Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGHACMB:2016:153

Instantie
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Datum uitspraak
30-08-2016
Datum publicatie
11-04-2017
Zaaknummer
Ghis AR 78138 – H 93/16
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

onjuiste rechterlijke uitspraak tussen partijen bindend

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Burgerlijke zaken over 2016 Vonnis no.:

Registratienummer: Ghis AR 78138 – H 93/16

Uitspraak: 30 augustus 2016

GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE

van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en

van Bonaire, Sint Eustatius en Saba

V O N N I S

in de zaak van:

de publiekrechtelijke rechtspersoon

SOCIALE VERZEKERINGSBANK ARUBA,

gevestigd in Aruba,

oorspronkelijk eiseres, thans appellante,

gemachtigde: mr. M.D. Tromp,

tegen

[GEÏNTIMEERDE],

wonende in Aruba,

oorspronkelijk gedaagde, thans geïntimeerde,

gemachtigde: mr. H.S. Croes.

Partijen worden hierna de SVB en [geïntimeerde] genoemd.

1 Het verloop van de procedure

1.1

Voor hetgeen in eerste aanleg is gesteld en verzocht, voor de procesgang aldaar en voor de overwegingen en beslissingen van het Gerecht in eerste aanleg van Aruba (GEA) wordt verwezen naar het tussen partijen in deze zaak gewezen vonnis van 16 september 2015. De inhoud daarvan geldt als hier ingevoegd.

1.2

De SVB is in hoger beroep gekomen door indiening op 28 oktober 2015 van een daartoe strekkende akte van hoger beroep. Op 7 december 2015 heeft de SVB een memorie van grieven ingediend, waarbij drie grieven zijn voorgedragen en toegelicht. De SVB heeft daarin verzocht dat het Hof het vonnis waarvan beroep zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, haar vorderingen alsnog zal toewijzen, met veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van beide instanties

1.3 [

geïntimeerde] heeft op 6 januari 2016 een memorie van antwoord ingediend waarin hij heeft geconcludeerd tot bevestiging van het bestreden vonnis, met veroordeling van de SVB in de proceskosten van het hoger beroep.

1.4

Op de daarvoor nader bepaalde dag, 24 mei 2016, hebben partijen pleitnota’s overgelegd. Vonnis is nader bepaald op heden.

2 De beoordeling

2.1

Het GEA heeft in het bestreden vonnis onder 2 feiten vastgesteld. Tegen deze feitenvaststelling is geen bezwaar gemaakt. Nu het Hof ook ambtshalve geen bezwaren heeft tegen de feitenvaststelling in eerste aanleg, zal het Hof in zijn beoordeling van deze feiten uitgaan.

2.2.

Bij het bestreden vonnis heeft het GEA de SVB niet-ontvankelijk verklaard, met veroordeling van de SVB in de proceskosten van [geïntimeerde]. Daartoe is overwogen dat uit moet worden gegaan van de juistheid van de uitspraak van het College van Beroep, aangezien tegen het besluit van de SVB een met voldoende waarborgen omklede administratiefrechtelijke rechtsgang heeft open gestaan, terwijl er geen sprake is van klemmende bijkomende omstandigheden die een uitzondering rechtvaardigen op het beginsel van de formele rechtskracht. Hiertegen richt zich het hoger beroep.

2.3.

Ondanks dat artikel 38, tweede lid, van de Landsverordening algemene ouderdomsverzekering daartoe niet verplicht, is in de praktijk de voorzitter van het College van Beroep een lid van het Gemeenschappelijk Hof. Het College van Beroep is aldus een bijzonder rechtscollege in de zin van artikel VI. 3 lid 3 van de Staatregeling van Aruba. Deze bestuursrechtelijke rechtsgang moet geacht worden met voldoende waarborgen te zijn omkleed. Het feit dat het College in enige en hoogste instantie rechtspreekt doet daar niet aan af. Het vereiste van een tweede instantie ligt niet besloten in artikel 6 EVRM, terwijl artikel 14 IVBPR dit vereiste slechts stelt voor strafzaken. De met voldoende waarborgen omklede rechtsgang is in het onderhavige geval doorlopen. Na een integrale beoordeling van de rechtsverhouding tussen partijen heeft het College van Beroep de beslissing van de SVB deels vernietigd en heeft het – conform zijn bevoegdheid daartoe op grond van artikel 8 van het Landbesluit regeling College van Beroep algemene ouderdomsverzekering – zelf beslist.

