangingsschema dient aan de volgende eisen te voldoen:
a) Uiterlijk 15 jaar na inwerkingtreding van de vergunning dienen alle bestaande verbrandingsinstallaties, die langer dan vijf jaar voorafgaand aan inwerkingtreding van deze vergunning zijn geïnstalleerd, te zijn vervangen en moeten de nieuwe verbrandingsinstallaties operationeel zijn.
b) Uiterlijk 20 jaar na inwerkingtreding van de vergunning dienen alle bestaande verbrandingsinstallaties, die vijf jaar of korter voorafgaand aan de inwerkingtreding van deze vergunning zijn geïnstalleerd, te zijn vervangen en moeten de nieuwe verbrandingsinstallaties operationeel zijn.
c) Bij vervanging van een verbrandingsinstallatie dienen de best beschikbare technieken te worden toegepast, waarbij tenminste aan de eisen gesteld in voorschriften 9.5.1 tot en met 9.5.4 dient te worden voldaan.
d) Vergunninghouder informeert het bevoegd gezag over de specificaties van de nieuw aan te schaffen verbrandingsinstallaties.

9.4.2


a) De toegepaste brandstof in alle boilers en hot oil units mag maximaal 3,5 wt% zwavel bevatten.
b) De toegepaste brandstof in alle dieselgeneratoren, dieselmotoren en het fornuis mag maximaal 0.05 wt% zwavel bevatten.

9.5

Emissie eisen voor nieuw te bouwen of vervangen verbrandingsinstallaties.

9.5.1

Een dieselgenerator die ter vervanging van bestaande dieselgenerator wordt gerealiseerd moet:
- een elektrisch rendement hebben van ten minste 40%;
- voldoen aan een stof emissie eis van 30 mg/Nm³;
- voldoen aan een CO eis van 1200 mg/Nm³;
- voldoen aan een CxHy eis van 135 mg/Nm³;
- voldoen aan een NOₓ emissies eis van 150 g NOₓ/GJ vermenigvuldigd met 1/30 keer het elektrisch rendement van de dieselgenerator.
De bovenstaande emissie eisen gelden bij droog afgas en een zuurstofgehalte van 15%.

9.5.2

Een hot oil unit die ter vervanging van een bestaande hot oil unit wordt gerealiseerd moet voldoen aan een NOₓ eis van 120 mg/ Nm³ en een stof eis van 30 mg/Nm³ bij droog afgas en een zuurstofgehalte van 3%.

9.5.3

Een boiler die ter vervanging van een bestaande boiler wordt gerealiseerd moet voldoen aan een NOₓ eis van 120 mg/Nm³ en een stof eis van 30 mg/Nm³ bij droog afgas en een zuurstofgehalte van 3%.

9.5.4

Een fornuis die ter vervanging van een bestaand fornuis wordt gerealiseerd moet voldoen aan een NOₓ eis van 30 mg/Nm³ bij droog afgas en een zuurstofgehalte van 3%.

4. Het Gerecht heeft in het in beroep aangevoerde geen grond gevonden voor het oordeel dat het bestuurscollege niet in redelijkheid aan de hindervergunning de onder 9.4. en 9.5 gestelde voorschriften heeft kunnen verbinden.

5. NuStar betoogt dat het Gerecht daarmee heeft miskend dat het bestuurscollege zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat met de aan de verleende vergunning onder 9.4 en 9.5 verbonden voorschriften de best beschikbare technieken (BBT) zijn toegepast. Daartoe voert zij, onder verwijzing naar een door haar overgelegde kosten- en effectiviteitsberekening, aan dat het bestuurscollege bij het stellen van die voorschriften ten onrechte de kosteneffectiviteit daarvan niet heeft betrokken en met het stellen ervan het proportionaliteitsbeginsel heeft geschonden. Voorts heeft het miskend dat de voorgeschreven brandstoffen ter plaatse niet beschikbaar zijn en het bezwaarlijk is om de brandstofleidingen aan te passen om de juiste brandstof bij de juiste installatie te krijgen, zodat de desbetreffende voorschriften niet uitvoerbaar zijn. Verder voert zij, onder verwijzing naar een rapport “NuStar Statia Terminals N.V.- Health Safety and Environment Proposal Expert Report”, aan dat het Gerecht heeft miskend dat het bestuurscollege bij het vaststellen van de implementatietermijn ten onrechte geen rekening heeft gehouden met de levensduur van de te vervangen verbrandingsmotoren. Ook voert zij onder verwijzing naar een rapport van Royal Haskoning van 22 juli 2013 “Air quality study St. Eustatius” aan dat het Gerecht heeft miskend dat het bestuurscollege ten onrechte geen rekening heeft gehouden met de plaatselijke milieuomstandigheden. Ten slotte heeft het Gerecht miskend dat het bestuurscollege ten onrechte geen rekening heeft gehouden met de plaatselijke omstandigheden. Gelet op haar vestiging op Sint Eustatius, tussen (ei)landen, waar voor vergelijkbare inrichtingen minder stringente regelgeving geldt, wordt haar concurrentiepositie ondermijnd, aldus NuStar.

