Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGHACMB:2016:180

Instantie
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Datum uitspraak
07-12-2016
Datum publicatie
29-08-2017
Zaaknummer
HLAR 79719/16
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Appellant heeft tegen de beschikking van 20 augustus 2014 geen bezwaar gemaakt en niet is gebleken van feiten of omstandigheden die tot het oordeel leiden dat hem dat redelijkerwijs niet kan worden verweten. Derhalve heeft het Gerecht het door hem ingestelde beroep terecht niet-ontvankelijk verklaard. Zie ook de uitspraak van 18 december 2009, ECLI:NL:OGHNAA:2009:BM9980.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

HLAR 79719/16

Datum uitspraak: 7 december 2016

gemeenschappelijk hof van jusTitie

van aruba, CURAÇAO, SINT MAARTEN

EN VAN BONAIRE, SINT EUSTATIUS EN SABA

Uitspraak op het hoger beroep van:

[…], wonend in Aruba,

appellant,

tegen de uitspraak van het Gerecht in eerste aanleg van Aruba van 13 juni 2016 in zaak nr. LAR 661 van 2015 in het geding tussen:

appellant

en

de Inspecteur der Invoerrechten en Accijnzen.

Procesverloop

Bij beschikking van 20 augustus 2014 heeft de Inspecteur de entrepotvergunning van de eenmanszaak […] (hierna: de eenmanszaak) met onmiddellijke ingang ingetrokken.

Bij beschikking van 17 september 2014 heeft de Inspecteur het door mevrouw […], in haar hoedanigheid van directeur van Easy Cargo Aruba Logistics & Enterprises VBA (hierna: ECALE VBA) daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 13 juni 2016 heeft het Gerecht het door appellant daartegen ingestelde beroep niet-ontvankelijk verklaard.

Tegen deze uitspraak heeft appellant hoger beroep ingesteld.

De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

Het Hof heeft de zaak ter zitting behandeld op 14 oktober 2016, waar appellant, vertegenwoordigd door zijn gemachtigde mr. S. Maduro, en de Inspecteur, bijgestaan door mr. V.M. Emerencia, werkzaam bij de Directie Wetgeving en Juridische Zaken, zijn verschenen.

Overwegingen

Het Gerecht heeft overwogen dat het beroep niet-ontvankelijk is, omdat niet is gebleken dat bezwaar is gemaakt door of namens de eenmanszaak. Voorts heeft het Gerecht ten overvloede overwogen dat de Inspecteur het bezwaarschrift van 22 augustus 2014 niet‑ontvankelijk had moeten verklaren, nu dit niet is ingediend door of namens de eenmanszaak, maar door ECALE VBA, die ten aanzien van de intrekking van de entrepotvergunning van de eenmanszaak geen belanghebbende is als bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de Landsverordening administratieve rechtspraak (hierna: de Lar).

Appellant betoogt dat ECALE VBA de eenmanszaak heeft overgenomen en de bedrijfsactiviteiten heeft voortgezet en dit met zich brengt dat ECALE VBA namens hem bezwaar heeft gemaakt.

2.1.

De entrepotvergunning is op 28 februari 2006 aan appellant verstrekt op naam van de eenmanszaak. Blijkens een uittreksel van de Kamer van Koophandel en Nijverheid van Aruba van 13 augustus 2014 is de eenmanszaak op 12 maart 2014 opgeheven. Voorts is in de aan de entrepotvergunning verbonden voorwaarden onder “VIII Beëindiging van de entrepotvergunning”, onder a, opgenomen dat de entrepotvergunning niet kan worden overgedragen aan derden. Dat ECALE VBA de bedrijfsactiviteiten van de eenmanszaak heeft voortgezet, brengt derhalve niet met zich dat daarmee de entrepotvergunning is overgegaan naar ECALE VBA en die rechtspersoon mede namens appellant bezwaar heeft gemaakt tegen de beschikking van 20 augustus 2014 tot intrekking van die vergunning. Ook als civielrechtelijk tussen de betrokken private partijen is geregeld, dat de rechten naar ECALE VBA zijn overgegaan wordt dat niet anders, omdat een dergelijke civielrechtelijke regeling niet kan afdoen aan de bedoelde in 2006 aan de vergunning verbonden voorwaarde. Van de geldigheid van die voorwaarde moet in dit geding worden uitgegaan, reeds omdat niet is gesteld of gebleken dat tegen die vergunningsvoorwaarde destijds binnen de daarvoor geldende termijn is opgekomen.

2.2.

Zoals het Hof eerder heeft overwogen (onder meer uitspraak van 18 december 2009, ECLI:NL:OGHNAA:2009:BM9980), kan ingevolge artikel 23, eerste lid, van de Lar, geen beroep worden ingesteld door een belanghebbende, aan wie redelijkerwijs kan worden verweten dat hij geen bezwaar heeft gemaakt. Appellant heeft tegen de beschikking van 20 augustus 2014 geen bezwaar gemaakt en niet is gebleken van feiten of omstandigheden die tot het oordeel leiden dat hem dat redelijkerwijs niet kan worden verweten. Derhalve heeft het Gerecht het door hem ingestelde beroep terecht niet-ontvankelijk verklaard.
Het betoog faalt.

3. Het hoger beroep is ongegrond. Hetgeen appellant voor het overige in het hoger beroepschrift heeft aangevoerd behoeft geen bespreking. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

Het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. E.J. van der Poel, voorzitter, en mr. A.W.M. Bijloos en mr. J.E.M. Polak , leden, in tegenwoordigheid van mr. M.J.C. Beerse, griffier.

w.g. Van der Poel

voorzitter

w.g. Beerse

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 7 december 2016

Verzonden: 7 december 2016