Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGHACMB:2016:25

Instantie
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Datum uitspraak
03-06-2016
Datum publicatie
16-06-2016
Zaaknummer
HLAR 77490/15
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing verzoek om vergoeding van kosten van rechtsbijstand.

Schadeplichtigheid onder de Arubaanse Lar bij het niet tijdig beschikken. Rechtspraak HR en ABRvS in dezen niet gevolgd: Gelet op de systematiek van de Lar, zoals deze in Aruba geldt, kan de termijn, waarbinnen een beschikking dient te worden gegeven, evenwel niet alleen worden aangemerkt als een bepaling die ertoe strekt het bestuursorgaan met voortvarendheid te laten beslissen en voor betrokkenen duidelijkheid te scheppen, op welke termijn de beslissing is te verwachten. Het uitblijven van een beschikking binnen de daartoe gestelde wettelijke termijn wordt ingevolge artikel 9, tweede lid, onderscheidenlijk 23, tweede lid, van de Lar gelijkgesteld met een afwijzende beschikking. Onder die omstandigheden is een belanghebbende op straffe van verlies van de mogelijkheid om in rechte tegen het met een afwijzing gelijkgestelde uitblijven op te komen genoopt tegen dat uitblijven rechtsmiddelen aan te wenden, hetgeen kosten van rechtsbijstand met zich kan brengen. In het licht van deze omstandigheden, roept de overschrijding van de wettelijke beslistermijn schadeplichtigheid in het leven.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

HLAR 77490/15

Datum uitspraak: 3 juni 2016

GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE

VAN ARUBA, CURAÇAO, SINT MAARTEN

EN VAN BONAIRE, SINT EUSTATIUS EN SABA

Uitspraak op het hoger beroep van:

de minister van Ruimtelijke Ontwikkeling, Infrastructuur en Integratie,

appellant,

tegen de uitspraak van het Gerecht in eerste aanleg van Aruba van 16 november 2015 in zaak nr. Lar nr. 2531 van 2012 in het geding tussen:

[Belanghebbende]

en

appellant.

Procesverloop

Bij brief van 30 november 2011 heeft [belanghebbende] de minister verzocht om vergoeding van kosten van rechtsbijstand.

Bij beschikking van 26 januari 2012 heeft de minister dat verzoek afgewezen.

Bij beschikking van 11 juli 2012 heeft de minister het door [belanghebbende] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard en de afwijzing gehandhaafd.

Bij uitspraak van 24 april 2013 heeft het Gerecht het door [belanghebbende] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 24 mei 2014 in zaak nr. HLAR 64027/13 heeft het Hof het door [belanghebbende] daartegen ingestelde hoger beroep gegrond verklaard, die uitspraak vernietigd en de zaak naar het Gerecht teruggewezen.

Bij uitspraak van 16 november 2015 heeft het Gerecht het beroep gegrond verklaard, de beschikking van 11 juli 2012 vernietigd, de beschikking van 26 januari 2012 herroepen en aan [belanghebbende] Afl. 500,- aan schadevergoeding toegekend ten laste van het Land.

Tegen deze uitspraak heeft de minister hoger beroep ingesteld.

[Belanghebbende] heeft een verweerschrift ingediend.

Het Hof heeft de zaak ter zitting behandeld op 16 maart 2016, waar de minister, vertegenwoordigd door mr. N.R. Sneek, werkzaam in dienst van het land, en [belanghebbende], vertegenwoordigd door mr. D. Kock, advocaat, zijn verschenen.

Overwegingen

1. De minister betoogt dat het Gerecht heeft miskend dat hij zich in de beschikking van 11 juli 2012 terecht op het standpunt heeft gesteld dat het enkele uitblijven van een beschikking op het door [belanghebbende] tegen de beschikking van 8 oktober 2008 gemaakte bezwaar niet onrechtmatig jegens deze is.