5.1.1

Bij de BBT gaat het om technieken die economisch en technisch te realiseren zijn in de bedrijfstak, waartoe de inrichting behoort (vergelijk artikel 1.2 van de thans geldende Wet volkshuisvesting, ruimtelijke ordening en milieubeheer BES). Aldus vindt de afweging van de kosteneffectiviteit van die technieken plaats bij het vaststellen van de desbetreffende zogenoemde BBT-documenten. Dat brengt met zich dat technieken die voor de desbetreffende bedrijfstak niet kosteneffectief zijn, geen BBT zijn. Gelet hierop, behoeft bij het stellen van voorschriften in het kader van vergunningverlening, waarbij BBT worden voorgeschreven en BBT-documenten worden toegepast, de kosteneffectiviteit van de voorgeschreven technieken niet te worden afgewogen. De kosteneffectiviteit van de toepassing van emmissiereducerende maatregelen om de in de BBT-documenten vermelde emissiewaarden te behalen, is in die emissierange verdisconteerd (vergelijk onder meer uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de ABRvS) van 23 mei 2012; ECLI:NL:RVS:2012:BW6358). Slechts indien zich bij een bestaande installatie bijzondere omstandigheden voordoen, kunnen de kosten voor het treffen van BBT maatregelen niettemin een nadere beoordeling van de kosteneffectiviteit vergen (vergelijk uitspraak van de ABRvS van 25 april 2012; ECLI:NL:RVS:2012:BW3940).

5.1.2

Het Gerecht heeft overwogen dat het bestuurscollege, gezien de doelstelling betreffende de bescherming van het milieu, verankerd in de Hinderverordening, door uit te gaan van BBT’s en BBT-documenten, geen onjuiste toepassing aan de beoordelingsvrijheid die hem ingevolge de artikelen 15 en 20 van de Hinderverordening toekomt heeft gegeven. Dat heeft NuStar in hoger beroep niet bestreden. Voor zover NuStar ter zitting van het Hof nog heeft betoogd dat het Gerecht heeft miskend dat het bestuurscollege niet in redelijkheid in het kader van verlening van een vergunning krachtens de Hinderverordening aan BBT en BBT-documenten toepassing heeft kunnen geven, leidt dat niet tot het daarmee beoogde resultaat. Nu NuStar niet heeft gesteld en aannemelijk gemaakt dat zij dat niet eerder heeft kunnen aanvoeren, wordt dit betoog wegens strijd met de goede procesorde niet bij de beoordeling van het hoger beroep betrokken (vergelijk onder meer uitspraken van het Hof van 14 december 2012; ECLI:NL:OGHACMB:2012:BY7660 en 9 oktober 2015; ECLI:NL:OGHACMB:2015:34).

