Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGHACMB:2016:17

Instantie
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Datum uitspraak
15-03-2016
Datum publicatie
03-05-2016
Zaaknummer
KG 74900/15 - H 391/15
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

SVB: Naheffing griffierecht. Bodembeslag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Burgerlijke zaken over 2016 Vonnis no.:

Registratienummer: KG 74900/15 - H 391/15

Uitspraak: 15 maart 2016

GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE

van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en

van Bonaire, Sint Eustatius en Saba

V O N N I S

in kort geding in de zaak van:

de openbare rechtspersoon

DE SOCIALE VERZEKERINGSBANK,

gevestigd in Curaçao,

oorspronkelijk gedaagde,

thans appellante,

gemachtigde: mr. R.A.P.H. Pols,

tegen

de besloten vennootschap

MANRIQUE CAPRILES & SONS B.V.,

gevestigd in Curaçao,

oorspronkelijk eiseres,

thans geïntimeerde,

gemachtigde: mr. S.M. Saleh.

De partijen worden hierna de SVB en MCS genoemd.

1 Het verloop van de procedure

1.1

Bij akte van appel van 9 oktober 2015 is de SVB in hoger beroep gekomen van het tussen partijen in kort geding gewezen en op 18 september 2015 uitgesproken vonnis van het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao (verder: GEA).

1.2

Bij op 30 oktober 2015 ingekomen memorie van grieven heeft de SVB één grief tegen het vonnis aangevoerd en toegelicht. Haar conclusie strekt ertoe dat het Hof het vonnis zal vernietigen en de vorderingen van MCS alsnog zal afwijzen, met veroordeling van MCS in de proceskosten in beide instanties, uitvoerbaar bij voorraad, en te voldoen binnen twee dagen na betekening van het te wijzen vonnis.

1.3

Bij memorie van antwoord heeft MCS de grief bestreden. Haar conclusie strekt ertoe dat het Hof het bestreden vonnis zal bevestigen, met veroordeling van de SVB in de proceskosten in hoger beroep.

1.4

Op de daarvoor nader bepaalde dag heeft de SVB een pleitnota ingediend. MCS heeft daarvan afgezien. Vonnis is gevraagd en bepaald op heden.

2 De beoordeling

2.1

Voorshands gaat het Hof uit van het volgende. Op 15 september 2014 heeft de SVB bodembeslag doen leggen op een aantal roerende zaken die zich op de bodem bevonden van de besloten vennootschap Kliniek Dr. J. Taams B.V. in Curaçao (hierna: de Taamskliniek). Onder de in beslag genomen zaken bevonden zich drie echo-apparaten van het type Toshiba Aplio 400. Voor deze apparaten heeft Toshiba Medical Systems Europe te Zoetermeer, Nederland, op 27 maart 2014 driemaal € 56.804,92 gefactureerd aan MCS.

Het bodembeslag is gelegd, omdat de Taamskliniek niet had voldaan aan betalingsbevelen ter zake van dwangschriften voor invorderbare bedragen en kosten van:

NAf 622.036,91 + NAf 110.001,63 + NAf 560.558,02 = NAf 1.292.596,56.

2.2

In dit kort geding heeft het GEA op vordering van MCS voornoemd het bodembeslag op de drie apparaten opgeheven, de SVB verboden de apparaten te executeren (uit te winnen) of er nieuwe beslagen op te leggen en de SVB bevolen te gehengen en te gedogen dat MCS de apparaten ophaalt, op straffe van verbeurte van dwangsommen. Dienovereenkomstige beslissingen heeft het GEA gegeven met betrekking tot een op 16 september 2014 door de Ontvanger op deze apparaten gelegd bodembeslag. De Ontvanger was in eerste aanleg medegedaagde en is in dit hoger beroep geen procespartij.

2.3

Het hoger beroep strekt ertoe dat de vorderingen van MCS alsnog worden afgewezen, met de kennelijke bedoeling dat de SVB de drie apparaten alsnog zal kunnen uitwinnen. De griffier stelt zich op het standpunt dat de SVB daarom een direct geldelijk belang heeft dat kan worden gewaardeerd op minimaal NAf 200.000,00 (ongeveer de helft van de nieuwwaarde van de apparaten), en dat daarom het vast recht moet worden getaxeerd op:

2 x 1% x NAf 200.000,00 = NAf 4.000,00.

Er is reeds NAf 900,00 geheven en betaald. Er dient dus NAf 3.100,00 te worden nageheven.

2.4

De SVB zal in de gelegenheid worden gesteld binnen zes weken na heden, dus uiterlijk op 26 april 2016, NAf 3.100,00 aan nageheven griffierecht te betalen. Indien dit niet tijdig gebeurt, leidt dit in beginsel ertoe dat het hoger beroep alsnog vervalt. De zaak zal naar de rol worden verwezen voor akte uitlating griffierecht aan de zijde van appellant. Indien appellant tijdig het nageheven bedrag betaalt, dient bewijs daarvan aan de akte te worden gehecht. Ter vermijding van onnodige vertraging van het geding zal het Hof ambtshalve de rolaantekening P3 toevoegen.

2.5

De sanctie van art. 270 lid 5 Rv, inhoudende dat bij niet-tijdige betaling van het griffierecht door de appellant, het hoger beroep vervalt, is uitsluitend gegeven om de tijdige betaling van het griffierecht te bevorderen. Die sanctie strekt niet ter bescherming van enig recht of belang van de geïntimeerde.

Aan MCS zal daarom geen gelegenheid worden geboden om een antwoordakte in te dienen.

B E S L I S S I N G

Het Hof:

verwijst de zaak naar de rol van dinsdag 26 april 2016 (ambtshalve P3)

om 8.30 uur voor akte uitlating griffierecht aan de zijde van de SVB;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mrs. J. de Boer, G.C.C. Lewin en S. Verheijen, leden van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba en ter openbare terechtzitting van het Hof in Curaçao uitgesproken op 15 maart 2016 in tegenwoordigheid van de griffier.