Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGHACMB:2016:146

Instantie
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Datum uitspraak
07-12-2016
Datum publicatie
24-03-2017
Zaaknummer
AR 75036/15 - HAR 70/16
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Schorsing tenuitvoerlegging - opgeheven beslag - dwangsom

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Burgerlijke zaken over 2016 Vonnis no.:

Registratienummer: AR 75036/15 - HAR 70/16

Uitspraak: 7 december 2016

GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE

van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en

van Bonaire, Sint Eustatius en Saba

V O N N I S

op de vordering tot schorsing in de zaak van:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid naar het recht van (Europees) Nederland

AT B.V.,

gevestigd te Diemen, Nederland,

oorspronkelijk eiseres in conventie, verweerster in reconventie,

thans appellante,

eiser tot schorsing,

gemachtigden: mrs. S.R. Hagen en B.J. Huiskes,

tegen

de besloten vennootschap

M&B MULTI-BRAND B.V.,

gevestigd in Curaçao,

oorspronkelijk gedaagde in conventie, eiseres in reconventie,

thans geïntimeerde,

verweerder tegen de vordering tot schorsing,

gemachtigde: mr. J.A. de Baar.

De partijen worden hierna AT en M&B genoemd.

1 Het verloop van de procedure

1.1

Bij akte van appel van 17 november 2016 is AT in hoger beroep gekomen van het tussen partijen gewezen en op 31 oktober 2016 uitgesproken vonnis van het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao (verder: GEA).

1.2

Bij op 17 november 2016 ingekomen afzonderlijk verzoekschrift, met een productie, heeft AT gevorderd de tenuitvoerlegging van het bestreden vonnis te schorsen, met veroordeling van M&B in de kosten.

1.3

Op 28 november 2016 is een akte van AT ingekomen, met producties.

1.4

Bij op 5 december 2016 ingekomen verweerschrift heeft M&B geconcludeerd tot afwijzing van de hiervoor in rov. 1.2 bedoelde vordering, met veroordeling van AT in de kosten.

1.5

Vonnis is gevraagd en bepaald op heden.

2 De beoordeling

2.1

Bij de beoordeling van een vordering op de voet van art. 272 Rv moeten de belangen van partijen worden afgewogen in het licht van de omstandigheden van het geval. Daarbij moet worden nagegaan of op grond van die omstandigheden het belang van degene die de veroordeling verkreeg, zwaarder weegt dan dat van de veroordeelde bij behoud van de bestaande toestand tot op het rechtsmiddel is beslist. Hierbij is een belangrijk gezichtspunt dat het GEA de vordering toewijsbaar heeft geoordeeld, en dat moet worden voorkomen dat het aanwenden van rechtsmiddelen wordt gebezigd als middel om uitstel van executie te verkrijgen. Bij de afweging moet worden uitgegaan van de bestreden beslissing en van de daaraan ten grondslag liggende vaststellingen en oordelen, en blijft de kans van slagen van het tegen die beslissing aangewende rechtsmiddel in beginsel buiten beschouwing.

Indien het GEA zijn beslissing tot uitvoerbaarverklaring bij voorraad heeft gemotiveerd, zal de veroordeelde die schorsing van de tenuitvoerlegging wenst, aan zijn vordering feiten en omstandigheden ten grondslag moeten leggen die bij de door het GEA gegeven beslissing niet in aanmerking konden worden genomen doordat zij zich eerst na de uitspraak van het GEA hebben voorgedaan, en die kunnen rechtvaardigen dat van die eerdere beslissing wordt afgeweken. Indien een dergelijke motivering ontbreekt, zoals in dit geval, geldt die eis niet.

2.2

In voorgaand toetsingskader ligt besloten dat de vordering toegewezen wordt, indien degene die de veroordeling verkreeg, mede gelet op de belangen aan de zijde van de veroordeelde die door de tenuitvoerlegging zullen worden geschaad, geen in redelijkheid te respecteren belang heeft bij gebruikmaking van zijn bevoegdheid om in afwachting van de uitslag van het hoger beroep tot tenuitvoerlegging over te gaan. Dat zal het geval kunnen zijn indien het ten uitvoer te leggen vonnis klaarblijkelijk op een juridische of feitelijke misslag berust of indien de tenuitvoerlegging op grond van na dit vonnis voorgevallen of aan het licht gekomen feiten klaarblijkelijk aan de zijde van de veroordeelde een noodtoestand zal doen ontstaan, waardoor een onverwijlde tenuitvoerlegging niet kan worden aanvaard.

