Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGHACMB:2016:191

Instantie
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Datum uitspraak
22-11-2016
Datum publicatie
30-08-2017
Zaaknummer
HLAR 77674/15
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vergunning tot verblijf geweigerd.

Vereiste vijf jaar rechtmatig verblijf. Het Hof stelt vast dat de duur van het onafgebroken rechtmatig verblijf van appellante tussen september 2009 en 11 juni 2014 nog geen vijf jaar beslaat en derhalve niet aan dit vereiste wordt voldaan. Voor een belangenafweging als bedoeld op pagina 15 van de Richtlijnen van de minister met betrekking tot de toepassing van de Ltu en het Toelatingsbesluit van mei 2012 is in dit geval geen plaats. Deze belangenafweging ziet op het geval dat een onderbreking van het rechtmatig verblijf eraan in de weg staat dat wordt voldaan aan het vereiste van vijf jaar onafgebroken rechtmatig verblijf in Sint Maarten. Dat doet zich hier niet voor.

Voorts is voor afwijking van de Richtlijnen alleen plaats, indien de toepassing daarvan voor een of meer belanghebbenden gevolgen zou hebben die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met de Richtlijnen te dienen doelen. Het bestuursorgaan dient alle omstandigheden van het geval te betrekken in zijn beoordeling en dient te bezien of deze op zichzelf dan wel tezamen met andere omstandigheden, moeten worden aangemerkt als bijzondere omstandigheden die maken dat het handelen overeenkomstig de beleidsregel gevolgen heeft die onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregel te dienen doelen. Dat appellante sinds 2002 in Sint Maarten woonachtig is en twee van haar drie kinderen alhier zijn geboren, zijn geen bijzondere omstandigheden op grond waarvan de minister van de Richtlijnen had dienen af te wijken.

Geen schending artikel 8 EVRM.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

HLAR 77674/15

Datum uitspraak: 22 november 2016

gemeenschappelijk hof van jusTitie

van aruba, CURAÇAO, SINT MAARTEN

EN VAN BONAIRE, SINT EUSTATIUS EN SABA

Uitspraak op het hoger beroep van:

[…], wonend in Sint Maarten

appellante,

tegen de uitspraak van het Gerecht in eerste aanleg van Sint Maarten van 30 november 2015 in zaak nr. Lar 83/2015, in het geding tussen:

appellante

en

de minister van Justitie van het land Sint Maarten.

Procesverloop

Bij beschikking van 28 juli 2014 heeft de minister een aanvraag van appellante van 11 juni 2014 (hierna: de aanvraag) om verlening van een vergunning tot verblijf afgewezen.

Bij uitspraak van 20 april 2015 heeft het Gerecht het door appellante daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, die beschikking vernietigd en de minister opgedragen binnen acht weken na de datum van deze uitspraak opnieuw op de aanvraag te beslissen met inachtneming van deze uitspraak.

Bij beschikking van 9 juni 2015 heeft de minister de aanvraag opnieuw afgewezen.

Bij uitspraak van 30 november 2015 heeft het Gerecht het door appellante daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak heeft appellante hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

Het Hof heeft de zaak ter zitting behandeld op 11 oktober 2016, waar appellante, vertegenwoordigd door mr. H.S. Kockx, advocaat, en de minister, vertegenwoordigd door mr. A.O. Muller, advocaat, zijn verschenen.

Overwegingen

Artikel 8, eerste lid, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: het EVRM) bepaalt dat een ieder recht heeft op respect voor zijn privéleven en zijn familie- en gezinsleven.
Ingevolge het tweede lid is geen inmenging van enig openbaar gezag in de uitoefening van dit recht toegestaan, dan voor zover bij de wet is voorzien en in een democratische samenleving noodzakelijk is in het belang van de nationale veiligheid, de openbare veiligheid of het economisch welzijn van het land, het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden, of voor de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen.
Ingevolge artikel 6, derde lid, van de Landsverordening toelating en uitzetting (hierna: de Ltu) wordt een vergunning tot verblijf voor onbepaalde tijd afgegeven.
Ingevolge artikel 4, eerste lid, van het Landsbesluit houdende algemene maatregelen ter uitvoering van de Ltu (hierna: het Toelatingsbesluit) zijn aan vergunningen tot verblijf voorwaarden verbonden.
Volgens paragraaf 3.1.5 van de Richtlijnen van de minister met betrekking tot de toepassing van de Ltu en het Toelatingsbesluit van mei 2012 (hierna: de Richtlijnen) is de overheid van oordeel dat een vreemdeling, die gedurende een onafgebroken rechtmatig verblijf van minstens vijf jaar in Sint Maarten woonachtig geweest is en nadien zijn hoofdverblijf niet buiten het land heeft gevestigd, in die periode met de samenleving van Sint Maarten zodanig vergroeid is geraakt, dat het niet langer verlenen van een verblijfsvergunning dan wel het verlenen van een vergunning met het verbod tot werken een onevenredige hardheid met zich brengt. Aan de betrokken vreemdeling dient dan ook een vergunning tot verblijf te worden verleend, welke voorzien is van een aantekening waaruit blijkt dat aan die vergunning geen beperkingen zijn verbonden.

