Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGHACMB:2016:102

Instantie
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Datum uitspraak
16-08-2016
Datum publicatie
14-11-2016
Zaaknummer
AR 71670/14 - H 129/16
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afrekening elektrotechnisch werk

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Burgerlijke zaken over 2016 Vonnis no.:

Registratienummer: AR 71670/14 - H 129/16

Uitspraak: 16 augustus 2016

GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE

van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en

van Bonaire, Sint Eustatius en Saba

V O N N I S

in de zaak van:

de naamloze vennootschap

GARNET N.V.,

gevestigd in Curaçao,

oorspronkelijk eiseres,

thans appellante,

gemachtigde: mr. S.M. Saleh,

tegen

de besloten vennootschap

BETONBOUW CURAÇAO B.V.,

gevestigd in Curaçao,

oorspronkelijk gedaagde,

thans geïntimeerde,

gemachtigde: haar directeur D.H. Kleyn.

De partijen worden hierna Garnet en Betonbouw genoemd.

1 Het verloop van de procedure

1.1

Bij akte van appel van 2 november 2015 is Garnet in hoger beroep gekomen van het tussen partijen gewezen en op 21 september 2015 uitgesproken vonnis van het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao (verder: GEA).

1.2

Bij op 14 december 2015 ingekomen memorie van grieven, met producties, heeft Garnet haar eis gewijzigd en één grief tegen het vonnis aangevoerd en toegelicht. Haar conclusie strekt ertoe dat het Hof het vonnis zal vernietigen en, uitvoerbaar bij voorraad, haar gewijzigde vordering zal toewijzen, met veroordeling van Betonbouw in de proceskosten in beide instanties.

1.3

Bij memorie van antwoord, met producties, heeft Betonbouw de grief bestreden. Haar conclusie strekt ertoe dat het Hof het bestreden vonnis zal bevestigen, met veroordeling van Garnet in de proceskosten in beide instanties.

1.4

Op de daarvoor nader bepaalde dag hebben partijen pleitnotities overgelegd. Garnet heeft daarbij haar eis gewijzigd. Aan de pleitnotities van beide zijden zijn producties gehecht. Vonnis is gevraagd en bepaald op heden.

2 De beoordeling

2.1

Tussen partijen staat het volgende vast. Garnet is een elektrotechnisch bedrijf dat in opdracht van Betonbouw werkzaamheden heeft verricht voor een project op de marinebasis te Parera, Curaçao. De opdracht is verstrekt bij brief van 9 december 2013. Betonbouw heeft diverse meerwerkopdrachten verstrekt.

2.2

In dit geding heeft Garnet bij inleidend verzoekschrift van

23 december 2014 betaling gevorderd van een bedrag. Op 19 januari 2015 en 20 maart 2015 heeft Betonbouw betalingen aan Garnet verricht. Bij conclusie van repliek van 20 april 2015 heeft Garnet haar eis vermeerderd. Het GEA heeft de eisvermeerdering toegestaan, maar het gevorderde afgewezen.

Tegen deze afwijzing is het hoger beroep gericht. Bij memorie van grieven heeft Garnet haar eis gewijzigd. Bij pleitnota in hoger beroep heeft zij haar eis opnieuw gewijzigd.

2.3

Bij pleitnota in hoger beroep heeft Garnet een andere grondslag aan haar vordering gegeven. Zij gaat thans niet meer uit van haar eigen facturen, maar van een als productie 8 bij memorie van antwoord door Betonbouw gepresenteerde eindafrekening d.d. 28 oktober 2015, waarop volgens Garnet correcties moeten worden aangebracht.

Aldus heeft Garnet bij ieder door haar ingediend gedingstuk de hoogte en de grondslag van haar vordering gewijzigd. Het Hof zal recht doen op de eis zoals die bij pleitnota in hoger beroep luidt, maar zal gelet op de eisen van een goede procesorde geen verdere eiswijzigingen meer toestaan. Zuivere eisverminderingen zullen wel worden toegestaan, in die zin dat Garnet de door haar gevorderde posten geheel of gedeeltelijk mag intrekken, maar de overblijvende posten mogen geen nieuwe posten zijn.

2.4

Volgens Garnet heeft Betonbouw een aantal posten ten onrechte opgenomen in de post "voorgeschoten en doorbelaste kosten" van haar eindafrekening d.d. 28 oktober 2015, en wel als volgt.

A. Nog te factureren volgens Betonbouw NAf 10.284,01

Volgens Garnet ten onrechte door Betonbouw opgenomen in

de post "voorgeschoten en doorbelaste kosten":

B. Bankkosten (vijf keer) NAf 917,60

C. Vermaas 23,72

D. Handelingskosten 2.340,00

E. Administratiekosten 900,00

F. Schoonmaak (deels) 1.475,00

G. Lossen containers 500,00

H. Schilderen 500,00

I. Bijdrage boete 28.639,00

------------- +

Totaal B t/m I NAf 35.295,32 NAf 35.295,32

------------------ +

Totaal A t/m I (gevorderde hoofdsom) NAf 45.579,33

===========

2.5

Betonbouw heeft bij memorie van antwoord haar bereidheid uitgesproken het volgens haar nog te factureren bedrag van NAf 10.284,01 te betalen (post A), op voorwaarde dat Garnet haar voor dat bedrag factureert.

Het Hof geeft partijen in overweging mee te werken aan de volgende gang van zaken:

a. Garnet stuurt Betonbouw zo spoedig mogelijk een factuur ad NAf 10.284,01 met verwijzing naar de "eindafrekening" d.d. 28 oktober 2015;

b. Betonbouw betaalt dat bedrag en brengt een betalingsbewijs in het geding.

Daarmee zou het geschil over post A moeten zijn opgelost.

2.6

Het Hof zal Betonbouw in de gelegenheid stellen bij akte te specificeren wat de grondslag is voor het doorbelasten van de posten B tot en met I.

Garnet zal een antwoordakte kunnen nemen.

2.7

Wat betreft post I heeft Betonbouw de grondslag voor het doorbelasten al kort aangeduid in haar pleitnota: volgens haar is Garnet ten dele schuldig aan de verlate oplevering van het werk aan de hoofdopdrachtgever, de

Koninklijke Marine. Indien die stelling juist is, is dat een toereikende grondslag voor het doorbelasten van een deel van de boete. Het is aan Betonbouw om voldoende inzichtelijk voor wederpartij en rechter te stellen waarom de vertraging ten dele aan de schuld van Garnet is te wijten, en bij voldoende gemotiveerde betwisting daarvan, haar stellingen ter zake daarvan te bewijzen.

B E S L I S S I N G

Het Hof:

verwijst de zaak naar de rol van dinsdag 13 september 2016 voor akte aan de zijde van Betonbouw (zie rov. 2.5 onder b en 2.6);

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mrs. J. de Boer, G.C.C. Lewin en D. Radder, leden van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba en ter openbare terechtzitting van het Hof in Curaçao uitgesproken op 16 augustus 2016 in tegenwoordigheid van de griffier.