Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGHACMB:2016:170

Instantie
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Datum uitspraak
24-11-2016
Datum publicatie
13-06-2017
Zaaknummer
H 123/2016
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Steekpartij in Curaçao in de ochtend van Nieuwsjaardag 2016.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Strafzaken over 2016 | AV

Datum uitspraak: 24 november 2016

Zaaknummer: H 123/2016

Parketnummer: 500.00002/16

Tegenspraak

GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE

van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en

van Bonaire, Sint Eustatius en Saba

S T R A F V O N N I S

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao van 3 november 2016 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren op [datum in het jaar] 1965 in Curaçao,

wonende in Curaçao, [adres],

thans gedetineerd in het huis van bewaring in Curaçao.

Procesgang en onderzoek van de zaak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg van 20 april 2016, zoals daarvan blijkt uit het proces-verbaal van die terechtzitting, alsmede van het onderzoek op de terechtzittingen in hoger beroep van 8 september 2016 en 3 november 2016 in Curaçao.

Het Hof heeft kennisgenomen van de vordering van de (waarnemend) procureur-generaal, mr. M.L.A. Angela, en van hetgeen door de verdachte en diens raadsman, mr. R.J.M. Lodewijks, naar voren is gebracht. Voorts heeft het hof kennisgenomen van hetgeen de benadeelde partij [benadeelde partij 1] in het kader van haar vordering tot schadevergoeding naar voren heeft gebracht.

De procureur-generaal heeft gevorderd dat het Hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen.

In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het onder 1 impliciet primair (moord) en onder 2 primair impliciet primair (poging tot moord) ten laste gelegde vrijgesproken. Ter zake van het onder 1 impliciet subsidiair (doodslag) en onder 2 primair impliciet subsidiair (poging tot doodslag) ten laste gelegde is de verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 jaren met aftrek van voorarrest. Voorts zijn de vorderingen van de benadeelde partijen [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2] beschouwd als een gezamenlijk ingediende vordering, die vervolgens is toegewezen tot een bedrag van NAf 3.780,07 met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel aan de verdachte.

De verdachte heeft hoger beroep ingesteld.

Vonnis waarvan beroep

Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep en met de redengeving waarop dit berust, behoudens ten aanzien van wijze waarop de voegingen van de benadeelde partijen is beoordeeld. Voorts kan het hof zich niet verenigen met hetgeen ten aanzien van de strafbaarheid van de bewezen verklaarde feiten en de strafbaarheid van de verdachte is overwogen. Ook zal het hof, in verband met hetgeen de verdediging in hoger beroep naar voren heeft gebracht, de strafmotivering aanvullen.

Strafbaarheid van de bewezen verklaarde feiten en van de verdachte

De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep nogmaals bepleit dat de verdachte zal worden ontslagen van alle rechtsvervolging. De raadsman heeft daartoe aangevoerd dat de verdachte een beroep op noodweerexces toekomt. De verdachte heeft in zijn optiek uit verdediging gehandeld en vervolgens de grenzen van die verdediging overschreden ten gevolge van een hevige gemoedsbeweging die door de eerdere aanranding was veroorzaakt.

Het Hof overweegt als volgt.

Bij de beoordeling van het beroep op noodweerexces worden de volgende feiten en omstandigheden in aanmerking genomen.1

- De verdachte is in de ochtend van de Nieuwsjaarsdag van 2016 verwikkeld geraakt in een conflict met de latere slachtoffers, genaamd [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2]. Dat conflict is omstreeks 08:16 uur begonnen. [Slachtoffer 2] is toen op de verdachte afgelopen om hem vervolgens met het bovenlijf aan te stoten.2

- De verdachte is vervolgens van [slachtoffer 2] weggelopen en is bij een elektriciteitskast gaan staan. [Slachtoffer 2] heeft zich vervolgens weer - dit keer verbaal en op afstand - tot de verdachte gericht.3 De verdachte heeft verklaard dat [slachtoffer 2] op dat moment tegen hem heeft gezegd dat hij moest weggaan en dat mannen niet smeken. De verdachte heeft daarop gezegd dat [slachtoffer 2] “zijn kont moest gaan wassen”.4

- [ [Slachtoffer 1] is omstreeks 08:18 uur naast [slachtoffer 2] gaan staan en heeft toen handgebaren naar de verdachte gemaakt.5 De verdachte heeft daarover verklaard dat [slachtoffer 1] tegen hem zei dat hij moest kalmeren en weg moest gaan omdat er anders iets zou gebeuren. De verdachte heeft tegen [slachtoffer 1] gezegd dat hij met [slachtoffer 2] moest gaan praten, omdat [slachtoffer 2] problemen zocht.

