Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGHACMB:2016:202

Instantie
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Datum uitspraak
01-12-2016
Datum publicatie
28-11-2018
Zaaknummer
400.00066/16 en H 100/2016
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Invoeren van (bruto) ruim 22 kilogram hennep, ruim 1 kilogram cocaïne, een vuurwapen, een patroonhouder en munitie. In het algemeen is een hogere straf gerechtvaardigd dan de door de eerste rechter opgelegde en door de procureur-generaal gevorderde gevangenisstraf van 45 maanden. Gezien de vordering van de procureur-generaal ziet het Hof echter geen aanleiding om een hogere straf op te leggen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Strafzaken over 2016 | AV

Datum uitspraak: 1 december 2016

Zaaknummer: H 100/2016

Parketnummer: 400.00066/16

Tegenspraak

GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE

van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en

van Bonaire, Sint Eustatius en Saba

S T R A F V O N N I S

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van het Gerecht in eerste aanleg van Bonaire, Sint Eustatius en Saba, zittingsplaats Bonaire, van 22 juni 2016 in de strafzaak tegen de verdachte:

[naam van de verdachte],

geboren op [een datum in het jaar] 1992 in Bonaire,

wonende in Bonaire, [adres],

thans gedetineerd in Bonaire.

Procesgang en onderzoek van de zaak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg van 2 juni 2016, zoals daarvan blijkt uit het proces-verbaal van die terechtzitting, alsmede van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep van 10 november 2016 in Bonaire.

Het Hof heeft kennis genomen van de vordering van de (waarnemend) procureur-generaal, mr. M.L.A. Angela, en van hetgeen door de verdachte en diens raadsman, mr. A.T.C. Nicolaas, naar voren is gebracht.

De procureur-generaal heeft gevorderd dat het Hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen.

In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het onder 1, 2, 3 en 4 ten laste gelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 45 maanden met aftrek van voorarrest.

De verdachte heeft hoger beroep ingesteld.

Vonnis waarvan beroep

Anders dan het Gerecht in eerste aanleg, komt het Hof tot een vrijspraak van het onder 4 ten laste gelegde. Het vonnis waarvan beroep zal om die reden worden vernietigd.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij in of omstreeks de nacht van 20 februari op 21 februari 2016, op het eiland Bonaire, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, al dan niet opzettelijk heeft ingevoerd en/of uitgevoerd en/of doorgevoerd in de zin van artikel 1 lid 2 en/of 1 lid 3 van de Opiumwet 1960 BES, althans vervoerd, in ieder geval in zijn bezit en/of aanwezig heeft gehad (ongeveer) 1058.1 gram, althans een hoeveelheid cocaïne, althans van enige bereiding van cocaïne, zijnde een middel als bedoeld in artikel 1 van de Opiumwet 1960 BES;

2.

hij in of omstreeks de nacht van 20 februari op 21 februari 2016, op het eiland Bonaire, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, al dan niet opzettelijk heeft uitgevoerd en/of ingevoerd en/of doorgevoerd in de zin van artikel 1 lid 2 van de Opiumwet 1960 BES en/of artikel 1 lid 3 van de Opiumwet 1960 BES, althans vervoerd, in ieder geval in zijn bezit en/of aanwezig heeft gehad (ongeveer) 22440.1 gram hennep en/of hasjiesj en/of marihuana, althans een hoeveelheid hennep en/of hasjiesj en/of marihuana, althans van enige gebruikelijke bereiding, waaraan de hars die uit hennep wordt getrokken, ten grondslag ligt, zijnde (een) middel(en) als bedoeld in artikel 1 van de Opiumwet 1960 BES en/of (een) middel(en) als bedoeld in de Regeling van 6 januari 2005 ter uitvoering van art. 3, eerste lid onder f Opiumwet 1960 BES;

3.

