Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGHACMB:2016:190

Instantie
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Datum uitspraak
22-11-2016
Datum publicatie
30-08-2017
Zaaknummer
HLAR 77894/16
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vergunning tot tijdelijk verblijf geweigerd.

Het beroep op artikel 8 EVRM faalt. Het Gerecht heeft terecht overwogen dat de minister zich in dit geval niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de zeer sterke banden met Sint Maarten en het ontbreken van, dan wel de beperkte banden van appellant met Haïti, niet opwegen tegen de aard en ernst van de strafbare feiten die appellant op meerderjarige leeftijd heeft gepleegd en waarvoor hij is veroordeeld. Daarbij neemt het Hof in aanmerking dat de minister ter zitting heeft verklaard dat de samenleving van Sint Maarten klein is en de misdrijven die appellant heeft gepleegd daarbinnen veel effect hebben gehad.

Het beroep op het gelijkheidsbeginsel faalt. Uit rechtsoverweging 5.1 van de door appellant genoemde uitspraak van het Hof van 17 juni 2016 (ECLI:NL:OGHACMB:2016:43) blijkt immers dat de minister in die zaak onweersproken heeft gesteld dat hij met name de duur van het rechtmatig verblijf van de genoemde vreemdelingen van negen onderscheidenlijk tien jaar in aanmerking heeft genomen. Niet in geschil is dat appellant alleen van maart 2011 tot maart 2012 rechtmatig verblijf in Sint Maarten heeft gehad en hij in dat jaar de strafbare feiten heeft gepleegd waarvoor hij is veroordeeld. Van gelijke of gelijk te stellen gevallen die niettemin verschillend zijn behandeld is derhalve geen sprake.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

HLAR 77894/16

Datum uitspraak: 22 november 2016

gemeenschappelijk hof van jusTitie

van aruba, CURAÇAO, SINT MAARTEN

EN VAN BONAIRE, SINT EUSTATIUS EN SABA

Uitspraak op het hoger beroep van:

[…], wonend in Haïti,
appellant,

tegen de uitspraak van het Gerecht in eerste aanleg van Sint Maarten van 16 december 2015 in zaak nr. LAR 65 van 2015 in het geding tussen:

appellant

en

de minister van Justitie van het land Sint Maarten.

Procesverloop

Bij beschikking van 14 mei 2015 heeft de minister een aanvraag van appellant om verlening van een vergunning tot tijdelijk verblijf afgewezen.

Bij uitspraak van 16 december 2015 heeft het Gerecht het door appellant daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak heeft appellant hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

Het Hof heeft de zaak ter zitting behandeld op 14 oktober 2016, waar appellant, vertegenwoordigd door mr. D.C. Daal, advocaat, en de minister, vertegenwoordigd door mr. A.O. Muller, advocaat, zijn verschenen.

Overwegingen

Ingevolge artikel 8, eerste lid, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: het EVRM) heeft een ieder recht op respect voor zijn familie- en gezinsleven.
Ingevolge het tweede lid is geen inmenging van enig openbaar gezag in de uitoefening van dit recht toegestaan, dan voor zover bij de wet is voorzien en in een democratische samenleving noodzakelijk is in het belang van de nationale veiligheid, de openbare veiligheid of het economisch welzijn van het land, het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden, of voor de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen.
Ingevolge artikel 6, eerste lid, van de Landsverordening toelating en uitzetting (hierna: de Ltu) wordt, behalve de in de artikelen 1 en 3 vermelde personen, niemand in Sint Maarten toegelaten zonder vergunning tot tijdelijk verblijf of tot verblijf.
Ingevolge artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, kan de vergunning tot tijdelijk verblijf door of namens de minister worden geweigerd met het oog op de openbare orde of het algemeen belang, waaronder economische redenen mede worden begrepen.

Appellant wenst het geschil in volle omvang aan het Hof voor te leggen en verzoekt daarom al hetgeen in eerste aanleg is gesteld en betoogd als herhaald en ingelast te beschouwen.

2.1.