Tijdens de daaropvolgende woordenwisseling werd de verdachte naar eigen zeggen door [slachtoffer 2] vreselijk beledigd.6

- [ [Slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] zijn vervolgens omstreeks 08:19 uur op de verdachte afgelopen. [Slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] zijn aan respectievelijk de rechterzijde en de linkerzijde van de verdachte gaan staan. De woordenwisseling duurde ondertussen voort. De verdachte is vervolgens van [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] weggelopen, achteruit het wegdek op. Nadat [slachtoffer 2] eerst [slachtoffer 1] heeft tegengehouden, zijn zij vervolgens samen op de verdachte afgelopen. De verdachte heeft [de hand van slachtoffer 2] weggeduwd. Een paar seconden later heeft de verdachte zich omgedraaid om vervolgens - met de rug naar [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] toe - een mes te pakken, zich weer om te draaien en een zwaaiende beweging in de richting van [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] te maken.7

- De verdachte heeft over die momenten onder meer het volgende verklaard: “Toen ik mij omkeerde […] greep [bijnaam] (het Hof: [bijnaam] is de bijnaam van [slachtoffer 2]) mij bij mijn rechterschouder vast. Ik had een mes in mijn broeksband ter hoogte van de linkerzijde van mijn heup gepakt en heb [bijnaam] hiermee twee keer ter hoogte van zijn bovenlijf gestoken. Vervolgens heeft […] [slachtoffer 1] […] mij met zijn vuist een harde klap […] toegediend. Ik heb veel pijn gevoeld en heb [slachtoffer 1] […] met hetzelfde mes […] gestoken.”8

- De verdachte is vervolgens met het mes nog in de richting van [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] gelopen.9 Volgens de verdachte was de reden daarvan dat iets verderop een volle ton met lege flessen stond; hij wilde voorkomen dat zij een lege fles naar hem zouden gooien.10

- De verdachte heeft verklaard dat [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] geen voorwerp in hun handen hebben gehad. Hij dacht dat hij door hen met de handen zou worden aangevallen en heeft daarom zo gereageerd.11

- De verdachte heeft voorts verklaard dat hij vier whisky’s had gedronken.12

- De verdachte heeft verklaard dat hij in het jaar 2010 of 2011 zwaar is mishandeld en dat hij sinds die tijd heeft besloten bij uitgaansgelegenheden een mes bij zich te dragen.13

De verdachte heeft - op de vraag waarom hij niet eerder naar huis is gegaan - tijdens de eerste politieverhoren geantwoord dat hij dacht dat het niet zo erg uit de hand zou lopen, dat het bovendien een openbare plek was en dat hij ook van de eerste dag van het jaar wilde genieten.14

Tegen de achtergrond van deze feiten en omstandigheden constateert het Hof allereerst dat de verdachte, ondanks een dreigende sfeer, bij de elektriciteitskast is blijven staan en er kennelijk voor heeft gekozen om - in plaats van zich daaraan te onttrekken - de woordenwisseling met [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] voort te zetten.

Dat maakt echter niet dat de verdachte zich op dat moment per se aan deze bedreigende situatie had moeten onttrekken. De constatering geeft daarentegen wel kleuring aan de daaropvolgende fase van het conflict: de fase waarin [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] naar de verdachte zijn toegekomen. Anders dan de procureur-generaal is het Hof van oordeel dat in die fase sprake is geweest van een onmiddellijk dreigend gevaar voor een aanranding van verdachtes lijf. Voor het hof is onvoldoende duidelijk geworden of de verdachte toen nog altijd de reële mogelijkheid had om zich aan dat dreigende gevaar te onttrekken. Vanwege die onduidelijkheid neemt het Hof net als het Gerecht in eerste aanleg aan dat de verdachte zich in een noodweersituatie bevond, dat wil zeggen dat voor hem de noodzaak tot verdediging bestond.

