Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGHACMB:2015:96

Instantie
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Datum uitspraak
18-08-2015
Datum publicatie
28-06-2017
Zaaknummer
AR 1130/13 - ghis 72913 - H 124/15
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Aruba. Aanneming van werk. Bewijsopdracht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Burgerlijke zaken over 2015 Vonnis no.:

Registratienummer: AR 1130/13 - ghis 72913 - H 124/15

Uitspraak: 18 augustus 2015

GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE

van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en

van Bonaire, Sint Eustatius en Saba

V O N N I S

in de zaak van:

[APPELLANT],

wonende in Aruba,

oorspronkelijk eiser in conventie, verweerder in reconventie,

thans appellant,

gemachtigde: mr. D.C.A. Crouch,

tegen

de naamloze vennootschap

[GEÏNTIMEERDE] N.V.,

gevestigd in Aruba,

oorspronkelijk gedaagde in conventie, eiseres in reconventie,

thans geïntimeerde,

gemachtigde: mr. P.M.E. Mohamed.

De partijen worden hierna [appellant] en [geïntimeerde] genoemd.

1 Het verloop van de procedure

1.1

Bij akte van appel van 6 oktober 2014 is [appellant] in hoger beroep gekomen van het tussen partijen gewezen en op 27 augustus 2014 uitgesproken vonnis van het Gerecht in eerste aanleg van Aruba (verder: GEA).

1.2

Bij op 13 november 2014 ingekomen memorie van grieven, met producties, heeft [appellant] zes grieven tegen het vonnis aangevoerd en toegelicht. Zijn conclusie strekt ertoe dat het Hof het vonnis (gedeeltelijk) zal vernietigen en zijn vorderingen alsnog geheel zal toewijzen en die van [geïntimeerde] alsnog geheel zal afwijzen, met veroordeling van [geïntimeerde] in de proceskosten in beide instanties, uitvoerbaar bij voorraad.

1.3

Het Hof heeft geen memorie van antwoord bij de stukken aangetroffen.

1.4

Op de voor pleidooi nader bepaalde dag hebben partijen pleitnotities overgelegd. Vonnis is gevraagd en bepaald op heden.

2 De beoordeling

2.1

Tussen partijen staat het volgende vast.

2.1.1

Een ongedateerde "Construction Agreement" houdt in, samengevat weergegeven, dat [geïntimeerde] voor [appellant] een woonhuis zal bouwen tegen betaling van een aanneemsom van Afl. 175.722,78.

2.1.2 [

geïntimeerde] heeft een deel van het werk tot stand gebracht. [appellant] heeft in totaal Afl. 165.829,42 aan [geïntimeerde] betaald.

2.1.3

Bij brief van 13 maart 2013 heeft [appellant] verklaard de overeenkomst gedeeltelijk te ontbinden.

2.2

In dit geding heeft [appellant] (na vermeerdering van eis in eerste aanleg), samengevat weergegeven, (onder meer) betaling van Afl. 99.247,15 gevorderd, met rente. Dit bedrag is opgebouwd als volgt:

a. betaalde huur 17.250,00

b. kosten voltooiïng bouw 56.352,39

c. notariskosten 1.603,80

d. rente en kosten tweede hypotheek 22.540,96

e. kosten schaderapport 1.500,00

Het GEA heeft post a toegewezen tot een bedrag van Afl. 15.750,00 en de posten b tot en met e afgewezen. Het hoger beroep van [appellant] is gericht tegen de afwijzing van de posten b tot en met e.

In reconventie heeft [geïntimeerde] betaling gevorderd van diverse bedragen, waaronder Afl. 18.205,00 voor de levering van water en elektra. Het GEA heeft dat bedrag toegewezen. Tegen die toewijzing is het hoger beroep van [appellant] ook gericht.

2.3 [

geïntimeerde] heeft (ook in eerste aanleg) niet (voldoende duidelijk) betwist dat [appellant] op 13 maart 2013 bevoegd was de overeenkomst op de voet van art. 6:265 BW gedeeltelijk te ontbinden. Dat brengt mee dat [appellant] schadevergoeding op de voet van art. 6:277 lid 1 BW kan vorderen.

