Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGHACMB:2016:132

Instantie
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Datum uitspraak
26-08-2016
Datum publicatie
13-12-2016
Zaaknummer
AR 84/2014 Ghis 78079 H-78/2016
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Nakoming koopovereenkomst appartement. Financieringsvoorbehoud

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Burgerlijke zaken over 2016 Vonnisno.:

Registratienummer: AR 84/2014 Ghis 78079 H-78/2016

Uitspraak: 26 augustus 2016

GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE

van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en

van Bonaire, Sint Eustatius en Saba

VONNIS

in de zaak van:

[APPELLANT],

wonende te Sint Maarten,

oorspronkelijk gedaagde, thans appellant,

gemachtigden: mrs. R.F. Gibson en A. Kraaijeveld,

hierna te noemen: [appellant],

tegen

[GEÏNTIMEERDE],

wonende te Sint Maarten,

oorspronkelijk eiser, thans geïntimeerde,

gemachtigde: mr. J. Veen,

hierna te noemen: [geïntimeerde].

1 Het verloop van de procedure

1.1

Voor hetgeen in eerste aanleg is gesteld en gevorderd, voor de procesgang aldaar en voor de overwegingen en beslissingen van het Gerecht in eerste aanleg van Sint Maarten (hierna: GEA) wordt verwezen naar het tussen partijen in deze zaak gewezen vonnis van 2 juni 2015. De inhoud van dit vonnis geldt als hier ingevoegd.

1.2 [

Appellant] is tijdig van voormeld vonnis in hoger beroep gekomen door indiening op 26 juni 2015 van een daartoe strekkende akte van hoger beroep. Op 4 augustus 2015 heeft [appellant] een memorie van grieven ingediend, waarbij twee grieven zijn voorgedragen en toegelicht. Zijn conclusie strekt ertoe dat het Hof het vonnis waarvan beroep zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, de vordering van [geïntimeerde] af zal wijzen, met veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van het geding in beide instanties.

1.3 [

Geïntimeerde] heeft op 20 november 2015 een memorie van antwoord ingediend waarin hij (zo begrijpt het Hof) concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.

1.4

Op de daarvoor nader bepaalde dag hebben partijen schriftelijk pleidooi gevoerd.

1.5

Vervolgens is vonnis nader bepaald op heden.

2 De feiten

2.1

Het GEA heeft in het bestreden vonnis onder 3 a tot en met f de feiten vastgesteld die het tot uitgangspunt heeft genomen. Over de juistheid van die feiten bestaat geen geschil, zodat ook het Hof van de aldus vastgestelde feiten zal uitgaan. De feiten komen neer op het volgende.

2.2

Op 3 februari 2014 hebben partijen een koopovereenkomst (“sales agreement – papillon residences purchase agreement”) getekend ter zake van het appartement nr. 6 in Le Papillon Residences. In de koopovereenkomst is een koopsom van

USD 520.000,- vermeld “of which 20% - $ 104.000,- - will be paid at the signing of this agreement”.

2.3

Op 27 februari 2014 mailt [geïntimeerde] het volgende bericht aan [appellant]:

“(…) could you transfer at least the first 20% of the total sales price a.s.a.p. almost 4 weeks has passed since the signing of the sales contract. I brought in the required “appraisal report” to your Bank 1.5 week ago.”

2.4

In een e-mailbericht van diezelfde datum bericht [appellant] als volgt:

“As I told you all along I cannot proceed with the purchase of apartment [nummer] papillon without bank financing (…) at the moment I didn’t received any financing and it is impossible for me to continue, the appraisal took a long time to complete and my account manager at the bank resigned since, at this moment I will like to advise you that it is not possible for me to continue to fine [lees: find]other financing for the purchase of your apartment, I hereby inform you that I have no further interest in the purchasing of your apartment.”

2.5

Bij e-mailbericht van 3 maart 2014 bericht [geïntimeerde] [appellant] als volgt:

“I was very surprised with your “cancelation notice”. After we made a verbal understanding about the sale of apartment [nummer] in Le Papillon and the purchase price, we both signed the sales contract. We now both have obligations. Your obligation upon signing the contract is that 20% of the purchase price has to be paid. You told me at the signing that you will make the payment in the week to come as you needed to make some savings liquid. I trusted you. (…) Now you tell me that you want to “cancel” the contract since you did not get your financing by the bank. We never discussed this nor was there any so called “financing clause” incorporated in the contract.”

2.6

De aanbetaling van 20% is uitgebleven en het appartement is niet door [appellant] afgenomen.

3 De beoordeling

3.1 [

Geïntimeerde] heeft in eerste aanleg - samengevat - gevorderd [appellant] te veroordelen tot betaling van USD 104.000,-, vermeerderd met de wettelijke rente, en om de tussen partijen gesloten koop na te komen. Tevens heeft [geïntimeerde] gevorderd [appellant] te veroordelen in de kosten van het geding. [appellant] heeft gemotiveerd verweer gevoerd.

