Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGHACMB:2016:164

Instantie
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Datum uitspraak
08-12-2016
Datum publicatie
21-04-2017
Zaaknummer
AUA2016H00027, AUA2016H00030, AUA2016H00031, AUA2016H00032
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Gemeenschappelijk Hof verklaart inspecteur niet-ontvankelijk in hoger beroep

Tegen de uitspraak van het Gerecht in eerste aanleg heeft de inspecteur tijdig hoger beroep ingesteld zonder het beroep op enige wijze te motiveren. De inspecteur is door de griffier van het Hof diverse keren in de gelegenheid gesteld om het hoger beroep te motiveren. Daarbij is de inspecteur er twee keer op gewezen dat het niet aanvullen van het hoger beroep de niet-ontvankelijkheid tot gevolg kan hebben. De inspecteur heeft van die gelegenheden geen gebruik gemaakt en pas ruim twee weken voor de zitting het hoger beroep gemotiveerd.

Ter zitting heeft de inspecteur als reden voor het niet motiveren van het hoger beroep binnen de door de griffier gestelde termijn aangevoerd dat zij het ontzettend druk heeft gehad. Het Hof acht de aangevoerde reden van onvoldoende gewicht en verklaart de inspecteur niet-ontvankelijk in het hoger beroep.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

AUA2016H00027, AUA2016H00030, AUA2016H00031, AUA2016H00032

Datum uitspraak: 8 december 2016

GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE

VAN ARUBA, CURAÇAO, SINT MAARTEN

EN VAN BONAIRE, SINT EUSTATIUS EN SABA

Uitspraak op de hoger beroepen van:

de inspecteur der belastingen in Aruba,

appellant,

tegen de uitspraak van het Gerecht in eerste aanleg van Aruba (het Gerecht) van 10 augustus 2015, BBZ nrs. 69268, 69269, 70348, 70349, 69270 en 69271 van 2015, in het geding tussen:

[ X ] NV,

gevestigd te Aruba,

verweerder,

en

appellant.

1 Procesverloop

1.1.

Aan verweerder zijn met dagtekening 14 december 2012 de naheffingsaanslagen belasting op bedrijfsomzetten 2007 en 2008 opgelegd (de naheffingsaanslagen), alsmede bij beschikking boetes ter grootte van 50 % van het bedrag van de belasting.

Voorts zijn aan verweerder met dagtekening 29 december 2011, respectievelijk 14 december 2012, de definitieve aanslagen winstbelasting 2006 en 2007 (de definitieve aanslagen) opgelegd. Voor het jaar 2006 is tevens bij beschikking een boete wegens het niet tijdig doen van aangifte van Afl. 250 en een vergrijpboete van Afl. 6.317 opgelegd; voor het jaar 2007 is een boete ter grootte van 50 % van het bedrag van de belasting opgelegd.

Tot slot zijn aan verweerder met dagtekening 31 januari 2012, respectievelijk 31 januari 2013, de voorlopige aanslagen winstbelasting 2012 en 2013 (de voorlopige aanslagen) opgelegd.

Verweerder heeft op 7 maart 2013 bezwaarschriften ingediend tegen de naheffingsaanslagen, op 6 januari 2012 tegen de definitieve aanslag winstbelasting 2006, op 7 maart 2013 tegen de definitieve aanslag winstbelasting 2007 en op 5 maart 2013 tegen de voorlopige aanslagen. De bezwaarschriften tegen de voorlopige aanslagen zijn ingediend vanwege de omstandigheid dat appellant verzuimd heeft binnen een jaar na de ontvangst van de bezwaarschriften uitspraken op de bezwaarschriften te doen.

1.2.

Appellant heeft de bezwaarschriften tegen de naheffingsaanslagen wegens overschrijding van de wettelijke termijn voor het indienen van een bezwaarschrift bij uitspraak op bezwaar, gedagtekend 13 mei 2014, niet-ontvankelijk verklaard. Appellant heeft de bezwaarschriften ambtshalve in behandeling genomen en de boetes verminderd tot nihil.