Indien wederzijdse nakoming had plaatsgevonden, had [appellant] geen andere aannemer in de arm behoeven te nemen en in dat verband geen kosten behoeven te maken. Rov. 4.6 van het bestreden vonnis is daarom niet juist.

Wel dient bij eventuele toewijsbaarheid van de door [appellant] opgevoerde schadeposten het bedrag van het toewijsbare bedrag te worden afgetrokken dat overeenkomt met het onbetaald gebleven gedeelte van de overeengekomen aanneemsom. Indien wederzijdse nakoming had plaatsgevonden, had [appellant] die aanneemsom immers geheel betaald.

2.4

Post b (grieven 1 en 5) is onderbouwd met een door [betrokkene 1] opgestelde specificatie van 7 februari 2013 (prod. 6 bij inleidend verzoekschrift) en een door [betrokkene 1] opgesteld "voortgang- en mankementenrapport" van 6 september 2012 (prod. 3b bij inleidend verzoekschrift). [geïntimeerde] heeft de specificatie per post betwist bij conclusie van antwoord (onder 15). [appellant] heeft deze betwistingen bij conclusie van repliek per post besproken en daarbij enige wijzigingen aangebracht op de specificatie van [betrokkene 1], hetgeen leidde tot een vermindering van post b (akte houdende vermeerdering van eis, p. 2, waarbij post b is verminderd en andere posten zijn toegevoegd). Bij conclusie van dupliek is [geïntimeerde] niet meer voldoende specifiek ingegaan op post b. Met de toelichting op grief 1 en de bijbehorende producties heeft [appellant] post b in hoger beroep nader onderbouwd. [geïntimeerde] heeft bij pleidooi in hoger beroep verwezen naar haar stellingen in eerste aanleg en naar de schriftelijke verklaringen van [betrokkene 2] en [betrokkene 3]. Tegenover de bij conclusie van repliek en memorie van grieven nader gespecificeerde en nader onderbouwde stellingen ter zake van post b is de betwisting onvoldoende. Daarom moet worden aangenomen dat deze post geheel ziet op kosten die nodig waren om de woning in een zodanige afgebouwde staat opgeleverd te krijgen door anderen als deze volgens de overeenkomst door [geïntimeerde] had moeten worden opgeleverd. [geïntimeerde] heeft weliswaar bij pleidooi in hoger beroep gesteld dat [appellant] schade stelt die in strijd met de waarheid is en de schade behoorlijk opklopt, maar deze stelling is onvoldoende specifiek. Aan bewijslevering komt het Hof daarom niet toe.

Post b is dus toewijsbaar, met dien verstande dat ervan moet worden afgetrokken het onbetaald gebleven gedeelte van de aanneemsom d.w.z.

Afl. 175.722,78 minus Afl. 165.829,42 is Afl. 9.893,36.

De post is dus toewijsbaar tot:

Afl. 56.352,39 minus Afl. 9.893,36 is Afl. 46.459,03.

[geïntimeerde] heeft aangevoerd dat het aan haar betaalde bedrag van Afl. 165.829,42 deels ziet op meerwerk, maar die stelling is onvoldoende gespecificeerd en wordt gepasseerd.

2.5

De posten c en d (grieven 2 en 3) hebben betrekking op de stelling van [appellant] dat hij om de kosten van voltooiïng van de bouw te kunnen betalen een hypothecaire lening heeft moeten aangaan, met notariskosten en financieringslasten tot gevolg. [geïntimeerde] heeft dat niet voldoende gemotiveerd betwist. Zij heeft ook de hoogte van de gevorderde bedragen niet betwist. Deze posten zijn daarom toewijsbaar.

2.6

Post e (grief 4) heeft betrekking op de kosten van een schaderapport. Dit zijn redelijke kosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid. Zij komen daarom als vermogensschade mede voor vergoeding in aanmerking.