1.1

Ingevolge artikel 20, eerste lid van de Landsverordening administratieve rechtspraak (hierna: de Lar) was de minister gehouden binnen zes weken na de dagtekening van het advies of, indien het advies niet binnen de daarvoor gestelde termijn is ontvangen, binnen zes weken na het verstrijken van die termijn, op het bezwaarschrift te beslissen. Niet in geschil is dat de minister niet binnen die termijn op het bezwaarschrift van [belanghebbende] heeft beschikt. Het niet tijdig geven van een beschikking op het bezwaarschrift van [belanghebbende] is aldus in strijd met voormelde bepaling (vergelijk ABRvS 21 november 2001 in zaak nr. 200004709/1, AB 2002, 183).
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State volgt thans, anders dan voorheen, voor de toepassing van artikel 8:73 (oud) van de Nederlandse Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) de arresten van de Hoge Raad van 22 oktober 2010 (ECLI:NL:HR:2010:BM7040) en 16 september 2011 (ECLI:NL:HR:2011:BQ5980). Daarin is geoordeeld dat de enkele omstandigheid dat een bestuursorgaan een besluit neemt met overschrijding van de daarvoor gestelde wettelijke termijn, onvoldoende is voor het oordeel dat ingevolge artikel 6:162 van het Nederlands Burgerlijk Wetboek aansprakelijkheid bestaat voor schade die eventueel uit die termijnoverschrijding voortvloeit. Voor het aannemen van die aansprakelijkheid zijn bijkomende omstandigheden nodig die meebrengen dat het bestuursorgaan, door pas na het verstrijken van de wettelijke beslistermijn een besluit te nemen, in strijd handelt met de in het maatschappelijk verkeer jegens een belanghebbende in acht te nemen zorgvuldigheid.

1.2

Het Hof ziet aanleiding om de Afdeling daarin niet te volgen. Daartoe overweegt het als volgt. In het arrest van 11 januari 2013 (ECLI:NL:HR:2013:BX7579) heeft de Hoge Raad overwogen dat de in voormeld arrest van 22 oktober 2010 aanvaarde regel, dat de enkele overschrijding van de wettelijke beslistermijn onvoldoende is voor het aannemen van aansprakelijkheid ingevolge artikel 6:162 BW, daarop berust, dat die termijn er in de eerste plaats toe strekt het bestuursorgaan met voortvarendheid te laten beslissen en voor betrokkenen duidelijkheid te scheppen op welke termijn de beslissing is te verwachten. De wettelijke beslistermijn beoogt niet zonder meer om ook te beschermen tegen mogelijke schade die voor een belanghebbende kan ontstaan bij uitblijven van de beslissing binnen die termijn. Het gaat er volgens dit arrest om of de overschrijding van de beslistermijn in het licht van de omstandigheden van het geval al dan niet onzorgvuldig was jegens de betrokkenen. Gelet op de systematiek van de Lar, zoals deze in Aruba geldt, kan de termijn, waarbinnen een beschikking dient te worden gegeven, evenwel niet alleen worden aangemerkt als een bepaling die ertoe strekt het bestuursorgaan met voortvarendheid te laten beslissen en voor betrokkenen duidelijkheid te scheppen, op welke termijn de beslissing is te verwachten. Het uitblijven van een beschikking binnen de daartoe gestelde wettelijke termijn wordt ingevolge artikel 9, tweede lid, onderscheidenlijk 23, tweede lid, van de Lar gelijkgesteld met een afwijzende beschikking. Onder die omstandigheden is een belanghebbende op straffe van verlies van de mogelijkheid om in rechte tegen het met een afwijzing gelijkgestelde uitblijven op te komen genoopt tegen dat uitblijven rechtsmiddelen aan te wenden, hetgeen kosten van rechtsbijstand met zich kan brengen. In het licht van deze omstandigheden, roept de overschrijding van de wettelijke beslistermijn schadeplichtigheid in het leven.
De door [belanghebbende] gestelde schade betreft de kosten van rechtsbijstand die bij hem zijn opgekomen bij het instellen van beroep tegen het uitblijven van een beschikking op het door hem gemaakte bezwaar. Aldus vloeit de gestelde schade voort uit het niet tijdig geven van een beschikking door de minister op het bezwaarschrift van 19 november 2008.
Het betoog faalt.

