Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGHACMB:2016:29

Instantie
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Datum uitspraak
03-06-2016
Datum publicatie
20-06-2016
Zaaknummer
HLAR 66865/15
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing verzoek om verlening van een vergunning voor het vestigen van een apotheek.

De uitspraak van het Gerecht dateert van voor het tijdstip, waarop artikel 9c van de Landsverordening administratieve rechtspraak in werking is getreden, zodat het recht, zoals dit gold voor dat tijdstip, op het beroep van toepassing was. Gelet hierop en omdat de minister hangende het beroep in eerste aanleg alsnog op het door appellante gemaakte bezwaar heeft beschikt, heeft appellante geen belang bij het door haar ingestelde hoger beroep. De procedure in beroep, die betrekking had op het uitblijven van een beschikking, had en kon uitsluitend tot inzet hebben dat die beschikking alsnog wordt gegeven (vergelijk de uitspraak van het Hof van 21 november 2005 in zaak nr. 92 HLAR 12/05; ECLI:NL:OGHNAA:2005:BG0975). Onder deze omstandigheden kan appellante door de uitkomst van het hoger beroep niet in een gunstiger positie geraken. Het is reeds om deze reden niet-ontvankelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

HLAR 66865/15

Datum uitspraak: 3 juni 2016

GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE

VAN ARUBA, CURAÇAO, SINT MAARTEN

EN VAN BONAIRE, SINT EUSTATIUS EN SABA

Uitspraak op het hoger beroep van:

de naamloze vennootschap Botica Mia N.V., gevestigd in Curaçao,

appellante,

tegen de uitspraak van het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao van 10 juni 2015 in zaak nr. Lar 2014/66865 in het geding tussen:

appellante

en

de minister van Gezondheid, Milieu en Natuur.

Procesverloop

Bij beschikking van 18 november 2012 heeft de minister een verzoek van appellante om haar vergunning te verlenen voor het vestigen van een apotheek aan de Santa Rosaweg 354 afgewezen.

Bij brief van 3 december 2012 heeft appellante daartegen bezwaar gemaakt.

Tegen het uitblijven van een beschikking op het aldus gemaakte bezwaar heeft appellante bij brief, bij het Gerecht ingekomen op 3 februari 2014, beroep ingesteld.

Bij beschikking van 12 november 2014 heeft de minister het door appellante tegen de beschikking van 18 november 2012 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 10 juni 2015 heeft het Gerecht een verzoek om vergoeding van proceskosten na intrekking van het beroep van appellante afgewezen en bepaald dat de minister aan haar het door haar voor de behandeling van het beroep voldane griffierecht vergoedt.

Tegen deze uitspraak heeft appellante hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

Appellante heeft nadere stukken ingediend.

Het Hof heeft de zaak ter zitting behandeld op 17 maart 2016, waar appellante, vertegenwoordigd door […], en de minister, vertegenwoordigd door M. Fernando, V. Bitorina-Eliza en C. Constancia, allen werkzaam in dienst van het land, bijgestaan door mr. T.E. Matroos, advocaat, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Het Hof overweegt ambtshalve het volgende.

2. De uitspraak van het Gerecht dateert van voor het tijdstip, waarop artikel 9c van de Landsverordening administratieve rechtspraak in werking is getreden, zodat het recht, zoals dit gold voor dat tijdstip, op het beroep van toepassing was. Gelet hierop en omdat de minister hangende het beroep in eerste aanleg alsnog op het door appellante gemaakte bezwaar heeft beschikt, heeft appellante geen belang bij het door haar ingestelde hoger beroep. De procedure in beroep, die betrekking had op het uitblijven van een beschikking, had en kon uitsluitend tot inzet hebben dat die beschikking alsnog wordt gegeven (vergelijk de uitspraak van het Hof van 21 november 2005 in zaak nr. 92 HLAR 12/05; ECLI:NL:OGHNAA:2005:BG0975). Onder deze omstandigheden kan appellante door de uitkomst van het hoger beroep niet in een gunstiger positie geraken. Het is reeds om deze reden niet-ontvankelijk.

3. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

Het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba:

verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.

Aldus vastgesteld door mr. E.J. van der Poel, voorzitter, en mr. R.W.L. Loeb en mr. A.W.M. Bijloos, leden, in tegenwoordigheid van mr. B. Jussen, griffier.

w.g. Van der Poel

voorzitter

w.g. Jussen

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 3 juni 2016

Verzonden:

Voor eensluidend afschrift,
de griffier,
voor deze,