Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGHACMB:2016:105

Instantie
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Datum uitspraak
30-08-2016
Datum publicatie
16-11-2016
Zaaknummer
AR 2384/13 - ghis 74745 - H 255/15
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Gerechtigde aandeelhouderschap. Vervolg op ECLI:NL:OGHACMB:2016:58.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
OR-Updates.nl 2016-0314
AR 2016/3341

Uitspraak

Burgerlijke zaken over 2016 Vonnis no.:

Registratienummer: AR 2384/13 - ghis 74745 - H 255/15

Uitspraak: 30 augustus 2016

GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE

van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en

van Bonaire, Sint Eustatius en Saba

V O N N I S

in de zaak van:

[appellant],

wonende in Aruba,

oorspronkelijk gedaagde,

thans appellante,

gemachtigde: mr. C.B.A. Coffie,

tegen

[geïntimeerde],

wonende in Nederland,

oorspronkelijk eiser,

thans geïntimeerde,

gemachtigde: mr. W.G.T.M. Kloes.

De partijen worden hierna [appellant] en [geïntimeerde] genoemd.

1 Het verdere verloop van de procedure

Bij vonnis van 24 mei 2016 heeft het Hof de zaak naar de rol verwezen voor akte uitlating griffierecht.

Op 21 juni heeft [appellant] een akte ingediend, met producties.

Vonnis is gevraagd en bepaald op heden.

2 De verdere beoordeling

2.1

Uit de laatste akte van [appellant] blijkt dat zij het nageheven bedrag tijdig heeft betaald. Het hoger beroep is dan ook niet vervallen. Het verzet tegen de naheffing wordt in een afzonderlijke verzetprocedure behandeld. In dit vonnis gaat het Hof daar niet verder op in.

2.2

De grieven I, II en III betreffen (onder meer) de feitenvaststelling van het GEA. Het Hof zal daar rekening mee houden. Mede gelet daarop staat tussen partijen het volgende vast.

2.2.1 [

Geïntimeerde] en [appellant] zijn neef en nicht van elkaar, maar zij duiden elkaar ook wel aan als broer en zus. Beiden maken (indirect) aanspraak op de "eigendom" van alle aandelen in het kapitaal van de naamloze vennootschap Nizaam Investment N.V. (hierna: Nizaam).

De belangrijkste vermogensbestanddelen van Nizaam zijn appartementsrechten betreffende appartementen te Nuña, Aruba.

2.2.2

Op 24 mei 1993 heeft de naamloze vennootschap CTF Services N.V. (hierna: CTF) Nizaam opgericht. Bij de oprichtingsakte is bepaald dat de vennootschap wordt bestuurd door een directie, bestaande uit een of meer directeuren, en zijn Interside Management N.V. en [geïntimeerde] tot directeuren benoemd. Voorts vermeldt de oprichtingsakte dat bij de oprichting zesduizend aandelen bij CTF zijn geplaatst. In 1993 is als aandeelbewijs Certificate 1 uitgegeven, betreffende de aandelen nrs. 1 tot en met 6.000.

De aandelen luiden aan toonder.

2.2.3

Met ingang van 12 april 1994 is G. [“The Owner”](hierna: [de owner]) benoemd tot directeur van Nizaam.

Het aandeelbewijs is aan [“The Owner”]afgegeven.

In een "indemnity/management agreement" d.d. 14 oktober 1994, gesloten tussen [“The Owner”]en Consultants Associates N.V., wordt [“The Owner”]aangeduid als "The Owner" en staat vermeld:

"1. The Owner is legally and/or beneficially entitled to the shares in

"NIZAAM INVESTMENTS N.V." "

2.2.4

Op 28 of 29 juni 1995 heeft Aruban Investment Bank N.V. (hierna: AIB) een geldlening van Afl. 1,4 miljoen aan Nizaam verstrekt. In de leningsovereenkomst staat (op p. 2) [“The Owner”]genoemd als enige aandeelhouder.

Op p. 3 staat onder het kopje "Securities and Collaterals" onder meer vermeld:

"7. Pledging of the shares of Nizaam Investment N.V., incl. voting rights, to be registered in the shareholder's register".

Op p. 4 staat onder meer:

"7. No change in ownership of the Borrower is permitted without the Bank's written prior approval".