2. De minister betoogt voorts dat het Gerecht ten onrechte zelf in de zaak heeft voorzien. De minister voert in dit verband aan dat het Gerecht de primaire beschikking niet kon herroepen, dat toch te doen voorbij gaat aan de overweging in de uitspraak van het Hof ten aanzien van een inhoudelijke beoordeling van een zaak in twee rechterlijke instanties, en het Gerecht niet heeft gemotiveerd waarom het tot finale beslechting van het geschil heeft beslist.

2.1

Dat betoog faalt evenzeer. Bij artikel 47, vierde lid, van de Lar is het Gerecht de bevoegdheid gegeven om, bij gehele of gedeeltelijke vernietiging van de in beroep bestreden beslissing, zelf in de zaak voorzien. Bij het uitoefenen van die bevoegdheid komt het Gerecht enige ruimte toe. Het heeft aanleiding gezien om “met het oog op de finale beslechting van het geschil” zelf in de zaak voorziend, de beschikking van de minister van 26 januari 2012 te herroepen en aan [belanghebbende] op zijn verzoek een schadevergoeding toe te kennen van Afl. 500,-. Daarbij heeft het aangesloten bij de bedragen die het toepast ter berekening van te vergoeden proceskosten. Onder deze omstandigheden heeft het Gerecht niet ten onrechte aldus zelf in de zaak voorzien.

3. De minister betoogt voorts dat het Gerecht hem ten onrechte heeft veroordeeld tot vergoeding van de bij [belanghebbende] in beroep en hoger beroep opgekomen proceskosten. In dit verband verwijst de minister naar voormelde uitspraak van het Hof, waarin het heeft overwogen dat voor een proceskostenveroordeling geen grond bestaat. Voorts betrof het geen vernietiging van de bestreden beschikking, aldus de minister.

3.1.

De minister betoogt terecht dat, nu het Hof in voormelde uitspraak heeft overwogen dat voor een proceskostenveroordeling geen grond bestaat, het Gerecht hem ten onrechte heeft veroordeeld tot vergoeding van de bij [belanghebbende] in hoger beroep opgekomen proceskosten. Het betoog slaagt in zoverre. Het betoog dat het Gerecht de minister ten onrechte heeft verwezen in de bij [belanghebbende] in beroep opgekomen proceskosten, omdat het geen vernietiging van de bestreden beschikking betrof, mist feitelijke grondslag, nu het Gerecht de bij hem in beroep bestreden beschikking van 11 juli 2012 heeft vernietigd. Het betoog faalt derhalve voor het overige.

4. Het hoger beroep is in zoverre gegrond. De aangevallen uitspraak dient in zoverre te worden vernietigd en voor het overige te worden bevestigd.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

Het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba:

verklaart het hoger beroep gegrond;

vernietigt de uitspraak van het Gerecht in eerste aanleg van Aruba 16 november 2016 in zaak nr. 2531 van 2012, doch slechts voor zover het Gerecht daarbij de minister heeft verwezen in de bij [belanghebbende] in hoger beroep opgekomen proceskosten;

bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige.

Aldus vastgesteld door mr. E.J. van der Poel, voorzitter, en mr. R.W.L. Loeb en mr. A.W.M. Bijloos, leden, in tegenwoordigheid van mr. B. Jussen, griffier.

w.g. Van der Poel

voorzitter

w.g. Jussen

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 3 juni 2016

Verzonden:

Voor eensluidend afschrift,
de griffier,
voor deze,