5.1.3

In het deskundigenbericht van 28 januari 2016 heeft de StAB uiteengezet, dat en waarom de desbetreffende voorschriften zijn gebaseerd op BBT-documenten: “Het BREF Grote stookinstallaties en het BEES A zijn documenten op grond waarvan eisen kunnen worden afgeleid die overeenkomen met de toepassing van BBT. De eisen in voorschrift 9.4.2 met betrekking tot het zwavelgehalte van de ingezette brandstoffen in alle dieselgeneratoren, dieselmotoren en het fornuis en de voorschriften 9.5.1 tot en met 9.5.4 met betrekking tot de emissie van NOₓ en stof zijn ontleend aan deze documenten en kwamen ten tijde van het bestreden besluit overeen met de toepassing van BBT. De eisen in voorschrift 9.4.2 met betrekking tot het zwavelgehalte kunnen bij inzet van een juiste brandstofmix leiden tot de toepassing van een gemiddeld zwavelgehalte van 0,5 gew. % conform de uitgangspunten van BBT. Hiertoe zal de toepassing van zware stookolie in de boilers en hot oil units met een gehalte van 3,5 gew. % beperkt dienen te worden.” Deze uiteenzetting heeft NuStar op zichzelf niet betwist.

5.1.4

Het hiervoor onder 5.1.1 tot en met 5.1.3 overwogene in aanmerking genomen, dient de kosteneffectiviteit van de in de desbetreffende BBT-documenten voorgeschreven technieken geacht worden bij de totstandkoming van die documenten te zijn verdisconteerd. NuStar heeft geen zodanig bijzondere omstandigheden gesteld en aannemelijk gemaakt, dat deze het bestuurscollege noopten tot een nadere afweging van de kosteneffectiviteit. Gelet hierop, komt aan het betoog van NuStar, onder verwijzing naar de bij het hogerberoepschrift en bij de reactie op het deskundigenbericht van de StAB van 28 januari 2016 overgelegde kosteneffectiviteitsberekeningen, niet de betekenis toe, die zij daaraan gehecht wenst te zien. Het faalt.

5.2

In het deskundigenbericht van 28 januari 2016 heeft de StAB ten aanzien van de uitvoerbaarheid van de voorschriften het volgende vermeld: “NuStar heeft het gebruik van laagzwavelige brandstof met 0,5 gew.% zwavel aangevraagd en gebruikt dit momenteel ook in haar installaties. De stelling van NuStar in het hogerberoepschrift dat laagzwavelige brandstof niet beschikbaar is, mist daarom feitelijke grondslag. Niet gebleken is dat de aanpassing van het leidingwerk om de juiste brandstof bij de juiste installatie te krijgen niet is te realiseren of dat sprake is van buitensporige kosten om dit te realiseren.”
In de door NuStar op het deskundigenbericht gegeven zienswijze heeft zij hierop geen nadere reactie gegeven. Gelet hierop, heeft het Gerecht in het in beroep aangevoerde terecht geen grond gezien voor het oordeel dat het bestuurscollege zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de voorschriften met betrekking tot de te gebruiken brandstof uitvoerbaar zijn. Ook dat betoog faalt.

5.3.1

NuStar heeft voorts betoogd dat het Gerecht heeft miskend dat in de voorschriften ten onrechte een termijn is gesteld, waarbinnen de verbrandingsmotoren dienen te worden vervangen. Volgens haar diende, gelet op de levensduur van de motoren, die bovendien door gebruik en defecten kan variëren, in de voorschriften te worden aangesloten bij door haar zelf vast te stellen vervangingsmomenten.

5.3.2

In het deskundigenbericht van 28 januari 2016 heeft de StAB ter zake als volgt vermeld: “Op basis van aannames ten aanzien van de te verwachten technische levensduur van de dieselaggregaten/gensets en overige dieselmotoren is nagegaan welke apparaten mogelijk dienen te worden vervangen voordat de technische levensduur is overschreden. Uitgaande van een levensduur van 25 jaar van de gensets dienen de gensets 6 en 7 voortijdig te worden vervangen. Dit geldt niet voor de overige vier gensets. Ook de pompmotoren SPM 101-103 moeten waarschijnlijk voortijdig worden vervangen, evenals de pompmotoren ABN 1-4. In totaal 9 van de L7 dieselgeneratoren dienen te worden vervangen alvorens de technische levensduur is verstreken. Gemiddeld zal vanaf 2016 nog maximaal 13,5 jaar van de dieselgeneratoren gebruik kunnen worden gemaakt. Bij vervanging zullen ze gemiddeld 27 jaar zijn gebruikt.”
In reactie op de zienswijze van NuStar dat de StAB aldus heeft bevestigd dat de levensduur van de verbrandingsinstallaties tussen de 25 en 30 jaar ligt en dat volgens de voorschriften deze installaties dienen te worden vervangen, voordat de technische levensduur is bereikt, heeft de StAB in het deskundigenbericht van 1 maart 2016 het volgende vermeld: “Uitgaande van de termijnen in de vergunningvoorschriften dienen de gensets 6 en 7 mogelijk enige jaren eerder te worden vervangen dan op basis van de technische levensduur redelijkerwijs mag worden verwacht. Uitdrukkelijk is gesteld dat dit niet geldt voor de gensets 7,2,3 en 5. Voor de diesel (pomp) motoren SPM 101, 102 en 103 en voor de overige dieselgeneratoren ABN 1, 2,3 en 4 geldt eveneens dat ze iets eerder vervangen dienen te worden dan op basis van de technische levensduur redelijkerwijs mag worden verwacht. Dit geldt echter weer niet voor SPM 104 en 105 en de Jetty Engines.”