[“The Owner”]heeft de leningsovereenkomst op p. 5 ondertekend als

"Managing Director" en op p. 6 tweemaal als "The Shareholder(s)".

Zijn echtgenote heeft getekend onder de aanduiding "Spouse's consent".

Het aandeelbewijs is aan AIB overhandigd.

2.2.5

Bij akte van 24 juli 1998 heeft [“The Owner”]onder meer verklaard:

"(...) bij deze onherroepelijk last en volmacht te verlenen aan:

de ARUBA INVESTMENT BANK N.V. (...)

om het door hem, [“The Owner”], tot zekerheid aan de Bank overgedragen schriftelijk bewijs van aandeelhouderschap van 6.000 aandelen in (...) Nizaam (...), na voldoening door Nizaam van haar schuld aan de Bank, over te dragen aan de heer [geïntimeerde] (...) in plaats van aan hem, [“The Owner”](...)"

2.2.6

Een geschrift d.d. 21 augustus 1998 vermeldt onder meer:

"(...) [geïntimeerde] (...)

ten deze handelende;

a. voor zich; en

b. in iedere hoedanigheid die hij bezit onder meer - doch niet beperkt tot - zijn hoedanigheid van directeur van de op Curaçao gevestigde naamloze vennootschappen (...) en

Nizaam Investments N.V.,

Verklaart hierbij last en volmacht te geven aan (...) mevrouw [appellant] (...).

Om hem, ondergetekende, in alle opzichten in en buiten rechte overal ter wereld te vertegenwoordigen en al zijn rechten en belangen, zonder enige uitzondering (...) waar te nemen en uit te oefenen en om te dier zake alle verplichtingen voor en namens ondergetekende aan te gaan;

strekkende deze volmacht ook om roerende en onroerende zaken en rechten te verkrijgen, of te vervreemden of te bewaren, om andere daden, hetzij van beheer, hetzij van beschikking te verrichten (...);

daartoe alle stukken en akten te tekenen die nodig en vereist worden."

Het geschrift is ondertekend door [geïntimeerde] en onder de aanduiding "Voor aanvaarding van de volmacht" ook door [appellant].

2.2.7

Een geschrift d.d. 5 oktober 1998 vermeldt dat [“The Owner”]in zijn hoedanigheid van directeur van Nizaam namens Nizaam last en volmacht aan AIB verleent om aan [geïntimeerde] en aan [appellant] alle inlichtingen inzake de verhouding tussen Nizaam en AIB te verschaffen, en in het kader daarvan al datgene te doen wat "de gemachtigde" terzake nodig, nuttig of wenselijk mocht achten.

2.2.8

Op 21 januari 1999 en 6 maart 2001 heeft [appellant] opgaven aan het Handelsregister in Curaçao betreffende Nizaam ondertekend en daarbij als haar hoedanigheid ingevuld: "direkteur/aandeelhouder".

2.2.9

Een niet-ondertekend concept van een vaststellingsovereenkomst tussen [“The Owner”]en Nizaam vermeldt onder meer:

"III. [“The Owner”]verklaart hierbij uitdrukkelijk dat de aandelen aan toonder in de Nizaam in eigendom toebehoorden en toebehoren aan de heer [geïntimeerde] (...). Deze aandelen bevinden zich met goedvinden van de heer [geïntimeerde] thans in pand bij de

Aruban Investment Bank N.V. voor de lening van Nizaam."

2.2.10

Bij brief van 25 februari 1999 heeft de toenmalige advocaat van

[“The Owner”]commentaar geleverd op de concept vaststellingsovereenkomst.

Dit commentaar betreft niet voornoemd artikel III.

2.2.11

Een brief van de toenmalige advocaat van AIB van 28 mei 1999 aan de toenmalige advoaat van Nizaam vermeldt als een van voorwaarden voor het aanhouden van executiemaatregelen tegen Nizaam:

"Van de principalen van Uw cliënte, de [ achternaam van partijen], dient uiterlijk vrijdag 25 juni 1999 een degelijk antecedentenonderzoek aan cliënte te worden overhandigd, zodat cliënte kan bepalen of zij de [ achternaam van partijen] als cliënten, direct of indirect, willen behouden."

2.2.12

Een uittreksel uit het Handelsregister Curaçao betreffende Nizaam vermeldt onder meer:

"MANAGING DIRECTORS:

(...)