De verdachte heeft, zo heeft ook de verdediging toegegeven, de grenzen van een noodzakelijke verdediging overschreden. Het standpunt van de verdediging is dat die overschrijding het onmiddellijk gevolg is van een hevige gemoedsbeweging die door de dreigende aanranding is veroorzaakt. Het Hof volgt de verdediging daarin niet. Het Hof is van oordeel dat niet aannemelijk is geworden dat de gedragingen van de verdachte het onmiddellijk gevolg waren van een hevige gemoedsbeweging, die is veroorzaakt door de dreigende aanranding. In zoverre volgt het Hof het Gerecht in eerste aanleg. Het Hof leidt uit de hiervoor omschreven feiten en omstandigheden af dat de door de dreigende aanranding veroorzaakte gemoedsbeweging niet van doorslaggevend belang is geweest voor de verweten gedragingen. Mede gezien de mate waarin de grenzen van de noodzakelijke verdediging zijn overschreden, meent het Hof dat die gedragingen in overwegende mate zijn terug te voeren op een emotie die voortvloeit uit de omstandigheid dat hij eerder het slachtoffer is geworden van een mishandeling, al dan niet in combinatie met de uitwerking van de genuttigde alcoholische drank.

Gelet op het voorgaande strandt het beroep op noodweerexces.

Opmerking verdient nog dat het Hof, anders dan het Gerecht in eerste aanleg, van oordeel is dat deze redenering voor zowel de bewezen verklaarde doodslag als de bewezen verklaarde poging tot doodslag opgaat. Het tijdsverloop tussen deze feiten is naar het oordeel van het Hof zo kort dat de conclusie niet is gerechtvaardigd dat de aan [slachtoffer 1] toegebrachte messteken in de kern aanvallend zijn geweest.

Uit het onderzoek ter terechtzitting zijn ook anderszins geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de bewezen verklaarde feiten dan wel de strafbaarheid van de verdachte opheffen of uitsluiten.

Aanvullende strafmotivering

De raadsman heeft, bij wijze van subsidiair standpunt, bepleit dat zal worden volstaan met een mildere straf dan door het Gerecht in eerste aanleg is opgelegd en door de procureur-generaal is gevorderd. Ook dit strafmaatverweer slaagt niet. Het Hof overweegt in dat verband dat bij een bewezenverklaring van een doodslag en een poging tot doodslag in het algemeen een hogere straf aangewezen is dan de opgelegde en gevorderde gevangenisstraf voor de duur van 12 jaren.

Het Hof is van oordeel dat de strafverminderende omstandigheden, die de raadsman bij pleidooi naar voren heeft gebracht, daarin in voldoende mate zijn verdisconteerd. Het Hof is dan ook tot de slotsom gekomen dat de door het Gerecht in eerste aanleg opgelegde en door de procureur-generaal gevorderde straf een juiste reactie vormt op de bewezen verklaarde feiten.

Vorderingen van de benadeelde partijen

Anders dan het Gerecht in eerste aanleg meent het Hof dat op basis van het voegingsrapport niet zonder meer kan worden opgemaakt dat de benadeelde partijen [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2] de bedoeling hebben gehad om gezamenlijk een vordering tot schadevergoeding in te dienen. De wet voorziet ook niet in die mogelijkheid.

In het voegingsrapport, dat door een medewerker van Stichting Slachtofferhulp Curaçao is opgemaakt, bevinden zich twee machtigingsbrieven.

De eerste machtigingsbrief is afkomstig van de benadeelde partij [benadeelde partij 1]. Zij is een tante van slachtoffer [slachtoffer 1] en heeft twee maatschappelijk werkers van de Stichting Slachtofferhulp Curaçao gemachtigd om haar te vertegenwoordigen en een opgave te doen van de inhoud van haar vordering tot schadevergoeding. Een van die maatschappelijk werkers, namelijk mevrouw [naam maatschappelijk werker] heeft haar ook ter terechtzitting vertegenwoordigd. Een expliciete opgave voor de schade die zij heeft geleden, is niet gedaan. Uit de bijlagen volgt evenwel dat zij de volgende schade heeft geleden:

  • -

    begrafeniskosten ter hoogte van NAf 4.725,37 (bijlage 1);

  • -

    kosten ter hoogte van NAf 233,77 betaald aan de begrafenisondernemer (bijlage 2);