hij in of omstreeks de nacht van 20 februari op 21 februari 2016, op het eiland Bonaire, tezamen en in vereniging met een ander(en), althans alleen, al dan niet opzettelijk heeft ingevoerd en/of uitgevoerd en/of doorgevoerd in de zin van artikel 2 Vuurwapenregeling BES en/of voorhanden heeft gehad:

  • -

    een semiautomatisch pistool, kaliber 7.65 merk Pietro Beretta, model 70, althans een (hand)vuurwapen, en/of

  • -

    Patronenhouder voor patronen van het kaliber 7.65, en/of

  • -

    Patronen 2 stuks, met bodemstempel Cavim 7.65mm, in elk geval munitie, en/of

  • -

    1 patroon, met bodemstempel G.F.L. 7.65mm, in elk geval munitie, en/of

  • -

    Patronen 15 stuks, met bodemstempel Cavim 90, in elk geval munitie, en/of

  • -

    Patronen 10 stuks, met bodemstempel CBC 9mm-07, in elk geval munitie, en/of

in elk geval een vuurwapen of (een) ander soortgelijk(e) voor bedreiging of afdreiging geschikt voorwerp en/of munitie in de zin van de Vuurwapenwet BES;

4.

hij in of omstreeks de nacht van 20 februari op 21 februari 2016, op het eiland Bonaire, tezamen en in vereniging met een ander(en), althans alleen, het grondgebied van het openbaar lichaam Bonaire heeft afgeleverd:

- een semiautomatisch pistool, merk Pietro Beretta, model 70, althans een (hand)vuurwapen,

in elk geval een vuurwapen of (een) ander soortgelijk(e) voor bedreiging of afdreiging geschikt voorwerp en/of en/of munitie in de zin van de Vuurwapenwet BES.

Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie

De raadsman heeft primair bepleit dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk zal worden verklaard in de strafvervolging van de verdachte. Hij heeft daartoe aangevoerd dat aan de start van het politieonderzoek slechts een aantal “vage” CIE-meldingen ten grondslag zijn gelegd. De raadsman erkent dat de meldingen als betrouwbaar zijn aangemerkt, maar benadrukt dat onbekend is welke informant welke gegevens onder welke omstandigheden heeft aangedragen en dat de verdediging daardoor niet kan controleren op welke wijze de CIE tot het betrouwbaarheidsoordeel is gekomen. Volgens de raadsman levert de aanleiding van het politieonderzoek, vanwege het ontbreken van andere concrete feiten of omstandigheden, een ernstige schending op van het recht op privacy én het recht op een eerlijk proces.

Het verweer kan niet slagen. De raadsman lijkt te miskennen dat het in verband met bronbescherming voor CIE-informatie kenmerkend is dat niet alle aangedragen informatie wordt gedeeld. Van belang voor deze zaak is slechts of de CIE-informatie in dit geval een voldoende basis vormt voor de inzet van opsporingsbevoegdheden. Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad kan CIE-informatie zo’n basis vormen, indien die informatie concreet van aard en van voldoende gewicht is. Het Hof overweegt dat de informatie in dit geval is vervat in drie meldingen die, in onderling verband en samenhang beschouwd, concreet ingaan op de verboden goederen (drugs en wapens), het tijdstip (de boot was ten tijde van de laatste melding al vertrokken), de handeling (per boot aan land brengen/smokkelen), de plaats (de zuidkust van Bonaire) en de volledige voornamen, achternaam, bijnaam geboortedatum, geboorteplaats van de persoon die de goederen daar zou ophalen (de verdachte [volledige naam van de verdachte], bijgenaamd [bijnaam van de verdachte], geboren op [een datum in het jaar] 1992 op Bonaire). Die informatie is dan ook allesbehalve vaag. Integendeel zelfs: de informatie is naar het oordeel van het Hof zeer concreet en van (meer dan) voldoende gewicht. Dat betekent dat het Hof, anders dan de raadsman, van oordeel is dat de CIE-informatie een voldoende grondslag is voor de start van het onderhavige opsporingsonderzoek. Van een vormverzuim is geen sprake. De rechtmatigheid van de aanhouding van de verdachte en de doorzoeking van de pick-up is dan ook niet in het geding. Voor zover de raadsman heeft aangevoerd dat de gang van zaken onvoldoende inzichtelijk is gemaakt, verwijst het Hof naar de overwegingen van het Gerecht in eerste aanleg (weergegeven op pagina 3 van het vonnis). Hetgeen de raadsman daartegen heeft ingebracht, leidt niet tot een ander oordeel.