[appellant], residing in Curaçao,

Date registration; March 6, 2001."

2.2.13

In 2002 zijn de schulden van Nizaam geherfinancierd. De lening bij AIB is toen ondergebracht bij Aruba Bank.

Een brief van AIB van 17 oktober 2014 vermeldt dat AIB het aandeelbewijs op

24 december 2002 heeft afgegeven aan [appellant], nadat de lening op

19 november 2002 was afbetaald, en heeft als bijlage een afschrift van Certificate 1 met daarop een stempel "Acknowledgement of receipt", gedateerd op 24 december 2002 en ondertekend door [appellant].

2.2.14 [

appellant] heeft het aandeelbewijs aan Aruba Bank afgegeven.

Een brief van 6 september 2002 van Aruba Bank, waarin deze bank zich bereid verklaart de uitstaande schuld van Nizaam aan AIB over te nemen, is voor akkoord ondertekend door zowel [appellant] als [geïntimeerde].

Een brief van 10 juni 2004 van Aruba Bank betreffende het verstrekken van een lening van Afl. 707.240,97 vermeldt (alleen) [appellant] als "Director".

2.2.15

Bij brieven d.d. november 2006, november 2011 en november 2012 aan [geïntimeerde] heeft [appellant] aanspraak gemaakt op uitbetaling van salaris "vanwege direktievoering en technische ondersteuning m.b.t.

Nizaam Investment N.V. over de jaren 2002-2006".

2.2.16

In een civiel geding tussen Watapana Investments N.V. en [“The Owner”]is op 19 januari 2010 [geïntimeerde] als getuige onder ede gehoord. Hij heeft toen onder meer verklaard:

"Ik ben een broer van [appellant], de huidige directeur van Watapana.

Met 10 broers en zussen ben ik aandeelhouder van Watapana. (...)

Nizaam en Watapana zijn de projecten die ik samen met [“The Owner”]heb gedaan. Mijn zus is eigenaar van het Nizaam-project."

2.2.17

Op enig moment zijn de schulden van Nizaam opnieuw geherfinancierd. De lening is ondergebracht bij Caribbean Mercantile Bank N.V. (hierna: CMB). In het kader daarvan heeft CMB een geschrift strekkende tot "Inpandgeving van bepaalde fondsen en volmacht" opgesteld, te ondertekenen door [appellant].

2.2.18

In augustus 2013 heeft [appellant] stukken ondertekend die ertoe strekken dat het aandeelbewijs Certificate 1 wordt ingetrokken en dat Certificate 2 wordt uitgegeven, waarop staat vermeld:

"THIS CERTIFIES THAT:

[APPELLANT]

is the holder of 30,000 Thirty thousand fully paid registered shares, number 1 up to and including 30,000 with a par value of USD 1,00 each in the share capital of NIZAAM INVESTMENT N.V."

2.2.19

Bij brief van 10 september 2013 heeft CMB aan Amicorp Curaçao B.V. geschreven:

"We herewith provide you with "Bearer" shares 1 to 6,000 owned by Mrs. [appellant] (...) of Nizaam Investment N.V. in connection with the changes to articles of incorporation of the company, in which the ability for the company to have/issue bearer shares will be removed.

Please note that the aforementioned company shares are pledged to the Caribbean Mercantile Bank N.V. in connection with credit being provided to the company."

Afschrift van deze brief van CMB is in het geding gebracht door [appellant], samen een afschrift van Certificate 1, met daarop tweemaal het stempel "cancelled".

2.3

In dit geding heeft het GEA op vordering van [geïntimeerde], verkort weergegeven:

a. voor recht verklaard dat [geïntimeerde] de eigenaar is van de aandelen in Nizaam;

b. [appellant] veroordeeld tot het doen van rekening en verantwoording, op straffe van verbeurte van dwangsommen, een en ander zoals nader vermeld in het dictum van het vonnis.

Hiertegen is het hoger beroep gericht.

2.4

Een aandeel is een vermogensrecht van eigen aard, dat geen eigenaar heeft, maar een rechthebbende (een gerechtigde tot het aandeelhouderschap).