  • -

    kosten ter hoogte van NAf 375,-- voor het transport naar de kerk en kosten ter hoogte van NAf 116,60 voor een afscheidsbloem en een boek (bijlage 3);

  • -

    kosten ter hoogte van NAf 134,20 voor kinderkleding (bijlage 5);

  • -

    kosten ter hoogte van NAf 38,16 voor een overlijdensadvertentie (bijlage VII)

Ten aanzien van de volgende kosten blijkt het niet expliciet, maar kan dat in redelijkheid worden aangenomen:

  • -

    kosten ter hoogte van NAf 225,-- voor eten en service van [naam] (bijlage 9);

  • -

    kosten ter hoogte van NAf 265,38 en NAf 17,70 voor eten (bijlage 11 en 12);

  • -

    kosten ter hoogte van NAf 12,26 voor mint en drinken (bijlage 13);

  • -

    kosten ter hoogte van NAf 15,-- voor telefoonkosten (bijlage 13).

Ter terechtzitting in eerste aanleg is naar voren gebracht dat de verzekeringsmaatschappij in totaal een bedrag van NAf 4.000,-- heeft uitgekeerd. Het Hof constateert voorts dat de kosten omschreven in bijlage 4, tevens zijn opgenomen in de factuur van de begrafeniskosten van bijlage 1. Daarom laat het Hof, anders dan het Gerecht in eerste aanleg, bijlage 4 buiten beschouwing. Gelet op dit een en ander stelt het Hof vast dat de benadeelde partij [benadeelde partij 1] opgave heeft willen doen van een schade van in totaal NAf 2.158,44.

De tweede machtigingsbrief is afkomstig van de benadeelde partij [benadeelde partij 2]. Hij is de vader van slachtoffer [slachtoffer 1] en heeft voornoemde [benadeelde partij 1] gemachtigd om hem te vertegenwoordigen en een opgave te doen van de inhoud van zijn vordering. Een expliciete opgave is niet gedaan. Het Hof leidt uit het voegingsrapport af dat [benadeelde partij 1] de schade van [slachtoffer 1] aldus heeft willen opgeven. Uit de bijlagen volgt dat hij de schade, bestaande uit de kosten ter hoogte van NAf 55,10 voor de huur van stoelen, heeft gedragen (bijlage 8). Voorts kan ten aanzien van de volgende kosten in redelijkheid ook worden aangenomen dat hij die heeft gedragen:

  • -

    kosten ter hoogte van NAf 186,-- en NAf 75,-- voor herenkleding (bijlage VI);

  • -

    kosten ter hoogte van NAf 15,90 voor een herenshirt (bijlage 10).

Het Hof stelt op grond hiervan vast dat de benadeelde partij [benadeelde partij 2] opgave heeft willen doen van een schade van in totaal NAf 276,90.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het Hof gebleken dat zowel de benadeelde partij [benadeelde partij 1] als de benadeelde partij [benadeelde partij 2] schade heeft geleden ten gevolge van de onder 1 bewezen verklaarde doodslag.

Met betrekking tot de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 1] is genoegzaam komen vast te staan dat zij materiële schade heeft geleden tot een bedrag van NAf 1.924,67. Deze kosten komen voor vergoeding in aanmerking en de verdachte is tot die vergoeding gehouden, zodat de vordering in zoverre toewijsbaar is.

Het meer gevorderde bestaat uit de kosten omschreven in het betalingsbewijs dat als bijlage 2 is opgenomen. Voor het Hof is onduidelijk geworden waaruit deze kosten bestaan en of deze kosten een onderdeel vormen van de factuur die als bijlage 1 is opgenomen. Om die reden wordt de benadeelde partij in zoverre in de vordering niet-ontvankelijk verklaard.

Met betrekking tot de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 2] is genoegzaam komen vast dat hij alle gevorderde materiële schade heeft geleden. De totale kosten van NAf 276,90 komen voor vergoeding in aanmerking en de verdachte is tot die vergoeding gehouden. De vordering is dan ook toewijsbaar.

De proceskosten van de benadeelde partijen, tot op heden begroot op nihil, zullen ten laste van de verdachte worden gebracht.

Het Hof ziet aanleiding om - ter meerdere zekerheid van de betaling aan de benadeelde partijen - schadevergoedingsmaatregelen, als bedoeld in artikel 1:78 van het Wetboek van Strafrecht op te leggen.