In de beschikking van 9 juni 2015 heeft de minister zich op het standpunt gesteld dat appellante van september 2009 tot 14 augustus 2013 onafgebroken rechtmatig verblijf heeft gehad. Op 14 augustus 2013 is de geldigheidsduur verstreken van de aan appellante verleende vergunning tot tijdelijk verblijf met als doel arbeid in loondienst. Op 11 juni 2014 heeft zij de aanvraag ingediend tot verlening van de vergunning tot verblijf. In de periode van 14 augustus 2013 tot 11 juni 2014 heeft appellante geen rechtmatig verblijf gehad. Derhalve voldoet zij niet aan het vereiste dat zij vijf jaar onafgebroken rechtmatig verblijf in Sint Maarten heeft gehad en komt zij niet in aanmerking voor verlening van een vergunning tot verblijf. Dat de werkgever van appellante ervoor gekozen heeft om niet langer een tewerkstellingsvergunning voor appellante aan te vragen en de daaruit voortvloeiende illegale tewerkstelling en onrechtmatig verblijf komen voor rekening van appellante, aldus de minister.

Het Gerecht heeft in de aangevallen uitspraak overwogen dat het begrijpt dat appellante op zichzelf niet weerspreekt dat zij niet kan bogen op vijf jaar onafgebroken rechtmatig verblijf in Sint Maarten, maar er bijzondere omstandigheden zijn op grond waarvan van de Richtlijnen moet worden afgeweken en de minister heeft nagelaten naar deze bijzondere omstandigheden nader onderzoek te verrichten, zoals is opgenomen in de overwegingen van de uitspraak van 20 april 2015. De door appellante aangevoerde omstandigheden dat haar rechtmatig verblijf is afgebroken omdat haar werkgever ondanks haar aansporingen geen tewerkstellingsvergunning heeft aangevraagd en zij tijdens haar gedeeltelijk rechtmatig verblijf in Sint Maarten met haar kinderen een leven heeft opgebouwd, zijn volgens het Gerecht niet zodanig bijzonder dat de minister van de Richtlijnen had moeten afwijken. Daarbij heeft het Gerecht overwogen dat het verzaken van de werkgever onverlet laat dat appellante een eigen risico en verantwoordelijkheid blijft dragen ten aanzien van de rechtmatigheid van het verblijf en werk. Gelet op de door de minister gemaakte afwegingen zou het verrichten van nader onderzoek aan de beschikking van 9 juni 2015 niet afdoen. In beroep is immers door appellante niet aangevoerd welke bijzondere feiten en omstandigheden bij de gemaakte afweging buiten beschouwing zijn gelaten, aldus het Gerecht.

Appellante betoogt onder verwijzing naar haar pleitnotities van 26 oktober 2015 dat de vaststelling van het Gerecht dat de termijn van vijf jaar onafgebroken rechtmatig verblijf niet wordt gehaald, onjuist is. Voorts betoogt zij dat het Gerecht niet heeft onderkend dat de beschikking van 9 juni 2015 niet is genomen met in achtneming van de uitspraak van 20 april 2015. Ook heeft het Gerecht ten onrechte overwogen dat het verzaken van haar werkgever om een tewerkstellingsvergunning aan te vragen voor haar rekening en risico komt. Zij heeft juist haar verantwoordelijkheid genomen door de aanvraag in te dienen, nu het haar niet vrij stond om van werkgever te veranderen, aldus appellante. Zij woont thans 14 jaar in Sint Maarten, heeft drie minderjarige kinderen waarvan twee in Sint Maarten zijn geboren, is hard werkend, belastingbetalend en van goed gedrag. Gezien de omstandigheden van het geval had de minister een belangenafweging moeten maken. Daarbij verwijst appellante naar pagina 15 van de Richtlijnen, waar wordt vermeld dat een onderbreking van het rechtmatig verblijf (een zogenoemd verblijfsgat) proportioneel wordt gehanteerd, aan de hand van de verblijfsperiode, een belangenafweging alsmede de omstandigheden van het geval.