Een in dit geding uitgesproken of uit te spreken verklaring voor recht bindt slechts de procespartijen en bindt derden dus niet: Nizaam niet en een derde die het aandeelbewijs (Certificate 1 en/of Certificate 2) onder zich heeft ook niet. Dit een en ander dient in de verklaring voor recht tot uitdrukking te worden gebracht. Het Hof zal daarom de vraag onderzoeken of voor recht kan worden verklaard dat tussen partijen [geïntimeerde] geldt als de rechthebbende op de aandelen in Nizaam.

2.5

Bij de beoordeling van die vraag komt het aan op wat partijen hierover hebben afgesproken, meer precies: wat zij op grond van elkaars verklaringen en gedragingen hierover hebben begrepen en redelijkerwijs mochten begrijpen. Het is dus een verbintenisrechtelijke vraag die niet zonder meer beantwoord kan worden door onderzoek naar de vraag wie het aandeelbewijs onder zich heeft, en sinds wanneer. De vraag kan ook niet zonder meer worden beantwoord door te onderzoeken of derden [geïntimeerde] of juist [appellant] als aandeelhouder van Nizaam beschouwen of hebben beschouwd.

2.6 [

Geïntimeerde] heeft, verkort weergegeven, het volgende gesteld. Hij heeft opdracht gegeven tot oprichting van Nizaam in 1993. Hij heeft het aandeelbewijs ontvangen, meegenomen naar Nederland en daar in bewaring gegeven bij een administratiekantoor in Den Haag. Hij heeft honderdduizenden guldens geïnvesteerd in het aan Nizaam behorende onroerende goed. In 1994 is hij gedurende enige maanden in Nederland gedetineerd geweest. Op zijn verzoek heeft zijn zuster [zus van geïntimeerde] toen het aandeelbewijs bij het administratiekantoor opgehaald, naar Aruba gebracht en aan [“The Owner”]overhandigd om daarmee voor [geïntimeerde] de belangen van Nizaam te kunnen behartigen, aldus [geïntimeerde].

2.7

Deze stellingen van [geïntimeerde] vinden in zekere mate steun in de hiervoor in rov. 2.2.2 tot en met 2.2.5 vastgestelde feiten. Uit de omstandigheid dat [geïntimeerde] in de oprichtingsakte genoemd wordt als directeur, blijkt dat hij bij de oprichting betrokken was. De omstandigheid dat [“The Owner”]in 1998 AIB onherroepelijk gevolmachtigd heeft het aandeelbewijs aan [geïntimeerde] af te geven, past goed bij de stelling dat [“The Owner”]zich weliswaar jegens AIB als aandeelhouder heeft gepresenteerd, maar dat heeft gedaan om voor [geïntimeerde] de belangen van Nizaam te behartigen.

De stellingen van [geïntimeerde] vinden daarnaast steun in een overgelegde schriftelijk verklaring van Nandelie Moti, waarin zij verklaart het aandeelbewijs in opdracht van [geïntimeerde] in Den Haag te hebben opgehaald en in Aruba aan [“The Owner”]te hebben afgegeven.

De omstandigheid dat [geïntimeerde] in de oprichtingsakte niet wordt genoemd als oprichter en niet als degene bij wie de aandelen worden geplaatst, doet aan het voorgaande niet af. Dat is niet ongebruikelijk bij de oprichting van een naamloze vennootschap door een trustkantoor of een soortgelijke dienstverlener.

De omstandigheid dat [“The Owner”]zich jegens derden als aandeelhouder gepresenteerd heeft, doet aan het voorgaande ook niet af. Dat kan hij gedaan hebben om voor Mahinder de belangen van Nizaam te behartigen.

2.8

Het voorgaande is voldoende om voorshands bewezen te achten dat [geïntimeerde] in 1993-1998 (middelijk of onmiddellijk) rechthebbende op de aandelen was.

2.9 [

appellant] heeft gesteld dat zij zich vanaf 21 januari 1999 openlijk heeft gedragen als aandeelhouder van Nizaam (dat blijkt ook uit de opgaaf van die datum aan het Handelsregister).

Voor zover zij heeft bedoeld te stellen dat zij vanaf die datum meende en redelijkerwijs mocht menen dat zij daadwerkelijk de rechthebbende op de aandelen was, heeft zij die stelling niet duidelijk toegelicht.