5.3.3

Nu NuStar niet heeft gesteld en aannemelijk gemaakt dat dat onjuist is, heeft het Gerecht in het in beroep aangevoerde terecht geen grond gevonden voor het oordeel dat de voorgeschreven vervangingstermijnen niet als de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare techniek mocht worden aangemerkt. De enkele gestelde omstandigheid dat de technische levensduur van de verbrandingsmotoren op de voorgeschreven momenten niet is bereikt, is daartoe onvoldoende. Daarbij wordt mede in aanmerking genomen dat de maximale levensduur van de verbrandingsinstallaties bij vervanging volgens de voorschriften volgens het deskundigenbericht van 28 januari 2016 gemiddeld 27 jaar zal bedragen, hetgeen NuStar niet heeft betwist, waar de technische levensduur van deze installaties volgens NuStar tussen de 25 en 30 jaar bedraagt en volgens de deskundigenberichten 25 jaar voor gensets en 25 tot 30 jaar voor diesel(pomp)motoren. Het betoog faalt.

5.4.1

NuStar betoogt voorts dat het Gerecht heeft miskend dat het bestuurscollege ten onrechte geen rekening heeft gehouden met de in bijlage III van de IPPC richtlijn (Richtlijn 96/6L/EG, gecodificeerd bij Richtlijn 2008/1), vermelde criteria, zoals de effecten van de betrokken emissies, de data van ingebruikneming van de installaties, de tijd die nodig is voor het omschakelen op een andere techniek, de noodzaak om het effect van emissies te voorkomen en de kostprijs die haalbaar moet zijn voor een gemiddeld bedrijf op Sint Eustatius. In dit verband verwijst zij naar het door haar overgelegde rapport van Royal Haskoning van 22 juli 2013 "Air quality study Sint Eustatius." Volgens dit rapport is reductie van de emissies niet noodzakelijk, althans nog niet, omdat de achtergrondconcentratie van NOₓ en SO2 veel lager is dan in Europees Nederland. Verder is op Sint Eustatius alleen dieselolie als brandstof beschikbaar, draaien haar verbrandingsinstallaties daar op en zijn daarmee de mogelijkheden om de uitstoot te reduceren aanmerkelijk verminderd, aldus NuStar.