Appellant heeft de bezwaarschriften tegen de definitieve aanslagen wegens overschrijding van de wettelijke termijn voor het indienen van een bezwaarschrift bij uitspraak op bezwaar, gedagtekend 12 mei 2014, niet-ontvankelijk verklaard. Appellant heeft de bezwaarschriften ambtshalve in behandeling genomen en de definitieve aanslag 2006 (inclusief boete) van Afl. 219.547 ambtshalve verminderd naar Afl. 6.597 en de definitieve aanslag 2007 (inclusief boete) ambtshalve verminderd van Afl. 780.612 naar Afl. 624.012.

Appellant heeft binnen een jaar na de ontvangst van de bezwaarschriften tegen de voorlopige aanslagen geen uitspraken op de bezwaarschriften gedaan.

1.3.

Verweerder heeft op 28 mei 2014, respectievelijk 2 juni 2014, beroep ingediend tegen de

naheffingsaanslagen belasting op bedrijfsomzetten 2007 en 2008, op 28 mei 2014, respectievelijk 2 juni 2014, beroep ingediend tegen de definitieve aanslagen winstbelasting

2006 en 2007 en op 15 juli 2014 beroep ingediend tegen de fictieve weigering van appellant om uitspraak op bezwaar te doen tegen de voorlopige aanslagen winstbelasting 2012 en 2013.

Ter zake van die beroepen heeft de griffier van verweerder griffierecht geheven.

Het Gerecht heeft:

  • -

    de beroepen tegen de voorlopige aanslagen winstbelasting 2012 en 2013 ongegrond verklaard;

  • -

    het beroep tegen de definitieve aanslag winstbelasting 2007 gegrond verklaard, de aanslag verminderd tot één naar een fiscale winst van Afl. 428.807 (voor verrekening van compensabele verliezen) en de boete vernietigd; en

  • -

    het beroep tegen de naheffingsaanslag belastingen op bedrijfsomzetten 2007 gegrond verklaard en bepaald dat de omzetcorrectie dient te vervallen voor de berekening van de verschuldigde belasting op bedrijfsomzetten en dat de naheffingsaanslag belasting op bedrijfsomzetten 2007 dienovereenkomstig dient te worden verlaagd;

  • -

    bepaald dat voor zover de door de appellant voor de winstbelasting 2007 aangebrachte correctie heeft geleid tot correcties in de inkomstenbelasting van de ex-echtgenoot van de directeur van verweerder, deze correcties zo spoedig mogelijk ongedaan dienen te worden gemaakt.

1.4.

Tegen deze uitspraak heeft appellant hogere beroepen ingesteld bij het Hof. Ter zake van het hoger beroep heeft de griffier van appellant een griffierecht geheven van Afl. 300.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

1.5.

De zitting heeft plaatsgehad op 6 oktober 2016 te Oranjestad, Aruba. Aldaar zijn verschenen en gehoord namens appellant [ mr. A ] en [ B ] en namens verweerder haar gemachtigde [mr. C ], vergezeld van [ D ].

1.6.

Het Hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.

2 Feiten

Het Gerecht heeft de volgende, in hoger beroep niet bestreden, feiten vastgesteld, welke feiten het Hof als vaststaand overneemt:

2.1.

Belanghebbende [Hof: hiermee wordt verweerder bedoeld] exploiteert een restaurant en café/lounge. Het restaurant wordt gedreven onder de naam [ Y ] en het café/lounge onder de naam [ Z ]. Het restaurant verkoopt “a la carte” hoge kwaliteit Argentijnse steak.

2.2.

Bij belanghebbende is op 5 mei 2011 een boekenonderzoek door de belastingdienst gestart, op 7 november 2011 is het conceptrapport uitgebracht.

De betreffende controlemedewerker is niet meer werkzaam bij de belastingdienst en was ook niet bij de zitting op 3 juni 2015 aanwezig.

2.3.