Indien [“The Owner”]zich in die tijd jegens [appellant] als aandeelhouder (handelende voor zichzelf) heeft gepresenteerd en zonder tegenprestatie te bedingen (dus: om niet) zijn gepretendeerde rechten als aandeelhouder aan haar heeft overgedragen (er zijn overigens geen stukken overgelegd die deze gang van zaken ondersteunen; met name blijkt het niet uit het hiervoor in rov. 2.2.7 bedoelde geschrift van 5 oktober 1998), kan [appellant] jegens [geïntimeerde] geen beroep op die gang van zaken doen. Zij is dan immers niet afgegaan op verklaringen of gedragingen van [geïntimeerde]. In haar verhouding met [geïntimeerde] is dan niet van doorslaggevend belang dat zij verkrijger te goeder trouw is van een aandeelbewijs betreffende toonderaandelen. Overigens is in het licht van de omstandigheid dat [“The Owner”]in het geschrift van

5 oktober 1998 zowel [geïntimeerde] als [appellant] noemt, twijfelachtig of [appellant] redelijkerwijs mocht menen dat [“The Owner”]voor zichzelf handelde en dus of zij als verkrijger te goeder trouw kan worden aangemerkt.

2.10

De omstandigheid dat [appellant] in 2006-2012 brieven aan

[geïntimeerde] heeft geschreven over uitbetaling van salaris vanwege directievoering en technische ondersteuning, verdraagt zich slecht met de stelling dat zij zichzelf als aandeelhouder van Nizaam beschouwde en redelijkerwijs mocht beschouwen.

2.11

Aan de hiervoor in rov. 2.2.16 weergegeven verklaring van [geïntimeerde] van 19 januari 2010 kan [appellant] geen rechten en in redelijkheid geen verwachtingen ontlenen. De verklaring is in een ander verband gegeven in een geding tussen andere partijen. De verklaring kan daarom niet worden aangemerkt als een handeling die interversie van houderschap tot gevolg heeft gehad als bedoeld in art. 3:111 BW. De verklaring doet ook niet af aan het hiervoor in rov. 2.8 gegeven oordeel over voorshands bewijs.

De enkele stelling dat [geïntimeerde] in de periode

7 maart 2001-23 augustus 2013 tegen [appellant] heeft gezegd: "Doe wat je wil, dat is van jou", is zonder nadere aanduiding van de tijd waarin en de omstandigheden waaronder hij dat zou hebben gezegd, te vaag om er enige gevolgtrekking aan te verbinden.

2.12

De omstandigheid dat AIB in 2002 Certificate 1 heeft afgegeven aan [appellant], zegt naar voorshands oordeel van het Hof niets over de vraag of tussen partijen [geïntimeerde] heeft te gelden als de rechthebbende op de aandelen, of over wat partijen op grond van elkaars verklaringen en gedragingen hierover hebben begrepen en redelijkerwijs mochten begrijpen. AIB is immers een derde die buiten de afspraken tussen [geïntimeerde] en [appellant] staat.

2.13

Het voorgaande leidt tot de slotsom dat voorshands bewezen is dat tussen partijen [geïntimeerde] geldt als de rechthebbende op de aandelen in Nizaam.

[appellant] zal worden toegelaten tot tegenbewijs.

2.14

Het Hof houdt ieder verder oordeel over de toewijsbaarheid van de verklaring voor recht aan. Over de vordering tot het doen van rekening en verantwoording houdt het Hof eveneens ieder oordeel aan. Hiermee is ieder oordeel aangehouden over grief IX. Voor zover de overige grieven in het voorgaande niet besproken zijn, behoeven zij geen bespreking bij gebrek aan belang.

B E S L I S S I N G

Het Hof:

laat [appellant] toe tot tegenbewijs tegen de stelling dat tussen partijen [geïntimeerde] geldt als de rechthebbende op de aandelen in Nizaam;

bepaalt dat [appellant], indien zij daartoe getuigen wil doen horen, deze kan voorbrengen op 20 september 2014 om 13.30 uur voor een nader aan te wijzen lid van het Hof, in het gerechtsgebouw in Aruba;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mrs. J. de Boer, G.C.C. Lewin en D. Radder, leden van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba en ter openbare terechtzitting van het Hof in Aruba uitgesproken op 30 augustus 2016 in tegenwoordigheid van de griffier.