Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGHACMB:2016:27

Instantie
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Datum uitspraak
03-06-2016
Datum publicatie
20-06-2016
Zaaknummer
HLAR 77593/15
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vaststellen "1e gedeeltelijke herziening van het Ruimtelijk Ontwikkelingsplan Bonaire 2010."

Besluit tot vaststellen herziening voldoet niet aan de motiveringsvereisten die in zijn algemeenheid voor het nemen van een zodanig besluit gelden, omdat in het verslag, zoals bedoeld in artikel 8, derde lid, van de Wet grondslagen ruimtelijke ontwikkelingsplanning BES, noch anderszins inzichtelijk is gemaakt, dat en waarom van de in het Ruimtelijk Ontwikkelingsplan Bonaire 2010 neergelegde beleidsuitgangspunten wordt afgeweken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

HLAR 77593/15

Datum uitspraak: 3 juni 2016

GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE

VAN ARUBA, CURAÇAO, SINT MAARTEN

EN VAN BONAIRE, SINT EUSTATIUS EN SABA

Uitspraak op het hoger beroep van:

[Appellant], wonend in Bonaire,

appellant,

tegen de uitspraak van het Gerecht in eerste aanleg van Bonaire, Sint Eustatius en Saba, zittingsplaats Bonaire, van 7 januari 2016 in zaak nr. War BES 2015/14 in het geding tussen:

appellant

en

de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.

Procesverloop

Bij beschikking van 16 juni 2015 heeft de minister aan appellant per 1 september 2015 een ouderdomspensioen toegekend van $ 340,- per maand.

Bij beschikking van 13 juli 2015 heeft de minister het door appellant daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 7 januari 2016 heeft het Gerecht het door appellant daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak heeft appellant hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

Het Hof heeft de zaak ter zitting behandeld op 18 maart 2016, waar appellant in persoon en de minister, vertegenwoordigd door J. Breure, beleidsmedewerker bij het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, bijgestaan door mr. L.M. Virginia, advocaat, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 26 van het Verdrag van Wenen inzake het Verdragenrecht (hierna: het Verdragenverdrag) verbindt elk in werking getreden verdrag de partijen en moet door hen te goeder trouw ten uitvoer worden gelegd.
Ingevolge artikel 27, voor zover thans van belang, mag een partij zich niet beroepen op de bepalingen van zijn nationale recht om het niet ten uitvoer leggen van een verdrag te rechtvaardigen.
Ingevolge artikel 29 bindt, tenzij een andere bedoeling uit het verdrag blijkt of op een andere wijze is komen vast te staan, een verdrag elke partij ten opzichte van haar gehele grondgebied.

Ingevolge artikel 26 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (hierna: het IVBPR) zijn allen gelijk voor de wet en hebben zij zonder discriminatie aanspraak op gelijke bescherming door de wet. In dit verband verbiedt de wet discriminatie van welke aard ook en garandeert deze een ieder gelijke en doelmatige bescherming tegen discriminatie op welke grond ook, zoals ras, huidskleur, geslacht, taal, godsdienst, politieke of andere overtuiging, nationale of maatschappelijke afkomst, eigendom, geboorte of andere status, aldus die bepaling.

Ingevolge artikel 1, eerste lid, van het Twaalfde Protocol bij het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en fundamentele vrijheden (hierna: het EVRM) moet het genot van elk in de wet neergelegd recht worden verzekerd zonder enige discriminatie op welke grond dan ook, zoals geslacht, ras, kleur, taal, godsdienst, politieke of andere mening, nationale of maatschappelijke afkomst, het behoren tot een nationale minderheid, vermogen, geboorte of andere status.

Ingevolge artikel 11, eerste lid, van het Internationaal Verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten (hierna: het IVSECR) erkennen de Staten die partij zijn bij dit Verdrag het recht van een ieder op een behoorlijke levensstandaard voor zichzelf en zijn gezin, daarbij inbegrepen toereikende voeding, kleding en huisvesting, en op steeds betere levensomstandigheden. De Staten die partij zijn bij dit Verdrag nemen passende maatregelen om de verwezenlijking van dit recht te verzekeren, daarbij het essentieel belang erkennende van vrijwillige internationale samenwerking.