Uit het onderzoek ter terechtzitting zijn ook anderszins geen feiten of omstandigheden naar voren gekomen die aan het vervolgingsrecht van het openbaar ministerie in de weg staan. Het openbaar ministerie kan derhalve worden ontvangen in de strafvervolging van de verdachte.

Vrijspraak van het onder 4 ten laste gelegde

Naar het oordeel van het Hof schiet het bewijs tekort om te kunnen vaststellen dat het vuurwapen is afgeleverd binnen het grondgebied van Bonaire. Het Hof zal de verdachte daarom van het onder 4 ten laste gelegde vrijspreken.

Bewezenverklaring

Het Hof acht wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte onder 1, 2 en 3 is ten laste gelegd, met dien verstande dat:

1.

hij in of omstreeks de nacht van 20 februari op 21 februari 2016, op het eiland Bonaire, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, al dan niet opzettelijk heeft ingevoerd en/of uitgevoerd en/of doorgevoerd in de zin van artikel 1 lid 2 en/of 1 lid 3 van de Opiumwet 1960 BES, althans vervoerd, in ieder geval in zijn bezit en/of aanwezig heeft gehad (ongeveer) 1058.1 gram, althans een hoeveelheid cocaïne, althans van enige bereiding van cocaïne, zijnde een middel als bedoeld in artikel 1 van de Opiumwet 1960 BES;

2.

hij in of omstreeks de nacht van 20 februari op 21 februari 2016, op het eiland Bonaire, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, al dan niet opzettelijk heeft uitgevoerd en/of ingevoerd en/of doorgevoerd in de zin van artikel 1 lid 2 van de Opiumwet 1960 BES en/of artikel 1 lid 3 van de Opiumwet 1960 BES, althans vervoerd, in ieder geval in zijn bezit en/of aanwezig heeft gehad (ongeveer) 22440.1 gram hennep en/of hasjiesj en/of marihuana, althans een hoeveelheid hennep en/of hasjiesj en/of marihuana, althans van enige gebruikelijke bereiding, waaraan de hars die uit hennep wordt getrokken, ten grondslag ligt, zijnde (een) middel(en) als bedoeld in artikel 1 van de Opiumwet 1960 BES en/of (een) middel(en) als bedoeld in de Regeling van 6 januari 2005 ter uitvoering van art. 3, eerste lid onder f Opiumwet 1960 BES;

3.

hij in of omstreeks de nacht van 20 februari op 21 februari 2016, op het eiland Bonaire, tezamen en in vereniging met een ander(en), althans alleen, al dan niet opzettelijk heeft ingevoerd en/of uitgevoerd en/of doorgevoerd in de zin van artikel 2 van de Vuurwapenregeling BES en/of voorhanden heeft gehad:

  • -

    een semiautomatisch pistool, kaliber 7.65 merk Pietro Beretta, model 70, althans een (hand)vuurwapen, en/of

  • -

    een patronenhouder voor patronen van het kaliber 7.65, en/of

  • -

    Patronen 2 stuks, met bodemstempel Cavim 7.65mm, in elk geval munitie, en/of

  • -

    1 patroon, met bodemstempel G.F.L. 7.65mm, in elk geval munitie, en/of

  • -

    Patronen 15 stuks, met bodemstempel Cavim 90, in elk geval munitie, en/of

  • -

    Patronen 10 stuks, met bodemstempel CBC 9mm-07, in elk geval munitie, en/of

in elk geval een vuurwapen of (een) ander soortgelijk(e) voor bedreiging of afdreiging geschikt voorwerp en/of munitie in de zin van de Vuurwapenwet BES.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen, zodat de verdachte hiervan zal worden vrijgesproken.