2.4

Het gesloten stelsel van in de wet geregelde rechtsmiddelen brengt – afgezien van het zeldzame en hier niet aan de orde zijnde geval van het geheel ontbreken van rechtskracht – mede dat zelfs een onjuiste rechterlijke uitspraak niet anders dan door het aanwenden van een rechtsmiddel kan worden aangetast en dat ook indien geen rechtsmiddel beschikbaar is, de uitspraak tussen de partijen rechtskracht heeft (zie onder meer HR 4 mei 1990, NJ 1990, 677 (https://www.navigator.nl/) en HR 27 januari 1989, NJ 1989, 588 (https://www.navigator.nl/)). Daarmee is onverenigbaar dat de SVB als de in het ongelijk gestelde partij de gelegenheid zou hebben om de juistheid van de beslissing van het College van Beroep langs de weg van een vordering op grond van onrechtmatige daad, tot onderwerp van een nieuw geding te maken en door de burgerlijke rechter te doen toetsen. Een andere opvatting zou ook in strijd zijn met het beginsel dat de rechtszekerheid meebrengt dat een rechtsstrijd op een zeker moment wordt afgesloten.

2.5

Slechts indien bij de voorbereiding van een rechterlijke beslissing zo fundamentele rechtsbeginselen zijn veronachtzaamd, dat van een eerlijke en onpartijdige behandeling van de zaak niet meer kan worden gesproken, en tegen die beslissing geen rechtsmiddel open staat en heeft opengestaan, zou het Land ter zake van schending van het recht, gewaarborgd in artikel 6 van het bovengenoemde Verdrag, voor de daaruit voortvloeiende schade aansprakelijk kunnen worden gesteld. Nog afgezien van de omstandigheid dat de SVB niet heeft aangevoerd dat daarvan sprake is, heeft zij niet het Land, maar de burger in dit geding betrokken.

2.6

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen is sprake van een in de rechtsverhouding tussen partijen bindende rechterlijke uitspraak die ook door de civiele rechter voor rechtmatig moet worden gehouden. Dit leidt tot afwijzing van hetgeen de SVB onder a heeft gevorderd.

2.7

De onherroepelijkheid van de beslissing van het College van Beroep waarbij is bepaald dat het ouderschapspensioen van [geïntimeerde] wordt verlaagd met ingang van 1 februari 2013 in plaats van 1 maart 1998, heeft tussen partijen tot gevolg dat hetgeen ter voldoening aan die beslissing is betaald niet als onverschuldigd betaald aangemerkt en teruggevorderd kan worden, ook al zou het College van Beroep er ten onrechte van zijn uitgegaan dat de SVB de uitkering niet met terugwerkende kracht kon verlagen. Dit leidt tot afwijzing van hetgeen de SVB onder b en c heeft gevorderd.

2.8

De grieven stuiten af op het voorgaande. Overigens wordt voor wat betreft de door de SVB gevreesde precedentwerking en grote financiële schade overwogen dat de uitspraak van het College van Beroep slechts bindend is in de rechtsverhouding tussen partijen, en dat de SVB in een eventuele volgende procedure de wetgeving die het College van Beroep volgens haar over het hoofd heeft gezien aan de orde kan stellen.

2.9

De slotsom is dat het bestreden vonnis zal worden vernietigd en dat de vorderingen van de SVB afgewezen dienen te worden.

2.10

De SVB zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten van [geïntimeerde] in beide instanties. Voor wat betreft eerste aanleg worden deze begroot op Afl. 1.500,- aan gemachtigdensalaris (2 x tarief 4). De proceskosten van [geïntimeerde] in hoger beroep zullen tot op heden worden begroot op Afl. 204,37 aan oproepingskosten en Afl. 3.000,- aan gemachtigdensalaris (2 x tarief 4).

BESLISSING

Het Hof:

- vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht als volgt:

- wijst af de vorderingen van de SVB;

- veroordeelt de SVB in de kosten van het geding in eerste aanleg aan de zijde van [geïntimeerde] begroot op Afl. 1.500,- aan gemachtigdensalaris;

- veroordeelt de SVB in de kosten van het hoger beroep aan de zijde van [geïntimeerde], tot op heden begroot op Afl. 204,37 aan verschotten en Afl. 3.000,- aan gemachtigdensalaris.

Dit vonnis is gewezen door mrs. T.A.M. Tijhuis, H.J. Fehmers en F.V.L.M. Wannyn, leden van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie, en ter openbare terechtzitting van het Hof in Aruba in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken op 30 augustus 2016.