In artikel 349 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (hierna: het VWEU) is als volgt bepaald: Gezien de structurele economische en sociale situatie van Guadeloupe, Frans Guyana, Martinique, Mayotte, Réunion, Saint Martin, de Azoren, Madeira en de Canarische Eilanden, die wordt bemoeilijkt door de grote afstand, het insulaire karakter, de kleine oppervlakte, een moeilijk reliëf en klimaat en de economische afhankelijkheid van enkele producten, welke factoren door hun blijvende en cumulatieve karakter de ontwikkeling van deze gebieden ernstig schaden, neemt de Raad op voorstel van de Commissie en na raadpleging van het Europees Parlement specifieke maatregelen aan die er met name op gericht zijn de voorwaarden voor de toepassing van de Verdragen, met inbegrip van gemeenschappelijk beleid, op deze gebieden vast te stellen. Wanneer de betrokken specifieke maatregelen volgens een bijzondere wetgevingsprocedure door de Raad worden vastgesteld, besluit hij eveneens op voorstel van de Commissie en na raadpleging van het Europees Parlement.
De in de eerste alinea bedoelde maatregelen hebben met name betrekking op het douane- en handelsbeleid, het fiscale beleid, vrijhandelszones, het landbouw- en visserijbeleid, voorwaarden voor het aanbod van grondstoffen en essentiële consumptiegoederen, staatssteun en de voorwaarden voor toegang tot de structuurfondsen en tot horizontale programma’s van de Unie.
De Raad neemt de in de eerste alinea bedoelde maatregelen aan, rekening houdend met de bijzondere kenmerken en beperkingen van de ultraperifere gebieden en zonder afbreuk te doen aan de integriteit en de samenhang van de rechtsorde van de Unie, met inbegrip van de interne markt en het gemeenschappelijk beleid.

Ingevolge artikel 1, eerste lid, van het Statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden (hierna: het Statuut) omvat het Koninkrijk de landen Nederland, Aruba, Curaçao en Sint Maarten.
Ingevolge het tweede lid maken Bonaire, Sint Eustatius en Saba elk deel uit van het staatsbestel van Nederland. Voor deze eilanden kunnen regels worden gesteld en andere specifieke maatregelen worden getroffen met het oog op de economische en sociale omstandigheden, de grote afstand tot het Europese deel van Nederland, hun insulaire karakter, kleine oppervlakte en bevolkingsomvang, geografische omstandigheden, het klimaat en andere factoren waardoor deze eilanden zich wezenlijk onderscheiden van het Europese deel van Nederland.

Ingevolge artikel 1 van de Grondwet worden allen die zich in Nederland bevinden in gelijke gevallen gelijk behandeld. Discriminatie wegens godsdienst, levensovertuiging, politieke gezindheid, ras, geslacht of op welke grond dan ook, is niet toegestaan.
Ingevolge artikel 93 hebben bepalingen van verdragen en van besluiten van volkenrechtelijke organisaties die naar haar inhoud een ieder kunnen verbinden, verbindende kracht, nadat zij zijn bekendgemaakt.
Ingevolge artikel 94 vinden binnen het Koninkrijk geldende wettelijke voorschriften geen toepassing, indien deze toepassing niet verenigbaar is met een ieder verbindende bepalingen van verdragen en van besluiten van volkenrechtelijke organisaties.