BESLISSING:

Het Hof:

bevestigt het vonnis van het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao van 20 april 2016 met inachtneming van het hiervoor overwogene, behoudens ten aanzien van de beslissingen op de vordering van de benadeelde partij en de opgelegde schadevergoedingsmaatregel, en doet in zoverre opnieuw recht als volgt;

wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij [benadeelde partij 1] geleden schade tot een bedrag van NAf 1.924,67 (zegge: duizend negenhonderdenvierentwintig gulden en zevenenzestig cent) aan materiële schade en veroordeelt de verdachte tot betaling van dit bedrag;

verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering;

veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil;

legt aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting aan het Land ten behoeve van voormelde benadeelde partij te betalen een bedrag van NAf 1.924,67 (zegge: duizend negenhonderdenvierentwintig gulden en zevenenzestig cent), en beveelt dat bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal van dit bedrag vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 38 (achtendertigdagen), met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft;

verstaat dat betaling aan de benadeelde partij tevens geldt als betaling aan het Land ten behoeve van de benadeelde partij en omgekeerd;

wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij [benadeelde partij 2] geleden schade tot een bedrag van NAf 276,90 (zegge: tweehonderd zesenzeventig gulden en negentig cent) aan materiële schade en veroordeelt de verdachte tot betaling van dit bedrag;

veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil;

legt aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting aan het Land ten behoeve van voormelde benadeelde partij te betalen een bedrag van NAf 276,90 (zegge: tweehonderd zesenzeventig gulden en negentig cent), en beveelt dat bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal van dit bedrag vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 5 (vijf dagen), met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft;

verstaat dat betaling aan de benadeelde partij tevens geldt als betaling aan het Land ten behoeve van de benadeelde partij en omgekeerd.

Dit vonnis is gewezen door mr. H. de Doelder, mr. D. Radder en mr. T.E. van der Spoel, leden van het Hof, en in tegenwoordigheid van de griffier ter openbare terechtzitting van het Hof in Curaçao uitgesproken op 24 november 2016.

mr. H. de Doelder en mr. D. Radder zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

1 Hierna wordt, tenzij anders vermeld, verwezen naar het in het vonnis vermelde einddossier.

2 Proces-verbaal van bevinding videobeelden d.d. 24 januari 2016, pagina 54.

3 Proces-verbaal van bevinding videobeelden d.d. 24 januari 2016, pagina 54; eigen waarneming van het Hof ter terechtzitting van 3 november 2016, zoals die eventueel later - indien tegen dit vonnis beroep in cassatie wordt ingesteld - in het proces-verbaal van die terechtzitting zal worden weergegeven.

4 Proces-verbaal van 5e verhoor verdachte [naam verdachte] d.d. 22 januari 2016, pagina 94.

5 Proces-verbaal van bevinding videobeelden d.d. 24 januari 2016, pagina 54.

6 Proces-verbaal van 5e verhoor verdachte [naam verdachte] d.d. 22 januari 2016, pagina 94 en 95.

7 Proces-verbaal van bevinding videobeelden d.d. 24 januari 2016, pagina 55; proces-verbaal van 5e verhoor verdachte [naam verdachte] d.d. 22 januari 2016, pagina 95.

8 Proces-verbaal van 2e verhoor verdachte d.d. 1 januari 2016, pagina 83.

9 Proces-verbaal van bevinding videobeelden d.d. 24 januari 2016, pagina 55.

10 Proces-verbaal van 5e verhoor verdachte [naam verdachte] d.d. 22 januari 2016, pagina 95.

11 Proces-verbaal van 5e verhoor verdachte [naam verdachte] d.d. 22 januari 2016, pagina 95.

12 Verklaring van de verdachte ter terechtzitting in eerste aanleg d.d. 20 april 2016, zoals weergegeven op pagina 3 van het proces-verbaal dat van die terechtzitting is opgemaakt.

13 Proces-verbaal van 2e verhoor verdachte d.d. 1 januari 2016, pagina 84; proces-verbaal van 4e verhoor verdachte d.d. 6 januari 2016, pagina 91.

14 Proces-verbaal van 2e verhoor verdachte d.d. 1 januari 2016, pagina 84; proces-verbaal van verhoor verdachte [naam verdachte] d.d. 3 januari 2016, pagina 88.