Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGHACMB:2016:32

Instantie
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Datum uitspraak
03-06-2016
Datum publicatie
20-06-2016
Zaaknummer
HLAR 76086/16 en 76288/16
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

In beslag nemen van een barkje. Vervoermiddel kennelijk ingericht of toegerust om goederen aan het ambtelijk toezicht te onttrekken? Geen verborgen compartiment.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

HLAR 76086/16 en 76288/16

Datum uitspraak: 3 juni 2016

GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE

VAN ARUBA, CURAÇAO, SINT MAARTEN

EN VAN BONAIRE, SINT EUSTATIUS EN SABA

Uitspraak op het hoger beroep van:

[Appellant], wonend in Venezuela,

appellant,

tegen de uitspraak van het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao van 17 december 2015 in de zaken nrs. Lar 2015/76288 en 76086 in het geding tussen:

appellant

en

de Inspecteur der Invoerrechten en Accijnzen.

Procesverloop

Bij beschikking van 15 oktober 2015 heeft de Inspecteur het barkje “Ashley II” in beslag genomen.

Bij uitspraak van 17 december 2015 heeft het Gerecht het door appellant daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak heeft appellant hoger beroep ingesteld.

De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

Appellant heeft nadere stukken ingediend.

Het Hof heeft de zaak ter zitting behandeld op 17 maart 2016, waar appellant in persoon, bijgestaan door mr. O.A. Martina, advocaat, en de Inspecteur, vertegenwoordigd door V. Elisabeth en E. Caciano, beiden werkzaam bij de dienst Douane Curaçao, bijgestaan door mr. M.R. Hammoud en mr. G.A.H. Bakhuis, beiden ook advocaat, zijn verschenen.

Overwegingen

  1. Ingevolge artikel 121, eerste lid, van de Algemene Verordening In- Uit- en Doorvoer (hierna: de AVIUD) worden vervoermiddelen, kennelijk ingericht of toegerust om goederen aan het ambtelijk toezicht te onttrekken, alsmede alle andere voorwerpen, kennelijk bestemd om goederen aan het ambtelijk toezicht te onttrekken of om een vervoermiddel tot hiervoor omschreven doeleinde in te richten of toe te rusten, in beslag genomen.
    Ingevolge het vijfde lid kan de eigenaar van het in beslag genomen vervoermiddel of voorwerp binnen een maand na de mededeling omtrent de inbeslagneming bij het Gerecht in eerste aanleg daartegen hetzij in persoon, hetzij door een gemachtigde een met redenen omkleed bezwaarschrift indienen, gegrond op de omstandigheid dat het in beslag genomen vervoermiddel of voorwerp niet beantwoordt aan de omschrijving, vervat in het eerste lid.

  2. Het voor het eerst in hoger beroep gevoerde betoog van appellant dat artikel 121 van de AVIUD in strijd is met verdragsrecht, omdat dit artikel de Inspecteur een bestuurlijke toezichthoudende bevoegdheid toekent, maar deze wordt gebruikt ten behoeve van een strafrechtelijk doel, faalt, reeds omdat het niet nader is toegelicht en het Hof ambtshalve geen een ieder verbindende verdragsbepaling bekend is, waarmee het artikel van de AVIUD in strijd is.

  3. Appellant, (naar deze stelt) eigenaar van het barkje, betoogt voorts dat het Gerecht heeft miskend dat de Inspecteur zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat het barkje kennelijk ingericht of toegerust was om goederen aan het ambtelijk toezicht te onttrekken. Daartoe voert hij, onder verwijzing naar een rapport van Argonaut Marine Services N.A. van 6 januari 2016 (hierna: het rapport van Argonaut), aan dat het barkje weliswaar aan slijtage onderhevig was, maar nog in de oorspronkelijke staat verkeerde en de betrokken ruimten als zodanig zichtbaar, dan wel herkenbaar waren.