Ingevolge artikel 1, aanhef en onder b, van de Wet algemene ouderdomsverzekering BES (hierna: de WAOV BES) wordt in deze wet en de daarop berustende bepalingen onder ingezetene verstaan: hij die in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius of Saba woont.
Ingevolge artikel 5, eerste lid, is degene die de leeftijd van vijftien jaar, doch niet die van 65 jaar heeft bereikt, verzekerd overeenkomstig de bepalingen van deze wet, indien hij:
a. ingezetene is;
b. geen ingezetene is, maar zijn belastbare som, als bedoeld in artikel 24, eerste lid, van de Wet inkomstenbelasting BES, geheel of nagenoeg geheel binnen de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius of Saba aan de heffing van inkomstenbelasting of loonbelasting is onderworpen;
c. geen ingezetene is en evenmin geacht kan worden blijvend buiten de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius of Saba te wonen, doch terzake van buiten de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius of Saba verrichte arbeid wedde of loon geniet ten laste van de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius of Saba, mits hij Nederlander is.
Ingevolge artikel 6 heeft degene, die verzekerd is geweest en de leeftijd van 65 jaar heeft bereikt, overeenkomstig de bepalingen van deze wet aanspraak op ouderdomspensioen.
Ingevolge artikel 7, eerste lid bedraagt het ouderdomspensioen $ 365,- per maand.
Ingevolge het tweede lid wordt het pensioenbedrag, bedoeld in het eerste lid, bij ministeriële regeling met ingang van elk kalenderjaar aangepast aan de ontwikkeling van het consumentenprijsindexcijfer.
Ingevolge het derde lid vindt de aanpassing van het pensioenbedrag, bedoeld in het tweede lid, plaats met ingang van de eerste dag van enig kalenderjaar op basis van de stijging die het consumentenprijsindexcijfer voor het derde kwartaal daaraan voorafgaande aangeeft ten opzichte van het consumentenprijsindexcijfer voor het derde kwartaal van het voorafgaande jaar. Onze Minister bepaalt, welk consumentenprijsindexcijfer, zoals vastgesteld door het Centraal Bureau voor de Statistiek, voor de toepassing van de eerste zin wordt gebruikt. De consumentenprijsindexcijfers kunnen voor de onderscheiden openbare lichamen verschillend zijn, aldus die bepaling.
Ingevolge artikel 8, eerste lid, wordt op het bedrag, bedoeld in artikel 7, eerste lid, een korting toegepast van 2% voor elk kalenderjaar dat de pensioengerechtigde na het bereiken van de leeftijd van 15 jaar, doch voor het bereiken van de leeftijd van 65 jaar, niet verzekerd is geweest.
Het bedrag, vermeld in artikel 7, eerste lid, van de WAOV BES is per 1 januari 2015 gewijzigd in $ 586,-.

2. Het Gerecht heeft (onder meer) in de zaak, geregistreerd onder nummer War BES 2012/1, de enige door appellant thans voorgelegde vraag of artikel 7 van de AOV BES in strijd is met in hogere regelgeving neergelegde discriminatieverboden ontkennend beantwoord, welke uitspraak door het Hof bevestigd is bij uitspraak van 15 december 2014 in zaak nr. HLAR 68707/14, ECLI:NL:OGHACMB:2014:93. Nu hetgeen appellant ter toelichting van zijn betoog naar voren heeft gebracht in essentie een herhaling vormt van hetgeen reeds in voormelde zaak is aangevoerd, bestaat geen grond om die uitspraken niet te volgen en aldus te volstaan met een verwijzing daarnaar, aldus het Gerecht in de aangevallen uitspraak.

3. Appellant betoogt dat het Gerecht daarmee heeft miskend dat hij in het beroepschrift meerdere gronden tegen de beschikking van 13 juli 2015 heeft aangevoerd en dat hij ter toelichting van het betoog dat artikel 7 van de WAOV BES in strijd is met in hogere regelgeving neergelegde discriminatieverboden nadere argumenten heeft aangevoerd.