2.3

In dit geding heeft het GEA, uitvoerbaar bij voorraad, een ten verzoeke van AT en ten laste van M&B op 28 juli 2015 gelegd conservatoir beslag opgeheven en AT bevolen de beslagen goederen ('kledingwaren') binnen twee weken na betekening van het vonnis van het GEA terug te geven aan M&B, op straffe van verbeurte van dwangsommen van NAf 100,- per dag, met een maximum van NAf 10.000,-.

2.4

Hetgeen AT tegen de overwegingen van het GEA heeft aangevoerd, is onvoldoende voor het oordeel dat het bestreden vonnis klaarblijkelijk op een of meer misslagen berust. Voor het overige blijft de kans van slagen van het hoger beroep thans buiten beschouwing.

2.5

AT heeft als haar belang bij behoud van de bestaande toestand tot op het hoger beroep is beslist, aangevoerd dat zij het doel heeft de beslagen goederen te vernietigen wegens inbreuk op haar merkrechten, zodat de goederen onttrokken blijven aan het verkeer en niet kunnen worden verhandeld. Aangezien het niet gaat om de waarde van de goederen, maar om de waarde van het merk van AT, kunnen de beslagen goederen niet worden vervangen door een geldvordering, aldus AT.

2.6

M&B heeft als haar belang om reeds voordat op het hoger beroep is beslist, tot tenuitvoerlegging over te kunnen gaan, aangevoerd dat de achterliggers van M&B de kwestie afgewikkeld willen hebben. Ter toelichting heeft M&B gesteld dat M&B haar bedrijfsactiviteiten inmiddels heeft moeten staken, dat de beslagen goederen waarschijnlijk inmiddels 'outdated' zijn, en dat zij na teruggave zullen worden verscheept naar de producent in Panama.

2.7

M&B heeft niet aangevoerd dat zij enige schade lijdt, indien de goederen niet aan haar worden teruggegeven voordat op het hoger beroep is beslist. Het belang dat de kwestie wordt afgewikkeld, weegt niet op tegen het hiervoor in rov. 2.5 omschreven belang van AT.

2.8

De schorsing zal daarom worden uitgesproken, maar alleen ten aanzien van het in reconventie gewezen vonnis, nu AT niets heeft gesteld over haar belang bij schorsing van de tenuitvoerlegging van de proceskostenveroordeling in conventie.

2.9

Ter vermijding van misverstanden overweegt het Hof als volgt.

De schorsing van het in reconventie gewezen vonnis heeft tot gevolg dat het beslag herleeft, met dien verstande dat eventuele wijzigingen in de rechtstoestand van de beslagen goederen in de periode tussen 31 oktober 2016 en heden moeten worden geëerbiedigd (vergelijk: HR 5 september 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC9351, NJ 2009/154, rov. 3.3.4).

Voorts heeft de schorsing tot gevolg dat AT tot de datum van het eindvonnis in hoger beroep niet verplicht kan worden de goederen aan M&B terug te geven en dat M&B tot die datum geen dwangsommen kan invorderen. In hoeverre de dwangsomveroordeling in hoger beroep vernietigd moet worden, al dan niet met terugwerkende kracht, staat thans niet ter beoordeling. Het is verstandig om hiervoor in het hoger beroep duidelijke standpunten in te nemen.

2.10

De beslissing over de kosten van de onderhavige procedure wordt aangehouden tot de einduitspraak in het hoger beroep. Hierbij speelt een rol dat (voorshands aannemelijk is dat) AT deze schorsingsprocedure aanhangig heeft gemaakt zonder eerst met M&B te overleggen over de vraag of deze vrijwillig zou willen afzien van tenuitvoerlegging tot op het hoger beroep zou zijn beslist.

B E S L I S S I N G

Het Hof:

schorst de tenuitvoerlegging van het bestreden vonnis, voor zover in reconventie gewezen, voor de duur van de procedure in hoger beroep;

houdt de beslissing over de kosten van de onderhavige procedure aan;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mrs. G.C.C. Lewin, T.A.M. Tijhuis en H.J. Fehmers, leden van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba en ter openbare terechtzitting van het Hof in Curaçao uitgesproken op 7 december 2016 in tegenwoordigheid van de griffier.