De aandelen van belanghebbende zijn in handen van[ K ], 55%, [ L ], 30 %, en [ M ], 15%, allen zusters van elkaar. [ K ] is tevens directeur van belanghebbende.

2.4.

De correctie met betrekking tot de omzetcorrectie heeft geleid tot een door de inspecteur [Hof: hiermee wordt appellant bedoeld] gestelde uitdeling tot datzelfde bedrag. Deze uitdeling is, door de toerekening aan de meest verdienende echtgenoot belast bij de (inmiddels ex-) echtgenoot van [ K ].

In aanvulling op de door het Gerecht vastgestelde feiten stelt het Hof, mede met het oog op de in hoger beroep voorliggende vraag betreffende de ontvankelijkheid van appellant, op grond van de stukken van het geding en het onderzoek ter zitting de volgende feiten en omstandigheden vast:

2.5.

Appellant heeft 9 oktober 2015 pro forma hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van het Gerecht tegen de BBZ-nummers 69268, 69269, 70348, 70349, 69270 en 69271. In het hoger beroepschrift is het volgende opgenomen:

“Het beroep tegen de uitspraak zal binnenkort nader gemotiveerd worden.”

2.6.

Gedagtekend 13 november 2015 heeft het Hof bij brief appellant er onder meer op gewezen dat het beroepschrift niet of onvoldoende is gemotiveerd. Appellant wordt in de gelegenheid gesteld om uiterlijk binnen 6 weken na de dagtekening van de brief de motivering in te dienen. Appellant wordt erop geattendeerd dat, indien het motiveringsverzuim niet wordt hersteld, het hoger beroep niet-ontvankelijk kan worden verklaard.

2.7.

Bij schrijven, gedagtekend 14 december 2015, verzoekt appellant het Hof uitstel te verlenen van de motivering van het hoger beroepschrift. Bij schrijven, eveneens gedagtekend 14 december 2015, gaat het Hof akkoord met het uitstelverzoek. Appellant wordt nader uitstel verleend tot motivering van het hoger beroepschrift tot uiterlijk eind januari 2016.

2.8.

Appellant verzuimt het beroepschrift uiterlijk eind januari 2016 te motiveren. Op 26 mei 2016 informeert de gemachtigde van verweerder per e-mail bij het Hof wat de stand van zaken is inzake het hoger beroep van appellant. Voorts vraagt de gemachtigde of door appellant een verweerschrift is ingediend [Hof: bedoeld zal zijn een hoger beroepschrift].

2.9.

Gedagtekend eveneens op 26 mei 2016 verzoekt appellant (opnieuw) om uitstel te verlenen van de motivering van het hoger beroepschrift. Bij brief, gedagtekend 9 juni 2016, stelt het Hof appellant in de gelegenheid om tot uiterlijk 2 weken na de dagtekening van de brief de motivering in te dienen. Appellant wordt er nogmaals op geattendeerd dat, indien het motiveringsverzuim niet wordt hersteld, het hoger beroep niet-ontvankelijk kan worden verklaard.

2.10.

Bij e-mail van 20 juni 2016 verzoekt appellant opnieuw om nader uitstel. Appellant schrijft onder meer:

“(…)

Ik heb u enkele malen getracht te bereiken vanochtend, echter zonder resultaat.

I.v.m. het overlijden van mijn grootvader, vlieg ik vanmiddag nog naar NL.

Ik zal pas zondag terug zijn en zal alsdan volgende week maandag, 27 juni, het verweerschrift [Hof: bedoeld zal zijn hoger beroepschrift] in kunnen dienen. Dit is niet cf. met de laatste ‘afspraak’, maar gelet op de onvoorziene omstandigheden, hoop ik op enig begrip in deze. (…)”

Op het afschrift van het e-mailbericht is handgeschreven vermeld: “akkoord”.

2.11.

Bij e-mail van 7 juli 2016 informeert de gemachtigde van verweerder bij het Hof of appellant het verweerschrift [Hof: bedoeld zal zijn hoger beroepschrift] op maandag 27 juni 2016 heeft ingediend en, zo ja, of verweerder daarvan een kopie kan krijgen.