4.1.

Appellante heeft in haar pleitnotities van 26 oktober 2015 betoogd dat zij van september 2009 tot een beslissing op de aanvraag wordt gegeven, onafgebroken rechtmatig verblijf heeft gehad in Sint Maarten. Appellante wordt in dit betoog niet gevolgd. Uit de Richtlijnen volgt dat op het moment van het indienen van een aanvraag om verlening van een vergunning tot verblijf de periode van vijf jaar onafgebroken rechtmatig in Sint Maarten moet zijn voltooid. Het Hof stelt vast dat, zelfs indien het verzaken van haar werkgever en de daardoor ontstane onderbreking van het rechtmatig verblijf in de periode 14 augustus 2013 en 11 juni 2014 niet voor rekening en risico van appellante wordt gebracht, de duur van het onafgebroken rechtmatig verblijf van appellante tussen september 2009 en 11 juni 2014 nog geen vijf jaar beslaat en derhalve niet aan dit vereiste wordt voldaan.

4.2.

Voor een belangenafweging als bedoeld op pagina 15 van de Richtlijnen is in dit geval geen plaats. Deze belangenafweging ziet op het geval dat een onderbreking van het rechtmatig verblijf eraan in de weg staat dat wordt voldaan aan het vereiste van vijf jaar onafgebroken rechtmatig verblijf in Sint Maarten. Dat doet zich hier niet voor. Immers, ook indien de onderbreking van het rechtmatig verblijf niet aan appellante wordt tegengeworpen, wordt de termijn van vijf jaar onafgebroken rechtmatig verblijf niet gehaald.

4.3.

Voorts is voor afwijking van de Richtlijnen alleen plaats, indien de toepassing daarvan voor een of meer belanghebbenden gevolgen zou hebben die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met de Richtlijnen te dienen doelen. Het bestuursorgaan dient alle omstandigheden van het geval te betrekken in zijn beoordeling en dient te bezien of deze op zichzelf dan wel tezamen met andere omstandigheden, moeten worden aangemerkt als bijzondere omstandigheden die maken dat het handelen overeenkomstig de beleidsregel gevolgen heeft die onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregel te dienen doelen.
Volgens paragraaf 3.1.5 van de Richtlijnen is de betrokken vreemdeling na vijf jaar onafgebroken rechtmatig verblijf in Sint Maarten zodanig met de samenleving van Sint Maarten vergroeid, dat het niet langer verlenen van een verblijfsvergunning dan wel het verlenen van een vergunning met het verbod tot werken een onevenredige hardheid met zich brengt.
Dat appellante sinds 2002 in Sint Maarten woonachtig is en twee van haar drie kinderen alhier zijn geboren, zijn geen bijzondere omstandigheden op grond waarvan de minister van de Richtlijnen had dienen af te wijken. Appellante wist immers dat haar verblijf tot september 2009 niet rechtmatig was, zodat de in die periode opgebouwde band met de samenleving van Sint Maarten geheel voor haar rekening en risico dient te blijven. Dat appellante in de periode van september 2009 tot 11 juni 2014 verder met de samenleving van Sint Maarten vergroeid is geraakt, maakt haar niet anders dan andere vreemdelingen die vóór het verstrijken van de in de Richtlijnen neergelegde periode van vijf jaar onafgebroken rechtmatig verblijf reeds met de samenleving van Sint Maarten zijn vergroeid.

4.4.

Het betoog faalt.

5. Appellante betoogt voorts dat het Gerecht haar beroepsgronden dat de beschikking van 9 juni 2015 in strijd is met artikel 8 van het EVRM onbesproken heeft gelaten. Het niet verlenen van een vergunning tot verblijf betekent een inmenging in de uitoefening van haar rechten als bedoeld in dit artikel, die niet noodzakelijk is in verband met de in het tweede lid genoemde omstandigheden.

5.1.