5.4.2

In het deskundigenbericht van 28 januari 2016 heeft de StAB ter zake als volgt vermeld: “Indien en voor zover er redenen bestaan om op grond van de criteria van artikel 11, eerste lid Bgim en plaatselijke milieuomstandigheden als bedoeld in artikel 11, tweede lid Bgim een lager beschermingsniveau dan BBT voor te schrijven, heeft verweerder dat gedaan door in de vergunning op te nemen dat pas in de periode tussen 2028 en 2033 moet worden voldaan aan de emissieniveaus (voor o.a. NOₓ en stof) die momenteel als uitvloeisel van toepassing van BBT gelden en door in de daaraan voorafgaande periode geen emissie-eisen te laten gelden. Het rapport "Air quality study Sint Eustatius" van Royal Haskoning geeft geen aanleiding om emissieniveaus voor te schrijven met een lager beschermingsniveau dan BBT. In de eerste plaats zijn de effecten van de emissies op leefniveau (de immissiegevolgen) al verdisconteerd in de aan BBT gerelateerde emissienorm. Verder zijn meer lokale omstandigheden van belang dan die in het rapport zijn onderzocht. Zo valt bijvoorbeeld niet uit te sluiten dat de uitstoot van met name NOₓ en zwaveldioxide (SO2) negatieve gevolgen zal hebben voor het ecosysteem van enkele lokaal aanwezige natuurparken.”
In het deskundigenbericht van 1 maart 2016 heeft de StAB, in reactie op de door NuStar op 28 januari 2016 ingebrachte zienswijzen, uiteengezet dat in de vergunning met de plaatselijke milieuomstandigheden rekening is gehouden. Gelet op de redactie van voorschrift 9.4.1 onder c, hoeft pas bij vervanging van de bestaande verbrandingsinstallaties aan de in de voorschriften 9.5.1 t/m 9.5.4 gestelde emissiewaarden te worden voldaan. Strikt genomen houdt dit in dat pas in de periode tussen 2028 en 2033 aan de emissiewaarden moet worden voldaan, terwijl in de periode daaraan voorafgaand geen emissiewaarden gelden. De emissiewaarden in de voorschriften 9.5.1 t/m 9.5.4 gelden thans al als uitvloeisel van de toepassing van BBT. Aldus is voorzien in een zeer ruime overgangsperiode, zonder dat emissiewaarden van toepassing zijn, aldus de StAB.

5.4.3

Nu NuStar die conclusie niet, althans niet gemotiveerd, heeft betwist, heeft het Gerecht in het in beroep aangevoerde terecht geen grond gezien voor het oordeel dat het bestuurscollege ten onrechte geen rekening heeft gehouden met de in bijlage III van de IPPC richtlijn vermelde criteria. Het betoog faalt.

5.5

In het deskundigenbericht van 28 januari 2016 heeft de StAB uiteengezet dat NuStar niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij te maken heeft met concurrerende ondernemingen, waaraan minder zware emissie-eisen zijn gesteld. De emissie-eisen voor een gelijksoortige onderneming in Bonaire zijn identiek aan die van NuStar. De verwijzing door NuStar naar een tweetal ondernemingen in Bonaire, onderscheidenlijk Sint Eustatius, waarvan het product of dienst uit het opwekken en leveren van energie aan derden bestaat, heeft de StAB volgens het deskundigenbericht van 1 maart 2016 geen aanleiding gegeven deze conclusie aan te passen, nu deze ondernemingen niet werkzaam zijn in hetzelfde marktsegment als NuStar. De verbrandingsinstallaties bij NuStar worden, in tegenstelling tot die van deze ondernemingen, gebruikt om in haar eigen stroombehoefte te voorzien. Dat NuStar in de praktijk zo nu en dan in de energievoorziening bijspringt, als de openbare energievoorziening op Sint Eustatius faalt, doet daar niet aan af, aldus de StAB in dat deskundigenbericht.
Nu NuStar dat niet, althans niet gemotiveerd, heeft betwist, heeft het Gerecht in het in beroep aangevoerde terecht geen grond gezien voor het oordeel dat het bestuurscollege bij het bepalen van de BBT ten onrechte geen rekening heeft gehouden met de plaatselijke omstandigheden. Het betoog faalt.

6. Voor zover NuStar in hoger beroep naar de door haar in beroep aangevoerde gronden verwijst, is dat tevergeefs. Het Gerecht heeft deze behandeld en beoordeeld. NuStar heeft niet betoogd, dat en waarom de desbetreffende overwegingen van het Gerecht niet juist zijn (vergelijk onder meer uitspraken van het Hof van 9 juni 2008; ECLI:NL:OGHNAA:2008:BG2235 en 14 december 2012; ECLI:NL:OGHACMB:2012:BY7682).

7. De conclusie is dat het hoger beroep ongegrond is. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

Het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. E.J. van der Poel, voorzitter, en mr. R.W.L. Loeb en mr. A.W.M. Bijloos, leden, in tegenwoordigheid van mr. B. Jussen, griffier.

w.g. Van der Poel

voorzitter

w.g. Jussen

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 3 juni 2016

Verzonden:

Voor eensluidend afschrift,
de griffier,
voor deze,