Bij e-mail van 7 augustus 2016, welke mede is geadresseerd aan [ mr. A ]@impuesto.aw, zijnde de inspecteur, bericht het Hof:

“(…)

Tot op heden heeft de Griffie geen verweerschrift [Hof: bedoeld zal zijn hoger beroepschrift] inzake bovenvermelde zaak mogen ontvangen.

Derhalve verzoek ik de inspecteur om dit vooralsnog te doen.

(…)”

2.12.

Bij brief, gedagtekend 1 augustus 2016, stuurt het Hof aan verweerder een afschrift van het hoger beroepschrift, gedagtekend 8 oktober 2015, en deelt het verweerder mede dat zij uiterlijk twee maanden na dagtekening van de brief een vertoogschrift bij het Hof kan indienen.

2.13.

Gedagtekend 14 september 2016 motiveert appellant het op 9 oktober 2015 ingediende hoger beroepschrift.

2.14.

Gedagtekend 15 september 2016 dient verweerder haar vertoogschrift in. In het vertoogschrift gaat verweerder niet in op de inhoud van de zaak, maar verzoekt zij, onder verwijzing van artikel 17d, lid 3, Landsverordening beroep in belastingzaken (hierna: Lbb) het Hof appellant niet-ontvankelijk in het hoger beroep te verklaren.

3 Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen

3.1.

Het geschil betreft het antwoord op de volgende vragen:

I. is appellant ontvankelijk in zijn hoger beroep? En bij een bevestigend antwoord:

II. is verweerder ontvankelijk in haar bezwaar tegen de naheffingsaanslag belasting op bedrijfsomzetten 2007, het bezwaar tegen de definitieve aanslag winstbelasting 2007 en tegen de voorlopige aanslag winstbelasting 2012? En, bij een bevestigend antwoord:

III. heeft appellant de omzet over het jaar 2007 terecht gecorrigeerd met een bedrag van Afl. 1.488.741?

Appellant beantwoordt vraag I bevestigend en vraag II ontkennend. Indien vraag II evenwel bevestigend moet worden beantwoord, dan beantwoordt appellant vraag III bevestigend.

Verweerder beantwoordt vraag I ontkennend. Indien vraag I bevestigend moet worden beantwoord, dan beantwoordt verweerder vraag II bevestigend en vraag III ontkennend.

3.2.

Partijen doen hun standpunten in hoger beroep steunen op de gronden welke daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, van al welke stukken de inhoud als hier ingevoegd moet worden aangemerkt, alsmede hetgeen zij hieraan ter zitting hebben toegevoegd.

3.3.

Appellant concludeert tot ontvankelijkheid en gegrondverklaring van het hoger beroep en tot vernietiging van de uitspraak van het Gerecht. Verweerder concludeert tot niet-ontvankelijkheid van het hoger beroep van appellant, en als appellant ontvankelijk wordt verklaard in het hoger beroep tot bevestiging van de uitspraak van het Gerecht.

4 Gronden

Vooraf en ambtshalve

4.1.

Tijdens de behandeling in eerste aanleg heeft verweerder de beroepen tegen de naheffingsaanslag belasting op bedrijfsomzetten 2008 en de definitieve aanslag winstbelasting 2006 ingetrokken als gevolg waarvan geen hoger beroep tegen deze belastingaanslagen openstaat. Het Hof zal dan ook enkel uitspraak doen in de zaken met de nummers (van het Gerecht) 69270 (naheffingsaanslag belasting op bedrijfsomzetten 2007), 69268 (definitieve aanslag winstbelasting 2007) en 70348 en 70349 (voorlopige aanslagen winstbelasting 2012 en 2013).

Ten aanzien van het geschil

Vraag I: Is appellant ontvankelijk in zijn hoger beroep?

Wettelijk kader

4.2.

Artikel 17b, lid 1, Lbb bepaalt:

“1. Tegen een uitspraak van het Gerecht in eerste aanleg als bedoeld in artikel 14 kunnen partijen hoger beroep instellen bij het Hof.”

