Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGHACMB:2016:179

Instantie
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Datum uitspraak
22-12-2016
Datum publicatie
29-08-2017
Zaaknummer
HLAR 79718/16
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Beschikking niet onzorgvuldig voorbereid. Nu appellanten blijkens het verslag vrijwel alle vragen verschillend van elkaar hebben beantwoord heeft het Gerecht terecht overwogen dat het hoofd van de DBSB zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat daaruit blijkt dat appellanten elkaar nauwelijks kennen en het huwelijk tussen appellanten niet is gericht op de vervulling van de door de wet aan de huwelijkse staat verbonden verplichtingen, maar een schijnhuwelijk is.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

HLAR 79718/16

Datum uitspraak: 22 december 2016

gemeenschappelijk hof van jusTitie

van aruba, CURAÇAO, SINT MAARTEN

EN VAN BONAIRE, SINT EUSTATIUS EN SABA

Uitspraak op het hoger beroep van:

1. appellant, en

2. […], appellante,

(hierna gezamenlijk: appellanten),

tegen de uitspraak van het Gerecht in eerste aanleg van Aruba van 23 mei 2016 in zaak nr. LAR 800 van 2015 in het geding tussen:

appellanten

en

het hoofd van de Dienst Burgerlijke Stand en Bevolkingsregister (hierna: de DBSB).

Procesverloop

Bij beschikking van 24 april 2014 heeft het hoofd van de DBSB het verzoek van appellanten om hun op 7 januari 2011 in Colombia gesloten huwelijk in te schrijven in het bevolkingsregister afgewezen.

Bij beschikking van 5 maart 2015 heeft de minister het door appellanten daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 23 mei 2016 heeft het Gerecht het door appellanten daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak hebben appellanten hoger beroep ingesteld.

Het hoofd van de DBSB heeft een verweerschrift ingediend.

Het Hof heeft de zaak ter zitting behandeld op 14 oktober 2016, waar appellanten, vertegenwoordigd door mr. P.M.E. Mohamed, advocaat, en het hoofd van de DBSB, vertegenwoordigd door mr. J.M.A.M. Ponsioen, werkzaam bij de Dienst Wetgeving en Juridische Zaken, zijn verschenen.

Overwegingen

Ingevolge artikel 1, eerste lid, van de Landsverordening op het aanleggen en bijhouden van het bevolkingsregister, worden de voorschriften omtrent het aanleggen, inrichten en bijhouden van bevolkingsregisters en het doen der daartoe vereiste opgaven aan hen, die met het aanhouden der bevolkingsregisters zijn belast, bij landsbesluit, houdende algemene maatregelen vastgesteld.
Ingevolge artikel 22, negende lid, van het krachtens voormelde bepaling vastgestelde Landsbesluit bevolkingsregister wordt een gegeven omtrent een persoon niet ingeschreven, indien het hoofd van het DBSB van oordeel is dat dat gegeven in strijd is met de goede zeden of de openbare orde.

Het hoofd van de DBSB heeft zich op het standpunt gesteld dat het huwelijk van appellanten niet is gericht op de vervulling van de door de wet aan de huwelijkse staat verbonden verplichtingen, maar dit tot doel heeft appellant toelating te verschaffen in Aruba en inschrijving van een zogenoemd schijnhuwelijk in strijd is met de openbare orde en goede zeden. Appellanten hebben een vragenlijst ingevuld en hun is op 24 maart 2014 een interview afgenomen, waarvan een op ambtseed/ambtsbelofte opgemaakt verslag (hierna: het verslag) is gemaakt. Door appellanten zijn tegenstrijdige verklaringen afgelegd over hun eerste ontmoeting, het aanzoek, de huwelijksvoltrekking, de dagelijkse gang van zaken en recente activiteiten. Naar aanleiding hiervan heeft het hoofd van de DBSB geconcludeerd dat appellanten elkaar nauwelijks kennen.