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd (cursief). De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Overneming van het door het Gerecht in eerste aanleg gebezigde bewijs

Het Hof kan zich verenigen met de selectie en waardering van de bewijsmiddelen, die het Gerecht in eerste aanleg tot uitdrukking heeft gebracht in de in het vonnis (op pagina’s 4 tot en met 6) opgenomen vastgestelde feiten en omstandigheden. Het Hof neemt deze over, verwijst daarnaar en legt deze ten grondslag aan zijn bewezenverklaring.

Het Hof vult deze bewijsmiddelen aan met de volgende verklaring, die de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep heeft afgelegd: “Het klopt dat ik [voornaam van medeverdachte 1] (het Hof: medeverdachte [medeverdachte 1]) en [voornaam van medeverdachte 2] (het Hof: medeverdachte [medeverdachte 2]) de avond van tevoren (het Hof: 20 februari 2016) heb afgezet bij de luchthaven en dat zij vervolgens met de boot de zee zijn opgegaan voor de overdracht van spullen. (…) [Medeverdachte 3] zat indertijd in de gevangenis.”1

Het Hof stelt voorts vast dat de verdachte en medeverdachte [medeverdachte 2] op 21 februari 2017 te 07:00 uur zijn aangehouden.2

Bewijsoverwegingen

De raadsman heeft subsidiair de integrale vrijspraak van de verdachte bepleit. Hij heeft daartoe aangevoerd dat het bewijs, ook als geen bewijsuitsluiting volgt vanwege de wijze waarop het politieonderzoek is aangevangen, niet toereikend is om tot enige bewezenverklaring te kunnen komen. Volgens de raadsman was het aandeel van de verdachte zo gering dat van een nauwe en bewuste samenwerking met de anderen niet kan worden gesproken. Nu het openbaar ministerie medeplichtigheid niet ten laste heeft gelegd, moet vrijspraak volgen. Bovendien was het opzet van de verdachte in elk geval niet, ook niet in voorwaardelijke zin, gericht op de invoer van de cocaïne, het vuurwapen, de patroonhouder en de 28 patronen, aldus de raadsman.

In reactie op dit verweer stelt het Hof voorop dat, gelet op hetgeen is overwogen onder het kopje “Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie”, geen aanleiding bestaat voor bewijsuitsluiting.

Ten aanzien van het aandeel dat de verdachte bij de bewezen verklaarde invoer heeft gehad, neemt het Hof de volgende omstandigheden in aanmerking:

  • -

    de verdachte heeft op verzoek van medeverdachte [medeverdachte 3], die op dat moment gedetineerd was, contact gehad met de medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2], die hij op 20 februari 2016 bij de jachthaven heeft afgezet en die vervolgens met een boot de zee zijn opgegaan om de verdovende middelen, het vuurwapen, de patroonhouder en de munitie op te halen;

  • -

    nadat medeverdachte [medeverdachte 3] op 20 februari 2016 aan de verdachte per WhatsApp het bericht heeft gestuurd dat hij het “de mensen voor 11 uur moet laten weten” en dat de verdachte “hem moest bellen”, heeft de verdachte medeverdachte [medeverdachte 1] gebeld;

  • -

    in dat gesprek met medeverdachte [medeverdachte 1] heeft de verdachte onder meer het volgende laten weten: “We hebben al met de kapitein van de andere boot gesproken”;

  • -

    in de vroege ochtend van 21 februari 2016 stond de verdachte met een pick-up klaar om medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] op te halen;

  • -

    medeverdachte [medeverdachte 2] heeft die ochtend een aantal zakken in de pick-up gezet;

  • -

    één van die zakken, waarin marihuana zat, is ter plekke opengesneden;

  • -

    de verdachte heeft dat gezien;

