Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGHACMB:2016:26

Instantie
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Datum uitspraak
03-06-2016
Datum publicatie
20-06-2016
Zaaknummer
HLAR 75674/15
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vaststelling en inwerkingtreding wijziging artikel 32 Eilandsbesluit onderwaterpark Bonaire.

Indien in een algemeen verbindend voorschrift een gebied is aangewezen, waar een verbod of gebod al dan niet geldt, is die aanwijzing evenzeer een algemeen verbindend voorschrift. Gelet hierop, is artikel 32, aanhef en onder d, van het Eilandsbesluit onderwaterpark Bonaire een algemeen verbindend voorschrift en aldus een besluit van algemene strekking. Het besluit van 31 maart 2014, dat strekt tot de vaststelling en inwerkingtreding van deze bepaling, deelt voor de toepassing van artikel 3, eerste lid, van de WarBES in dat karakter.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

HLAR 75674/15

Datum uitspraak: 3 juni 2016

GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE

VAN ARUBA, CURAÇAO, SINT MAARTEN

EN VAN BONAIRE, SINT EUSTATIUS EN SABA

Uitspraak op het hoger beroep van:

de stichtingen Stichting Nationale Parken Bonaire (hierna: Stinapa) en Stichting Sea Turtle Conservation Bonaire (hierna: STCB), beide gevestigd te Bonaire, en 162 anderen,

appellanten,

tegen de uitspraak van het Gerecht in eerste aanleg van Bonaire, Sint Eustatius en Saba, zittingsplaats Bonaire van 20 juli 2015 in zaak nr. War BES 11 van 2014 in het geding tussen:

appellanten

en

het bestuurscollege.

Procesverloop

Bij eilandsbesluit, houdende algemene maatregelen, van 31 maart 2014, no. 1 is een wijziging van artikel 32 van het Eilandsbesluit onderwaterpark Bonaire (AB 2010, no. 14), alsmede de inwerkingtreding daarvan, vastgesteld.

Bij uitspraak van 20 juli 2015 heeft het Gerecht het daartegen door appellanten ingestelde beroep niet-ontvankelijk verklaard.

Tegen deze uitspraak hebben appellanten hoger beroep ingesteld.

Het bestuurscollege heeft een verweerschrift ingediend.

Het Hof heeft de zaak ter zitting behandeld op 18 maart 2016, waar appellanten, vertegenwoordigd door mr. B.A.J. Haagen en mr. A.F. van Toll, beiden advocaat, en het bestuurscollege, vertegenwoordigd door B. Nijland, werkzaam in dienst van het openbaar lichaam, bijgestaan door mr. L.M. Virginia en mr. F.R. Brouwer, ook beiden advocaat, zijn verschenen. Voorts is de naamloze vennootschap Karel’s Beach Bar & Watersports N.V. (hierna: derde-belanghebbende), vertegenwoordigd door […], bijgestaan door mr. T.L.H. Peeters, ook advocaat, gehoord.

Overwegingen

  1. Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de Wet administratieve rechtspraak BES (hierna: de WarBES) wordt in deze wet en de daarop berustende bepalingen onder beschikking verstaan: een schriftelijk besluit van een bestuursorgaan inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling die niet van algemene strekking is.
    Ingevolge artikel 7, eerste lid, kunnen natuurlijke personen of rechtspersonen, die door een beschikking rechtstreeks in hun belang zijn getroffen, daartegen beroep instellen bij het Gerecht.
    Ingevolge artikel 36 moet een gemachtigde, niet zijnde advocaat, voorzien zijn van een schriftelijke machtiging, tenzij de gemachtigde verschijnt in gezelschap van de betrokken partij.
    Ingevolge artikel 77, eerste lid, voor zover thans van belang, is op de behandeling van het hoger beroep artikel 36 van overeenkomstige toepassing.
    Ingevolge artikel 52, eerste lid, van de Advocatenwet BES kunnen als gemachtigden of raadslieden alleen optreden in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba of in Curaçao en Sint Maarten woonplaats hebbende personen.
    Ingevolge het vierde lid, voor zover thans van belang, kan de rechter weigeren personen als gemachtigden of raadslieden toe te laten.
    Ingevolge artikel 28 van het Eilandsbesluit onderwaterpark Bonaire is het verboden zonder vergunning van het bestuurscollege in, op of boven het onderwaterpark pieren, trappen, ladders, overhangende constructies, platforms, drijvende steigers of andere bouwwerken aan te leggen.
    Ingevolge artikel 32, zoals dat luidde tot 1 april 2014, is de aanleg van pieren of steigers niet toegestaan, tenzij deze noodzakelijk is voor de uitoefening van een als zodanig geregistreerd duikbedrijf, scheepsbouw- en reparatiebedrijf en havenbedrijf of voor het uitvoeren van beheerstaken door de beheerder of als openbare voorziening in beheer van het eilandgebied.
    Ingevolge artikel 32, zoals dat luidt vanaf 1 april 2014, is de aanleg van pieren of steigers niet toegestaan, tenzij de aanleg noodzakelijk is voor:
    a. de uitoefening van een als zodanig geregistreerd duikbedrijf, scheepsbouw- of reparatiebedrijf of havenbedrijf;
    b. het uitvoeren van beheerstaken door de beheerder;
    c. een openbare voorziening in beheer van het openbaar lichaam, of
    d. het gebruik voor recreatieve of toeristische doeleinden en de uitoefening van een bar en restaurantbedrijf op en in het water tegenover de percelen 4-D-626 en 4-D-627.