Zoals het Hof eerder heeft overwogen (uitspraak van 3 juni 2016, ECLI:NL:OGHACMB:2016:36) volgt uit de jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens - onder meer de arresten Rodrigues da Silva en Hoogkamer tegen Nederland van 31 januari 2006, nr. 50435/99, Osman tegen Denemarken van 14 juni 2011, nr. 38058/09, Nunez tegen Noorwegen van 28 juni 2011, nr. 55597/09, en Butt tegen Noorwegen van 4 december 2012, nr. 47017/09, (hierna: het arrest Butt) (www.echr.coe.int), dat bij de belangenafweging in het kader van het door artikel 8 van het EVRM beschermde recht op respect voor het privéleven onderscheidenlijk het familie- en gezinsleven een 'fair balance' moet worden gevonden tussen het belang van de betrokken vreemdeling en diens familie enerzijds en het algemeen belang van Sint Maarten dat is gediend met het voeren van een restrictief toelatingsbeleid anderzijds. Daarbij moeten alle voor die belangenafweging van betekenis zijnde feiten en omstandigheden kenbaar worden betrokken.

5.2.

De rechter dient te beoordelen of de minister alle relevante feiten en omstandigheden in zijn belangenafweging heeft betrokken en, indien dit het geval is, of de minister zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat die afweging heeft geresulteerd in een "fair balance" tussen enerzijds het belang van de vreemdeling bij de uitoefening van het privéleven en familie- en gezinsleven in Sint Maarten en anderzijds het algemeen belang van de samenleving van Sint Maarten bij het voeren van een restrictief toelatingsbeleid. Deze maatstaf impliceert dat de toetsing door de rechter enigszins terughoudend dient te zijn.

5.3.

In rechtsoverweging 3.2 van de aangevallen uitspraak heeft het Gerecht opgenomen dat appellant heeft aangevoerd dat de beschikking van 9 juni 2015 in strijd is met artikel 8 van het EVRM. Vervolgens heeft het Gerecht in rechtsoverweging 3.8 getoetst of de door de minister in dit geval verrichte belangenafweging stand houdt, waarbij het Gerecht heeft betrokken dat appellante en haar kinderen in de periode dat appellante in het bezit was van een verblijfsvergunning in enige mate zijn geworteld en een familieleven hebben opgebouwd. Hoewel het Gerecht artikel 8 van het EVRM in die overweging niet expliciet heeft genoemd, heeft het aldus met in achtneming van alle relevante feiten en omstandigheden beoordeeld of de minister zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de aanvraag kon worden afgewezen.

5.4.

In dit verband overweegt het Hof in aanvulling op de door het Gerecht gegeven overwegingen dat uit het arrest Butt kan worden afgeleid dat zwaarwegende redenen van migratiebeleid in beginsel aanleiding zijn het gedrag van de ouder(s) van een vreemdeling aan de desbetreffende vreemdeling toe te rekenen, in verband met het risico dat ouders gebruikmaken van de positie van hun kinderen om een verblijfsrecht te verkrijgen. Indien de desbetreffende vreemdeling dan wel diens ouder(s) konden - althans hadden moeten - weten dat het verblijfsrecht van die vreemdeling onzeker was, bestaat slechts onder bijzondere omstandigheden reden voor de conclusie dat op grond van artikel 8 van het EVRM een verplichting bestaat tot het laten voortzetten van het privéleven onderscheidenlijk familie- en gezinsleven.

5.5.

Appellante wist dat haar verblijf en het verblijf van haar kind(eren) in Sint Maarten van 2002 tot september 2009 niet rechtmatig was. Voorts wist zij dat het rechtmatig verblijf van september 2009 tot 11 juni 2014 van tijdelijke aard was. De worteling van appellante en haar kinderen die daarvan het gevolg is geweest, is geen bijzondere omstandigheid op grond waarvan de verplichting bestaat dat zij hun privéleven en familie- en gezinsleven in Sint Maarten moeten kunnen voortzetten. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat appellante ter zitting heeft verklaard dat haar kinderen net als zijzelf de Grenadaanse nationaliteit bezitten en zij met appellante zullen terugkeren naar Grenada. Niet is gesteld dat onoverkomelijke of bijzondere obstakels bestaan om zich in Grenada te vestigen.
Gelet op het voorgaande heeft het Gerecht terecht geen grond gevonden voor het oordeel dat de voor de door de minister te verrichten belangenafweging van betekenis zijnde feiten en omstandigheden grond bieden voor het oordeel dat de afwijzing van de aanvraag een schending inhoudt van artikel 8 van het EVRM.

5.6.

Het betoog faalt.

6. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient, met verbetering van de gronden waarop deze rust, te worden bevestigd.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

8. Beslissing

Het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. E.J. van der Poel, voorzitter, en mr. A.W.M. Bijloos en mr. J.E.M. Polak, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.J.C. Beerse, griffier.

w.g. Van der Poel

voorzitter

w.g. Beerse

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 22 november 2016

Verzonden: 22 november 2016