3.2

Het GEA heeft, veronderstellenderwijs dat partijen een financierings-voorbehoud zijn overeengekomen, geoordeeld dat [appellant] niet met succes een beroep op het veronderstelde voorbehoud kan doen en de vorderingen van [geïntimeerde] toegewezen. Hiertegen richt zich het beroep.

3.3

De eerste door [appellant] voorgedragen grief richt zich tegen het oordeel van het GEA dat hij nimmer een financieringsverzoek bij een bank heeft gedaan om de benodigde financiering voor de aankoop van het appartement te krijgen. Zijn tweede grief richt zich tegen het oordeel van het GEA dat [appellant] niet met succes een beroep kan doen op een eventueel overeengekomen financieringsvoorbehoud nu hij zijn inspanningsverbintenis om financiering te krijgen jegens [geïntimeerde] heeft geschonden. De grieven zullen hierna gezamenlijk worden behandeld.

3.4

Vast staat dat partijen een overeenkomst zijn aangegaan op grond waarvan [appellant] het appartement nr. 6 in Le Papillon Residences van [geïntimeerde] heeft gekocht voor een bedrag van USD 520.000,-. Uitgangspunt is dan ook dat [appellant] de overeenkomst na moet komen en de overeengekomen aanbetaling van USD 104.000,- aan [geïntimeerde] moet betalen. [appellant] stelt zich evenwel op het standpunt dat partijen een ontbindende voorwaarde in de vorm van een financieringsvoorbehoud zijn overeengekomen en dat hij zich op die voorwaarde heeft beroepen waardoor de overeenkomst is ontbonden. [geïntimeerde] heeft betwist dat partijen een financieringsvoorbehoud overeengekomen zijn.

3.5

De door partijen aangegane (onder meer als productie 1 bij het inleidend verzoekschrift in eerste aanleg overgelegde) schriftelijke koopovereenkomst houdt geen financieringsvoorbehoud in. Volgens [appellant] zijn partijen mondeling een financieringsvoorbehoud overeengekomen dat inhield dat [appellant] het appartement enkel zou afnemen indien hij daarvoor een financiering van RBC zou verkrijgen. Ter adstructie van zijn stelling heeft [appellant] aangevoerd dat het voor [geïntimeerde] van meet af aan duidelijk was dat hij, [appellant], het appartement alleen wenste af te nemen indien zijn huisbank RBC daarvoor een lening zou verstrekken en dat dit onder meer blijkt uit de omstandigheid dat [geïntimeerde] voor [appellant] “the required appraisal report” naar de RBC heeft gebracht. Dienaangaande geldt als volgt. Uit de enkele omstandigheid dat [geïntimeerde] een taxatierapport voor [appellant] naar diens bank heeft gebracht volgt nog niet dat partijen een financieringsvoorbehoud zijn overeengekomen. Gelet hierop en nu [appellant] overigens geen feiten en/of omstandigheden heeft gesteld die zijn stelling kunnen schragen, treft zijn stelling geen doel. [appellant] heeft weliswaar aangeboden zijn stelling te bewijzen door het doen horen van hem als getuige, maar het Hof acht termen aanwezig dit aanbod op de voet van artikel 145 lid 4 Rv te passeren. Dat het verhoor van [appellant] als partijgetuige uit een oogpunt van gelijkheid van partijen is geboden, is gesteld noch gebleken.

3.6

Nu de stelling van [appellant] dat partijen mondeling een financieringsvoorbehoud zijn overeengekomen niet kan slagen, komt hem een beroep op een zodanig voorbehoud niet toe. [appellant] zal de koopovereenkomst derhalve na dienen te komen en de aanbetaling van USD 104.000,- aan [geïntimeerde] dienen te betalen.

3.7

Het voorgaande brengt mee dat het vonnis waarvan beroep, zij het op andere gronden, moet worden bevestigd. De grieven behoeven geen bespreking meer.

3.8 [

Appellant] wordt als de in het ongelijk te stellen partij veroordeeld in de kosten van het geding. Deze kosten worden aan de zijde van [geïntimeerde] tot op heden begroot op NAf 244,- aan explootkosten en NAf 9.300,- (3 punten tarief 7) aan salaris gemachtigden.

BESLISSING

Het Hof:

- bevestigt het bestreden vonnis;

- veroordeelt [appellant] in de kosten van het geding, aan de zijde van [geïntimeerde] tot op heden begroot op NAf 244,- aan explootkosten en NAf 9.300,- aan salaris gemachtigden.

Dit vonnis is gewezen door mrs. J. de Boer, T.A.M. Tijhuis en D. Radder, leden van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie, en ter openbare terechtzitting van het Hof in Curaçao in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken op 26 augustus 2016.