3.1

Weliswaar is het Gerecht op de betogen ten aanzien van de strijdigheid van artikel 7 van de WAOV BES met de VN Resolutie 1541, de artikelen 26, 27 en 29 van het Verdragenverdrag en artikel 349 van het VWEU niet uitdrukkelijk in gegaan, maar dat leidt niet tot het door appellant met dit betoog beoogde resultaat. Daartoe wordt als volgt overwogen. Het betoog van appellant dat artikel 7 van de WAOV BES in strijd is met het Principle VIII van de VN Resolutie 1541 faalt, reeds omdat deze bepaling naar zijn inhoud geen een ieder verbindend besluit van een volkenrechtelijke organisatie in de zin van artikel 93 van de Grondwet bevat en derhalve niet binnen het toepassingsbereik van artikel 94 van de Grondwet valt. Hetzelfde geldt voor het betoog ten aanzien van de strijdigheid van artikel 7 van de WAOV BES met voormelde bepalingen van het Verdragenverdrag. Het betoog ten aanzien van artikel 349 van het VWEU faalt, reeds omdat deze bepaling niet op Bonaire ziet, nog daargelaten dat hetgeen appellant met dat betoog beoogt te bereiken, te weten toetsing door de rechter van artikel 7 van de WAOV BES aan artikel 1, tweede lid, van het Statuut, niet mogelijk is. Voor zover appellant verwijst naar zijn betoog ten aanzien van de onrechtmatigheid van het handelen van de Staat der Nederlanders jegens hem en zijn andere burgers, is dat evenzeer tevergeefs, nu een civielrechtelijke vordering niet bij de bestuursrechter kan worden ingesteld. Hetzelfde geldt ten aanzien van zijn betoog terzake van de nietigheid, dan wel vernietigbaarheid, van het tussen onder meer Bonaire en Nederland gesloten bestuursakkoord.

3.2.

In de door het Gerecht gevolgde uitspraak van 15 december 2014 heeft het Hof geoordeeld dat het betoog dat het Gerecht heeft miskend dat de in artikel 7 WAOV BES vastgestelde ouderdomspensioenuitkering onder het bestaansminimum voor Bonaire, Sint Eustatius en Saba ligt, zodat deze bepaling in strijd is met artikel 11, eerste lid, van het IVSECR, faalt, reeds omdat die bepaling naar zijn inhoud geen een ieder verbindende bepaling in de zin van artikel 93 van de Grondwet bevat en derhalve niet valt binnen het toepassingsbereik van artikel 94 van de Grondwet. Onder deze omstandigheden heeft het Gerecht in het in beroep aangevoerde terecht geen grond gevonden voor het oordeel dat artikel 7 van de WAOV BES in strijd is met artikel 11, eerste lid, van het IVSECR.

3.3.

In de door het Gerecht gevolgde uitspraak van 15 december 2014 heeft het Hof voorts geoordeeld dat het Gerecht met juistheid tot de conclusie is gekomen dat de hier aan de orde zijnde keuze van de wetgever, te weten de vaststelling van het ouderdomspensioen krachtens artikel 7 van de Wet AOV BES, niet van redelijke grond ontbloot is en ook niet tot een ongelijke behandeling leidt die disproportioneel is aan dat doel, daarbij mede in aanmerking genomen de beoordelingsruimte die in overeenstemming met de in die uitspraak vermelde uitspraken van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: het EHRM) aan de nationale autoriteiten op het desbetreffende terrein wordt gelaten. Daartoe heeft het overwogen dat niet de territoriale herkomst, maar het ingezetenschap, dan wel het leveren van een bijdrage aan de algemene middelen, waaruit voor de ouderdomsvoorziening wordt geput, in de verzekeringsperiode bepalend is voor de toepassing van de in de Nederlandse Algemene Ouderdomswet (hierna: de AOW), dan wel in de AOV geregelde ouderdomsvoorzieningen. Evenmin wordt aldus impliciet onderscheid gemaakt op basis van etniciteit, aldus eerder het Hof, nu de ingezetenen van de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba, welke eilanden staatkundige en bestuurlijke entiteiten binnen Nederland vormen, niet als een zodanige “maatschappelijke groep” zijn aan te merken, reeds niet omdat niet één groep aan de orde is die een of meer van deze specifieke kenmerken heeft. Onder deze omstandigheden heeft het Gerecht in het in beroep aangevoerde terecht geen grond gevonden voor het oordeel dat artikel 7 van de WAOV BES in strijd is met de artikelen 26 van het IVBR en 1, eerste lid, van het Twaalfde Protocol bij het EVRM.
Het betoog faalt.

4. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

Het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. E.J. van der Poel, voorzitter, en mr. R.W.L. Loeb en mr. A.W.M. Bijloos, leden, in tegenwoordigheid van mr. B. Jussen, griffier.

w.g. Van der Poel

voorzitter

w.g. Jussen

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 3 juni 2016

Verzonden:

Voor eensluidend afschrift,
de griffier,
voor deze,