  2. Mr. Peeters heeft het Hof verzocht te weigeren mr. Haagen als gemachtigde van appellanten toe te laten, aangezien deze zijn woonplaats niet in de BES heeft. Het Hof heeft dit verzoek afgewezen, omdat mr. Haagen ter zitting door advocaat mr. Van Toll, die haar woonplaats in de BES heeft, is geintroduceerd en onder haar verantwoordelijkheid optreedt, nog daargelaten dat redelijke wetstoepassing met zich brengt dat onder gemachtigde, als bedoeld in artikel 52, eerste lid, van de Advocatenwet BES, niet tevens dient te worden verstaan de gemachtigde, niet zijnde advocaat, als bedoeld in artikel 36 van de WarBES.

  3. Ambtshalve overweegt het Hof verder als volgt.

3.1

Niet in geschil is dat de 161 natuurlijke personen, genoemd in de bij het hogerberoepschrift gevoegde bijlage 1 onder 1 tot en met 161, geen zicht hebben op de tegenover voormelde percelen op te richten pier en dat hun woningen niet op 100 meter of minder van die percelen zijn gelegen. Onder deze omstandigheden, is het hoger beroep, voor zover door hen ingesteld, niet‑ontvankelijk, omdat zij geen belanghebbenden zijn (vergelijk de uitspraak van het Hof van 9 oktober 2015 in zaak nr. HLAR 69731/14, ECLI:NL:OGHACMB:2015:26).

4. Het besluit van 31 maart 2014 behelst de wijziging van artikel 32 van het Eilandsbesluit onderwaterpark Bonaire in voormelde zin en de inwerkingtreding daarvan per 1 april 2014.

5. Appellanten betogen dat het Gerecht ten onrechte heeft overwogen dat het besluit van 31 maart 2014 geen voor beroep vatbare beschikking behelst, omdat het van algemene strekking is.

5.1

Dat betoog faalt. Het Gerecht heeft met juistheid overwogen dat het
besluit van 31 maart 2014 een algemeen verbindend voorschrift omvat. Indien in een algemeen verbindend voorschrift een gebied is aangewezen, waar een verbod of gebod al dan niet geldt, is die aanwijzing evenzeer een algemeen verbindend voorschrift. Gelet hierop, is artikel 32, aanhef en onder d, van het Eilandsbesluit onderwaterpark Bonaire een algemeen verbindend voorschrift en aldus een besluit van algemene strekking. Het besluit van 31 maart 2014, dat strekt tot de vaststelling en inwerkingtreding van deze bepaling, deelt voor de toepassing van artikel 3, eerste lid, van de WarBES in dat karakter.

6. Appellanten betogen voorts dat het Gerecht, nadat het had overwogen dat tegen het besluit van 31 maart 2014 geen beroep bij het Gerecht kan worden ingesteld, ten onrechte geen aanleiding heeft gezien dat besluit bij de beoordeling van het ingestelde beroep tegen de beschikking van het bestuurscollege van dezelfde dag, waarbij aan derde-belanghebbende vergunning is verleend voor de aanleg van een pier in het water tegenover de percelen 4-D-626 en 4-D-627, zogenoemd exceptief te toetsen.

6.1

Dit betoog faalt evenzeer. Het Gerecht heeft bij de thans in beroep aangevallen uitspraak die beschikking vernietigd, reeds omdat de desbetreffende vergunning was verleend, voordat de wijziging van het Eilandsbesluit onderwaterpark Bonaire, krachtens hetwelk die vergunning is verleend, in werking is getreden. Het heeft voorts besloten dat, gelet hierop en diverse overige omstandigheden in aanmerking genomen, het bestuurscollege opnieuw op het verzoek om verlening van een vergunning dient te beschikken. Onder deze omstandigheden heeft het Gerecht met juistheid volstaan met de vernietiging van de beschikking van 31 maart 2014 op de meest verstrekkende grond.

7. Het hoger beroep, voor zover ingesteld door STCB, Stinapa en de bij het hogerberoepschrift gevoegde bijlage 1 onder 162 genoemde natuurlijke persoon, is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

Het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba:

I. verklaart het hoger beroep, voor zover ingesteld door de 161 natuurlijke personen, genoemd in de bij het hogerberoepschrift gevoegde bijlage 1 onder 1 tot en met 161, niet‑ontvankelijk;

II. bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. E.J. van der Poel, voorzitter, en mr. R.W.L. Loeb en mr. A.W.M. Bijloos, leden, in tegenwoordigheid van mr. B. Jussen, griffier.

w.g. Van der Poel

voorzitter

w.g. Jussen

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 3 juni 2016

Verzonden:

Voor eensluidend afschrift,
de griffier,
voor deze,