  • -

    medeverdachte [medeverdachte 3] heeft omstreeks 06:24 uur per WhatsApp de volgende berichten naar de verdachte verstuurd: “Er moet met hun en met de vuurwapen gaan” en “Om naar de knoek mee te brengen”;

  • -

    de verdachte en medeverdachte [medeverdachte 2] zijn te 07:00 uur aangehouden;

  • -

    op de achterbank van de pick-up werden door de politie een witte plastic zak met daarin 27 pakketten en een bruine plastic zak met daarin een vuurwapen, patroonhouder en munitie aangetroffen;

  • -

    op de vloer tussen de bestuurdersstoel en de achterbank werden voorts een aantal in een plastic zak gewikkelde pakketten en twee in folie gewikkelde pakketten aangetroffen;

  • -

    één van deze in folie gewikkelde pakketten was opengesneden.

Het Hof is met de procureur-generaal van oordeel dat uit dit geheel van omstandigheden kan worden afgeleid dat de verdachte onderdeel heeft uitgemaakt van een transportgroep en dat het aandeel van de verdachte daarbij bepaald niet kan worden gemarginaliseerd, zoals de verdediging heeft gedaan. De verdachte heeft niet alleen de twee personen die de desbetreffende contrabande aan land hebben gebracht, willen ophalen en wegbrengen, maar heeft ook direct en/of indirect met hen én ten minste een ander lid van de transportgroep (“de kapitein van de andere boot”) contact onderhouden. Het Hof concludeert dat de verdachte de verbinding is geweest tussen medeverdachte [medeverdachte 3] en de leden van de transportgroep, terwijl hij bovendien aan de uitvoering van de invoer heeft meegewerkt door het verdere vervoer voor zijn rekening te (willen) nemen. Naar het oordeel van het Hof heeft de verdachte dan ook een wezenlijke bijdrage geleverd aan de invoer van de verboden goederen. Hij heeft met andere woorden nauw en bewust met zijn medeverdachten samengewerkt.

De verklaring van de verdachte dat hem van tevoren alleen was verteld dat een kleinere hoeveelheid marihuana aan land zou worden gebracht, acht het Hof niet geloofwaardig. Nog daargelaten dat dit alleen al vanwege de wijze van invoer (met onder meer een overdracht op open zee) niet logisch is, wijst het Hof erop dat op geen enkele wijze is gebleken dat de verdachte verbaasd of geschrokken was door de hoeveelheid pakketten die in de pick-up werden geladen. Daar komt bij dat in de laatste berichten die medeverdachte [medeverdachte 3] per WhatsApp aan de verdachte heeft verstuurd, over “de vuurwapen” wordt gesproken.

Het Hof hecht geen geloof aan de verklaring van de verdachte ter terechtzitting dat hij die berichten niet heeft gelezen, omdat hij al was aangehouden. In dit verband wordt in aanmerking genomen dat de verdachte omstreeks 06:21 uur nog WhatsApp-berichten aan medeverdachte [medeverdachte 3] heeft verstuurd, dat de berichten over het vuurwapen omstreeks 06:24 uur binnenkomen en dat de verdachte eerst omstreeks 07:00 uur is aangehouden, terwijl hij de pick-up waarin hij zich bevond met zijn telefoon in de tussentijd niet heeft verlaten. Het Hof houdt het er daarom voor dat de verdachte er op zijn minst op de hoogte van was dat een grote hoeveelheid verdovende middelen en een vuurwapen zouden worden ingevoerd. Het Hof acht dan ook bewezen dat zijn opzet daarop volledig was gericht. Met betrekking tot het voorhanden hebben van het vuurwapen, de patroonhouder en de munitie geldt voorts dat uit het voorgaande volgt dat bij de verdachte een meer of mindere mate van bewustheid bestond ten opzichte deze voorwerpen dat hij daarover een zekere beschikkingsmacht had. Voor zover de verdachte er niet van op de hoogte was dat naast marihuana ook cocaïne zou worden ingevoerd, overweegt het Hof dat het een feit van algemene bekendheid is dat vanuit Venezuela regelmatig cocaïne naar (onder meer) Bonaire wordt verscheept en dat naar algemene ervaringsregels een aanmerkelijk te achten kans bestaat dat zich tussen verdovende middelen en wapens die midden in de nacht op zee worden overgedragen ook cocaïne bevindt. Gelet op dit feit van algemene bekendheid en deze algemene ervaringsregels mag de wetenschap daarvan bij de verdachte worden verondersteld.