Het Gerecht heeft overwogen dat het hoofd van de DBSB zich op goede gronden op het standpunt heeft gesteld dat het huwelijk van appellanten een schijnhuwelijk is. Naar het oordeel van het Gerecht biedt de enkele stelling van appellanten dat door taalproblemen mogelijk communicatiestoornissen zijn opgetreden tijdens het interview geen grond voor het oordeel dat het door het hoofd van de DBSB verrichte onderzoek onzorgvuldig is geweest en de onderzoeksresultaten niet objectief zijn. Appellanten hebben niet toegelicht op welke onderdelen de gegeven antwoorden niet juist zijn weergegeven. Daarbij heeft het Gerecht in aanmerking genomen dat het hoofd van de DBSB onweersproken heeft gesteld dat de interviewer ook Spaans spreekt. Voorts blijkt uit het verslag dat appellant gericht en gedetailleerd antwoord heeft gegeven op de aan hem gestelde vragen.

Appellanten klagen dat het Gerecht is voorbijgegaan aan het feit dat zij niet meteen na het sluiten van het huwelijk een verzoek tot inschrijving in het bevolkingsregister daarvan hebben gedaan en dit aantoont dat hun huwelijk niet is gesloten met het oogmerk om zo snel mogelijk een verblijfsvergunning voor appellant te verkrijgen. Voorts is appellante zoveel mogelijk naar Colombia gereisd om appellant te bezoeken, wat maakt dat een affectieve relatie tussen hen bestaat. Voorts hebben zij vanaf de laatste aankomst van appellant in Aruba tot op heden samengewoond, terwijl dat bij een schijnhuwelijk nimmer het geval is, aldus appellanten.

4.1.

Dat appellanten niet meteen na het sluiten van het huwelijk hebben verzocht om inschrijving daarvan in het bevolkingsregister biedt geen grond voor het oordeel dat het hoofd van de DBSB het verslag ten onrechte aan de afwijzing van het verzoek ten grondslag heeft gelegd en het verslag die afwijzing niet kan dragen. Voorts hebben appellanten hetgeen in hoger beroep is aangevoerd over de reizen van appellante naar Colombia en de samenwoning van appellanten in Aruba niet met bewijsstukken gestaafd. In hoger beroep is verder onbestreden gebleven dat de interviewer ook Spaans spreekt. Het Gerecht heeft derhalve terecht overwogen dat de door appellanten gestelde taalproblemen geen aanleiding geven voor het oordeel dat het door het hoofd van de DBSB verrichte onderzoek onzorgvuldig is geweest en de onderzoeksresultaten niet objectief zijn. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat het hoofd van de DBSB ter zitting van het Hof onbestreden heeft toegelicht dat bij gebleken taalproblemen de interviewer zou zijn overgegaan tot het spreken van Spaans. Appellanten hebben verder in hoger beroep geen argumenten naar voren gebracht die aanleiding geven voor het oordeel dat het Gerecht ten onrechte heeft overwogen dat appellanten niet aannemelijk hebben gemaakt dat de in het verslag vastgelegde antwoorden onjuist zijn weergegeven. Nu appellanten blijkens het verslag vrijwel alle vragen verschillend van elkaar hebben beantwoord heeft het Gerecht terecht overwogen dat het hoofd van de DBSB zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat daaruit blijkt dat appellanten elkaar nauwelijks kennen en het huwelijk tussen appellanten niet is gericht op de vervulling van de door de wet aan de huwelijkse staat verbonden verplichtingen, maar een schijnhuwelijk is. Het Gerecht heeft derhalve terecht geen grond gevonden voor het oordeel dat het hoofd van de DBSB ten onrechte heeft geweigerd het huwelijk in te schrijven in het bevolkingsregister.
De klacht faalt.

5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

Het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. E.J. van der Poel, voorzitter, en mr. A.W.M. Bijloos en mr. J.E.M. Polak, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.J.C. Beerse, griffier.

w.g. Van der Poel

voorzitter

w.g. Beerse

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 22 december 2016

Verzonden: 22 december 2016