In hoger beroep is de aangevallen uitspraak voorwerp van geschil. Het herhalen en inlassen van al hetgeen in eerste aanleg is gesteld en betoogd, zonder dat is gemotiveerd dat en waarom het Gerecht niet tot het in de aangevallen uitspraak gegeven oordeel heeft kunnen komen, biedt geen grond voor vernietiging van de aangevallen uitspraak.

3. Het Gerecht heeft overwogen dat de minister zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat uit artikel 8 van het EVRM geen positieve verplichting voortvloeit om appellant verblijf in Sint Maarten toe te staan. Daarbij heeft de minister volgens het Gerecht terecht in aanmerking genomen dat appellant sinds zijn geboorte op 9 mei 1991 in Sint Maarten heeft gewoond en moet worden geacht zeer sterke banden met Sint Maarten te hebben, maar zijn privéleven onderscheidenlijk familie- en gezinsleven is ontstaan in een periode dat zijn ouders – wier handelen of nalaten in beginsel aan appellant kan worden tegengeworpen – wisten of althans behoorden te weten, dat zijn verblijfssituatie onzeker was. Voorts heeft appellant in het jaar van maart 2011 tot maart 2012 dat hij in het bezit was van een verblijfsvergunning drie gewapende en gewelddadige overvallen gepleegd, waarvoor hij bij onherroepelijk vonnis van 18 september 2012 is veroordeeld tot een gevangenisstraf van zes jaar. De minister heeft ook van belang kunnen achten dat appellant meerderjarig was toen hij de misdrijven pleegde. Appellant is (ten tijde van de aangevallen uitspraak) 24 jaar oud en heeft niet gestaafd dat er tussen hem en zijn familieleden ‘more than the normal emotional ties’ bestaan. De benodigde steun van familie bij het verschaffen van onderdak en inkomen gaat onvoldoende uit boven de gebruikelijke familiebanden. Verder heeft de minister bij zijn afweging mogen betrekken dat voor appellant geen objectieve belemmeringen bestaan het gezins- en familieleven in Haïti uit te oefenen, aldus het Gerecht.

3.1.

Appellant betoogt dat het Gerecht niet heeft onderkend dat uit de jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: het EHRM; onder meer het arrest A.A. tegen het Verenigd Koninkrijk van 20 september 2011, nr. 8000/08, www.echr.coe.int) volgt dat in zijn geval het bestaan van familieleven tussen hem en zijn ouders moet worden aangenomen, omdat hij gedurende zijn hele leven tot aan zijn detentie bij zijn ouders in Sint Maarten heeft gewoond, financieel van hen afhankelijk is en hij zelf nog geen gezin heeft gesticht. Verder waren zijn ouders niet afhankelijk van zijn verblijfsrecht en bestond er geen risico op misbruik, als bedoeld in het arrest van het EHRM in de zaak Butt tegen Noorwegen van 4 december 2012, nr. 7017/09 (www.echr.coe.int), zodat hun handelen of nalaten ten onrechte aan appellant is tegengeworpen. Hij heeft zijn hele leven in Sint Maarten gewoond, hij heeft het eiland nooit verlaten en heeft alleen in Sint Maarten sociale opvang. Hij heeft de strafbare feiten op relatief jonge leeftijd gepleegd en is op 3 december 2015 vervroegd in vrijheid gesteld. Onder deze omstandigheden biedt zijn strafblad onvoldoende grond om zijn aanvraag om verlening van een vergunning tot tijdelijk verblijf af te wijzen, aldus appellant.

3.2.