2.7

Van de vorderingen van [appellant] moet dus het volgende worden toegewezen:

a. betaalde huur 15.750,00

b. kosten voltooiïng bouw 46.459,03

c. notariskosten 1.603,80

d. rente en kosten tweede hypotheek 22.540,96

e. kosten schaderapport 1.500,00

------------ +

87.853,79

2.8

De wettelijke rente over post a blijft zoals toegewezen door het GEA.

De wettelijke rente over post b is niet toewijsbaar vanaf 14 september 2012, zoals gevorderd, omdat deze kosten toen nog niet waren gemaakt. Blijkens de producties onder 19 bij conclusie van repliek zijn de meeste bedragen rond

1 mei 2013 betaald. Ten behoeve van de executeerbaarheid zal het Hof die datum aanhouden voor de gehele post b. De wettelijke rente over post c is blijkens productie 12 bij conclusie van repliek toewijsbaar vanaf 5 juli 2013.

De wettelijke rente over post d is toewijsbaar vanaf 19 november 2013, de datum van indiening van de akte houdende vermeerdering van eis.

De wettelijke rente over post e is toewijsbaar vanaf 14 september 2012, zoals gevorderd.

2.9

Grief 6 heeft betrekking op de door het GEA toegewezen tegenvordering van Afl. 18.205,00 voor de levering van water en elektra. In de stellingen van [geïntimeerde] op p. 5-6 van de conclusie van antwoord in conventie, eis in reconventie, ligt besloten dat [geïntimeerde] drie watercontainers en een hoeveelheid water heeft moeten kopen, gedurende zeven maanden generatoren heeft moeten huren en voor die generatoren diesel heeft moeten kopen om de werkzaamheden aan de woning te kunnen doen. [appellant] heeft dat gemotiveerd en gedocumenteerd betwist. [geïntimeerde] heeft bewijs aangeboden van haar stellingen ter zake hiervan (pleitnota in hoger beroep onder 18 en 19). Tot dat bewijs zal zij worden toegelaten. Dat is geen reden om de vorderingen van [appellant], voor zover die toewijsbaar zijn bevonden, niet thans reeds toe te wijzen.

2.10

Het voorgaande leidt tot de volgende beslissingen.

B E S L I S S I N G

Het Hof:

vernietigt het vonnis waarvan beroep, voor zover in conventie gewezen,

en in zoverre opnieuw rechtdoende:

veroordeelt [geïntimeerde] om tegen bewijs van kwijting aan [appellant] te betalen Afl. 87.853,79, te vermeerderen met de wettelijke rente gerekend vanaf

14 september 2012 over Afl. 7.500,00 en over iedere na september 2012 tot en met maart 2013 verschenen huurtermijn per huurtermijn telkens gerekend vanaf de datum van verschijning daarvan, vanaf 1 mei 2013 over

Afl. 46.459,03, vanaf 5 juli 2013 over Afl. 1.603,80, vanaf 19 november 2013 over Afl. 22.540,96 en vanaf 14 september 2012 over Afl. 1.500,00;

verklaart deze veroordeling uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders door [appellant] gevorderde;

draagt [geïntimeerde] op te bewijzen dat zij drie watercontainers en een hoeveelheid water heeft moeten kopen, gedurende zeven maanden generatoren heeft moeten huren en voor die generatoren diesel heeft moeten kopen om de werkzaamheden aan de woning te kunnen doen;

bepaalt dat indien [geïntimeerde] daartoe getuigen wil doen horen, zij deze op

dinsdag 13 oktober 2015 te 13.30 uur in het gerechtsgebouw in Aruba kan voorbrengen voor een nader aan te wijzen lid van het Hof;

bepaalt dat [geïntimeerde] de namen en woonplaatsen van de getuigen ten minste drie dagen voor het verhoor aan [appellant] en aan het Hof moet opgeven;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mrs. J. de Boer, G.C.C. Lewin en V.P. Maria, leden van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba en ter openbare terechtzitting van het Hof in Aruba uitgesproken op 18 augustus 2015 in tegenwoordigheid van de griffier.