3.1

Aan de beschikking van 15 oktober 2015 heeft de Inspecteur ten grondslag gelegd dat tijdens de controle aan boord van het barkje in het compartiment van de kapitein, in een opening onder het stuur van het schip, verschillende niet aangegeven goederen zijn ontdekt. Volgens het op ambtseed opgemaakt proces-verbaal werd tijdens die controle in dat compartiment een opening onder het stuur van het schip ontdekt, waarachter na verder onderzoek diverse niet aangegeven goederen zijn ontdekt, te weten creditcards, pakjes sigaretten en medicijnen. Bij het verweerschrift in beroep heeft de Inspecteur een rapport van Diza Marine Services en Surveys N.V. van 17 oktober 2015 (hierna het rapport van Diza) overgelegd, waarin over dit compartiment het volgende is vermeld: “Onder de instrumenten console en het stuurradsysteem is de constructie ook zodanig dat er via de openingen in de bodemplaat toegang ontstaat tot de accu ruimte in de machinekamer. Dit is een constructie die zodanig is opgemaakt, dat er een ruimte bestaat die door plaatsing van de accu’s aan het oog wordt onttrokken.
In het rapport van Argonaut is over die ruimte het volgende vermeld: “De genoemde alteratie is juist zeer opvallend omdat het niet strookt met de directe omgeving. Dit is een triplex plank, terwijl de bepaling (laminatie) hiernaast donkerbruin is. Ruimte in het stuurhuis wordt ingenomen door: a) de ruimten voor instrumenten (VHF, Radio, GPS enz.) b) ruimte onder de instrumenten console, die bestaat uit 3 gedeeltes nl aan stuurboord ruimte voor elektriciteitskabels voor de genoemde instrumenten, voor verlichting en het opstarten van de motor etc., aan bakboord kan men kleine gereedschappen zoals schroevendraaier, hamer etc. opbergen, in het middengedeelte worden de slangen van de hydrauliek via een opening geleid door de machinekamer naar de roerkoning om zodoende het te kunnen bewegen. Deze constructie is speciaal zo gebouwd om deze kwetsbare delen te beschermen. Er is hier dus geen sprake van dubbele bodem in het stuurhuis. Deze 3 gedeeltes zijn door grendels afgesloten en kunnen direct opgemerkt worden.”

3.2

Uit de ter zitting van het Hof overgelegde foto’s valt niet af te leiden dat het stuurhuis is toegedekt, anders dan ter bescherming van de daarin aanwezige kwetsbare onderdelen, zoals in het rapport van Argonaut is vermeld. Uit die foto’s valt voorts af te leiden dat die constructie als zodanig zichtbaar is, zoals in het rapport van Argonaut is vermeld.
Gelet hierop, heeft het Gerecht ten onrechte door de Inspecteur aannemelijk gemaakt geacht dat de betrokken ruimte een verborgen compartiment in de zin van artikel 121, eerste lid, van de AVIUD is.
Voor zover de Inspecteur in het verweerschrift en bij de behandeling ter zitting onder verwijzing naar het rapport van Diza heeft gesteld dat het barkje, naast voormelde ruimte in het stuurhuis, ook in de slaapruimte van de bemanning, de keuken, de vrachtruimte en in de machinekamer verborgen compartimenten heeft, geeft dat geen grond voor een ander oordeel, aangezien het aanwezig zijn van deze ruimtes niet aan de beschikking van 15 oktober 2015 ten grondslag is gelegd.
Het betoog slaagt.

4. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen het Gerecht had behoren te doen, zal het Hof het beroep gegrond verklaren en de beschikking van 15 oktober 2015 vernietigen.

5. De Inspecteur dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden verwezen.

Beslissing

Het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao van 17 december 2015 in de zaken nrs. Lar 2015/76288 en 76086;

III. verklaart het in die zaken ingestelde beroep gegrond;

IV. vernietigt de beschikking van 15 oktober 2015;

V. veroordeelt de Inspecteur der Invoerrechten en Accijnzen tot vergoeding aan [appellant] van de bij hem in verband met de behandeling van het beroep en hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van NAf. 2800,- (zegge: tweeduizend achthonderd gulden), geheel toe te rekenen aan door een derde verleende rechtsbijstand;

VI. gelast dat het Land Curaçao [appellant] het door hem voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep betaalde griffierecht ten bedrage van NAf. 450,00 (zegge: vierhonderd vijftig gulden) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. E.J. van der Poel, voorzitter, en mr. R.W.L. Loeb en mr. A.W.M. Bijloos, leden, in tegenwoordigheid van mr. B. Jussen, griffier.

w.g. Van der Poel

voorzitter

w.g. Jussen

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 3 juni 2016

Verzonden:

Voor eensluidend afschrift,
de griffier,
voor deze,