Uit de arresten A.A. en Butt volgt dat een vreemdeling als appellant moet worden geacht zeer sterke banden met Sint Maarten te hebben, indien hij sinds zijn geboorte in Sint Maarten heeft verbleven. In dit geval is voorts van belang dat de ouders van appellant in het bezit zijn van een verblijfsrecht in Sint Maarten en niet het risico bestaat dat zij gebruikmaken van de positie van appellant om een verblijfsrecht te verkrijgen. Voorts is niet in geschil dat appellant totdat hij naar dat land is verwijderd nimmer in Haïti heeft verbleven en geen dan wel beperkte banden met dat land heeft. Het voorgaande is echter niet doorslaggevend.
Het Gerecht heeft terecht overwogen dat de minister zich in dit geval niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de zeer sterke banden met Sint Maarten en het ontbreken van, dan wel de beperkte banden van appellant met Haïti, niet opwegen tegen de aard en ernst van de strafbare feiten die appellant op meerderjarige leeftijd heeft gepleegd en waarvoor hij is veroordeeld. Daarbij neemt het Hof in aanmerking dat de minister ter zitting heeft verklaard dat de samenleving van Sint Maarten klein is en de misdrijven die appellant heeft gepleegd daarbinnen veel effect hebben gehad. Voorts neemt het Hof in aanmerking dat appellant aansluitend aan zijn vervroegde invrijheidstelling op 3 december 2015 in vreemdelingenbewaring is gesteld en is verwijderd naar Haïti. Appellant is thans een volwassen meerderjarige man van 26 jaar oud en niet is met gegevens of bescheiden gestaafd dat hij zich in Haïti niet kan handhaven.
Het betoog faalt.

4. Het Gerecht heeft voorts overwogen dat de minister erkent dat in het verleden vergunningen tot tijdelijk verblijf zijn verleend aan personen die, net als appellant, gedetineerd waren wegens het plegen van ernstige strafbare feiten, maar hij onweersproken heeft toegelicht dat te vrijgevige verleningen al langere tijd niet meer voorkomen en de gedragslijn op dit punt bestendig is bijgesteld. Derhalve kan het beroep van appellant op het gelijkheidsbeginsel niet slagen, aldus het Gerecht.

4.1.

Appellant betoogt dat het Gerecht ten onrechte zijn beroep op het gelijkheidsbeginsel heeft verworpen. Daartoe verwijst hij naar de uitspraak van het Hof van 17 juni 2016 (ECLI:NL:OGHACMB:2016:43), waarin is opgenomen dat bij onderscheiden beschikkingen van 23 mei 2013, 5 februari 2015 en 5 juni 2015 aan twee met naam genoemde vreemdelingen die gedetineerd zijn geweest vergunningen tot tijdelijk verblijf zijn verleend.

4.2.

Het Hof stelt vast dat in ieder geval nog op 5 juni 2015 aan een vreemdeling die in Sint Maarten gedetineerd is geweest een vergunning tot tijdelijk verblijf is verleend en de door de minister zogenoemde periode van al te vrijgevige verleningen in ieder geval tot die datum heeft voortgeduurd. De stelling van de minister dat die periode ten tijde van de beschikking van 14 mei 2015 reeds was beëindigd en die gedragslijn bestendig was bijgesteld kan derhalve niet leiden tot verwerping van het beroep op het gelijkheidsbeginsel.
Niettemin komt het Hof met het Gerecht tot het oordeel dat dat beroep faalt. Uit rechtsoverweging 5.1 van de door appellant genoemde uitspraak van het Hof van 17 juni 2016 blijkt immers dat de minister in die zaak onweersproken heeft gesteld dat hij met name de duur van het rechtmatig verblijf van de genoemde vreemdelingen van negen onderscheidenlijk tien jaar in aanmerking heeft genomen. Niet in geschil is dat appellant alleen van maart 2011 tot maart 2012 rechtmatig verblijf in Sint Maarten heeft gehad en hij in dat jaar de strafbare feiten heeft gepleegd waarvoor hij is veroordeeld. Van gelijke of gelijk te stellen gevallen die niettemin verschillend zijn behandeld is derhalve geen sprake. Daarbij neemt het Hof voorts in aanmerking dat appellant in beroep noch hoger beroep heeft gesteld dat de overige door hem in beroep genoemde gevallen feitelijk niet van zijn geval verschillen. Het Gerecht heeft in het beroep op het gelijkheidsbeginsel derhalve terecht, zij het op onjuiste gronden, geen aanleiding gevonden voor gegrondverklaring van het beroep.
Het betoog faalt.

5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient, met verbetering van de gronden waarop deze rust, te worden bevestigd.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

Het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. E.J. van der Poel, voorzitter, en mr. A.W.M. Bijloos en mr. J.E.M. Polak, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.J.C. Beerse, griffier.

w.g. Van der Poel

voorzitter

w.g. Beerse

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 22 november 2016

Verzonden: 22 november 2016