De verdachte heeft zich naar het oordeel van het Hof met zijn handelen willens en wetens aan deze aanmerkelijke kans blootgesteld. Door zich niet op enig moment ervan te vergewissen dat de pakketten niet ook cocaïne bevatten heeft hij de aanmerkelijke kans dat dit wel zo was willens en wetens aanvaard. Ten aanzien van de ingevoerde cocaïne geldt dan ook dat het opzet van de verdachte daarop minst genomen in voorwaardelijke zin was gericht.

Bijgevolg wordt het verweer in al zijn onderdelen verworpen.

Strafbaarheid en kwalificatie van het bewezen verklaarde

Het onder 1 bewezen verklaarde is voorzien bij artikel 3, eerste lid, onder A, van de Opiumwet 1960 BES juncto artikel 49, aanhef en onder 1°, van het Wetboek van Strafrecht BES, en strafbaar gesteld in artikel 11, eerste lid, aanhef en onder a, van de Opiumwet 1960 BES. Het onder 1 bewezen verklaarde wordt als volgt gekwalificeerd:

Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met artikel 3, eerste lid, van de Opiumwet 1960 BES.

Het onder 2 bewezen verklaarde is voorzien bij artikel 4, eerste lid, onder A, van de Opiumwet 1960 BES juncto artikel 49, aanhef en onder 1°, van het Wetboek van Strafrecht BES, en strafbaar gesteld in artikel 11, tweede lid, aanhef en onder a, van de Opiumwet 1960 BES. Het onder 2 bewezen verklaarde wordt als volgt gekwalificeerd:

Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met artikel 4, eerste lid, van de Opiumwet 1960 BES.

Het onder 3 bewezen verklaarde is - voor wat betreft het invoeren van het vuurwapen, de patronenhouder en de munitie - voorzien bij artikel 2, eerste lid, van de Vuurwapenregeling BES juncto artikel 2 van de Vuurwapenwet BES en artikel 49, aanhef en onder 1°, van het Wetboek van Strafrecht BES. Voor wat betreft het voorhanden hebben van diezelfde voorwerpen is het voorzien bij artikel 3, eerste lid, van de Vuurwapenwet BES juncto artikel 49, aanhef en onder 1°, van het Wetboek van Strafrecht BES. Zowel het invoeren als het voorhanden hebben is strafbaar gesteld in artikel 11 van de Vuurwapenwet BES. Het onder 3 bewezen verklaarde wordt als volgt gekwalificeerd:

De eendaadse samenloop van medeplegen van overtreding van een verbod gesteld krachtens artikel 2 van de Vuurwapenwet BES, meermalen gepleegd, en medeplegen van overtreding van artikel 3, eerste lid, van een verbod gesteld bij artikel 3, eerste lid, van de Vuurwapenwet BES, meermalen gepleegd.

Het onder 1, 2 en 3 bewezen verklaarde is strafbaar, nu geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid ervan opheffen of uitsluiten.

Strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is strafbaar, nu geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid opheffen of uitsluiten.

Oplegging van straf

Bewezen is verklaard dat de verdachte zich samen met anderen schuldig heeft gemaakt aan de opzettelijke invoer van cocaïne, hennep, een vuurwapen, een patronenhouder en munitie. Ten aanzien van het vuurwapen, de patroonhouder en de munitie is eveneens bewezen verklaard dat hij dat samen met anderen voorhanden heeft gehad.