4.3.

Artikel 17d Lbb, voor zover van belang, bepaalt:

“1. Het beroepschrift in hoger beroep is met redenen omkleed.

2. Indien de appellant in hoger beroep niet heeft voldaan aan het eerste lid, (…), stelt de griffier hem in de gelegenheid binnen een daarbij te stellen termijn het beroepschrift aan te vullen.

3. Indien binnen de vastgestelde termijn het beroepschrift in hoger beroep niet is aangevuld, kan het Hof het hoger beroep niet-ontvankelijk verklaren.”

4.4.

Appellant heeft, tijdig, op 9 oktober 2015 (pro forma) hoger beroep ingesteld, zonder dat hoger beroep op enige wijze te motiveren (met redenen te omkleden). Zoals vermeld onder 2.5 tot en met 2.11 is appellant door de griffier van het Hof diverse keren in de gelegenheid gesteld om het hoger beroep te motiveren. Daarbij is appellant op 13 november 2015 en op 9 juni 2016 erop gewezen dat het niet aanvullen van het hoger beroep de niet-ontvankelijkheid tot gevolg kan hebben. Desalniettemin heeft appellant pas ruim twee weken voor de zitting, gedagtekend 14 september 2016, het hoger beroep gemotiveerd.

4.5.

Desgevraagd ter zitting heeft appellant als redenen voor het niet motiveren van het hoger beroep binnen de door de griffier gestelde termijn aangevoerd dat zij het ontzettend druk heeft gehad met het verwerken en beoordelen van (aan appellant gerichte) verzoeken om proceskostenvergoeding en haar drukke werkzaamheden als teamleider.

4.6.

Het Hof stelt vast dat appellant hardnekkig verzuimd heeft het motiveringsgebrek van het hoger beroepschrift van 9 oktober 2015 te herstellen. Pas na bijna een jaar na de indiening van dit geschrift, op 14 september 2016, word het beroep met redenen omkleed in de zin van artikel 17d, eerste lid, Lbb. De voor dat verzuim aangevoerde redenen acht het Hof van onvoldoende gewicht. Een grote organisatie als de Belastingdienst moet in staat worden geacht om, ook in periodes van grote drukte, aan haar formeelrechtelijke verplichtingen te kunnen voldoen. Nu het Hof ook niet overigens is gebleken van een grond waarop de uitspraak van het Gerecht zou behoren te worden vernietigd zal het Hof, gezien het bepaalde in artikel 17d, lid 3, Lbb, het door appellant ingestelde hoger beroep niet-ontvankelijk verklaren.

4.6.

De slotsom is dat nu vraag I ontkennend dient te worden beantwoord, als gevolg daarvan de vragen II en III geen beantwoording meer behoeven.

5 Beslissing

Het Hof verklaart het door appellant ingestelde hoger beroep niet-ontvankelijk.

Aldus gedaan door mrs. D. Haan, voorzitter, P.A.M. Pijnenburg en M.J. Leijdekker, in tegenwoordigheid van M.M. Faro, MSc, griffier. De beslissing is op 8 december 2016 in het openbaar uitgesproken.

Het aanwenden van een rechtsmiddel:

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen twee maanden na dagtekening van het afschrift van de uitspraak van het Gemeenschappelijk Hof beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.

Partijen hebben ook de mogelijkheid hun beroepschrift in te dienen bij de griffie van het Gerecht in Eerste aanleg dat de zaak in eerste aanleg heeft behandeld. De datum van binnenkomst bij de griffie van het lokale Gerecht in Eerste aanleg is in dat geval bepalend voor de vraag of het beroep tijdig is ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden.

U wordt verzocht bij het indienen van het beroepschrift het volgende in acht te nemen:

1. leg bij het beroepschrift een afschrift over van deze uitspraak;

2. onderteken het beroepschrift en vermeld het volgende:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. waartegen u in beroep komt;

d. waarom u het daar niet mee eens bent (de gronden van het beroep).

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.