Het Gerecht in eerste aanleg heeft de verdachte, uitgaande van een bewezenverklaring van alle ten laste gelegd feiten (dus ook van de aflevering van het vuurwapen ten aanzien waarvan een vrijspraak zal volgen), veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 45 maanden met aftrek van voorarrest.

De procureur-generaal heeft zich achter die beslissing geschaard en deze tot zijn eis gemaakt.

De raadsman heeft, bij wijze van een uiterst subsidiair standpunt, bepleit dat aan de verdachte een gevangenisstraf gelijk aan het voorarrest zal worden opgelegd.

Het Hof overweegt als volgt.

Bij de bepaling van de op te leggen straf wordt gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarbij wordt rekening gehouden met de ernst van het bewezen verklaarde in verhouding tot andere strafbare feiten, zoals die onder meer tot uitdrukking komt in de hierop gestelde strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.

Het Hof is met het Gerecht in eerste aanleg en de procureur-generaal van oordeel dat gelet op de ernst van het bewezen verklaarde niet kan worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die een onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt. Daarbij wordt opgemerkt dat bij het invoeren van (bruto) ruim 22 kilogram hennep, ruim 1 kilogram cocaïne, een vuurwapen, een patroonhouder en munitie, in het algemeen een hogere straf is gerechtvaardigd dan is opgelegd door het Gerecht in eerste aanleg en is gevorderd door de procureur-generaal.

Evenals het Gerecht in eerste aanleg en de procureur-generaal, weegt het Hof in het voordeel van de verdachte onder andere mee dat hij niet eerder voor soortgelijke feiten is veroordeeld.

Anders dan het Gerecht in eerste aanleg is het Hof van oordeel dat geen sprake is van een bekennende en meewerkende proceshouding van de verdachte. Het Hof constateert, met de procureur-generaal en de reclassering, dat de verdachte zijn strafbare handelen probeert te minimaliseren. Gezien de strafeis van de procureur-generaal ziet het Hof echter geen aanleiding om een hogere straf op te leggen. In hetgeen over de persoon van de verdachte is gerapporteerd en anderszins uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen, ziet het Hof evenmin aanleiding om een lagere of deels voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen.

Het Hof komt tot de slotsom dat in dit geval de door het Gerecht in eerste aanleg opgelegde en de door de procureur-generaal gevorderde straf passend en geboden is. De verdachte zal daartoe dan ook worden veroordeeld.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is, behalve op de reeds aangehaalde wettelijke voorschriften, gegrond op de artikelen 31, 57 en 60 van het Wetboek van Strafrecht BES.

BESLISSING

Het Hof:

vernietigt het vonnis van het Gerecht in eerste aanleg van Bonaire, Sint Eustatius en Saba, zittingsplaats Bonaire, van 22 juni 2016 en doet opnieuw recht als volgt;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte onder 4 is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;

verklaart bewezen dat de verdachte de onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde feiten, zoals hiervoor bewezen verklaard, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;

kwalificeert het bewezenverklaarde als hiervoor omschreven;

verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en de verdachte daarvoor strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 45 (vijfenveertig) maanden;

bepaalt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht;

Dit vonnis is gewezen door mrs. H.J. Fehmers, E.J. van der Poel en S.A. Carmelia, leden van het Hof, en in tegenwoordigheid van de griffier ter openbare terechtzitting van het Hof in Curaçao uitgesproken op 1 december 2016.

mr. E.J. van der Poel is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

1 Verklaring van de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep van 10 november 2016, zoals die eventueel later - indien tegen dit vonnis beroep in cassatie wordt ingesteld - in het proces-verbaal van die terechtzitting zal worden weergegeven.

2 Proces-verbaal van aanhouding van [naam van de verdachte] d.d. 21 februari 2016 en proces-verbaal van aanhouding van D.H. Luna Colorado d.d. 21 februari 2016, respectievelijk opgenomen als bijlage 11 en 17 in het politiedossier.