Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGHACMB:2015:82

Instantie
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Datum uitspraak
09-10-2015
Datum publicatie
26-08-2016
Zaaknummer
AR 126/2013 Ghis 72585 H-95/15
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Overeenkomst tot levering van goederen. Ontbinding na tekortkoming. Afrekening.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Burgerlijke zaken over 2015 Vonnisno.:

Registratienummer: AR 126/2013 Ghis 72585 H-95/15

Uitspraak: 9 oktober 2015

GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE

van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en

van Bonaire, Sint Eustatius en Saba

VONNIS

in de zaak van:

de naamloze vennootschap

SIMPSONBAY DIESEL SERVICES N.V.,

gevestigd te Sint Maarten,

oorspronkelijk gedaagde, thans appellante,

gemachtigden: mrs. R.F. Gibson jr. en J.J. Rogers,

tegen

de vennootschap naar Frans recht

2 SWEDES S.A.R.L.,

gevestigd te Saint-Barthélemy,

oorspronkelijk eiseres, thans geïntimeerde,

gemachtigde: voorheen mr. L.G.J. Berman, thans mr. F. Kutluer.

Partijen worden hierna ook SDS en 2 Swedes genoemd.

1 Het verloop van de procedure

1.1

Voor hetgeen in eerste aanleg is gesteld en verzocht, voor de procesgang aldaar en voor de overwegingen en beslissingen van het Gerecht in eerste aanleg van Sint Maarten (hierna: GEA) wordt verwezen naar het tussen partijen in deze zaak gewezen vonnis van 11 februari 2014. De inhoud van dit vonnis geldt als hier ingevoegd.

1.2

SDS is tijdig in hoger beroep gekomen door indiening op 25 maart 2014 van een daartoe strekkende akte van hoger beroep. Op 6 mei 2014 heeft SDS een memorie van grieven met producties ingediend, waarbij vijf grieven zijn voorgedragen en toegelicht. Haar conclusie strekt ertoe dat het Hof het vonnis waarvan beroep zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, de conventionele vordering van 2 Swedes alsnog zal afwijzen en 2 Swedes zal bevelen het op 14 augustus 2013 gelegde conservatoir derdenbeslag onder de Windward Islands Bank Ltd. op straffe van verbeurte van een dwangsom op te (doen) heffen. Tot slot vordert SDS dat 2 Swedes wordt veroordeeld in de kosten van beide instanties, vermeerderd met de wettelijke rente.

1.3 2

Swedes heeft op 3 juli 2014 een memorie van antwoord ingediend waarin zij heeft geconcludeerd tot bevestiging van het vonnis waarvan beroep, met veroordeling van SDS in de kosten van deze procedure, vermeerderd met de wettelijke rente.

1.4

Partijen hebben, hoewel zij daartoe herhaald in de gelegenheid zijn gesteld, van het voeren van pleidooi afgezien.

1.5

Vervolgens is vonnis nader bepaald op heden.

2 De feiten

2.1

De in het bestreden vonnis onder 3 a tot en met f opgesomde feiten zijn in hoger beroep niet bestreden, zodat ook het Hof die feiten tot uitgangspunt kan nemen. Het Hof zal deze feiten wederom opsommen en aanvullen zoals hierna te vermelden.

2.2

Op grond van een schriftelijke overeenkomst voor onbepaalde tijd van 29/30 november 2007 tussen 2 Swedes en SDS (hierna: de overeenkomst) heeft 2 Swedes goederen aan SDS verkocht en geleverd.

2.3 2

Swedes heeft ter zake van deze verkopen en leveringen facturen aan SDS verstrekt.

2.4

Artikel 4.1 van de overeenkomst stipuleert een eigendomsvoorbehoud: “The goods remain property of Importer till total payment is made by Dealer.”

2.5

Artikel 10 van de overeenkomst stipuleert een opzeggingsbevoegdheid van 2 Swedes.

2.6

SDS heeft op 2 december 2010 een bedrag van US$ 6.000,- aan 2 Swedes betaald en op 21 juni 2011 en 8 juni 2012 telkens een bedrag van US$ 3.000,-.

2.7

In een mailbericht van 21 januari 2013 van SDS aan Anderson is gesteld: “Hi Alf I should be able to pay you by the end of February.”

2.8

Tot april 2013 was [naam directeur] directeur van SDS. Per april 2013 heeft John Gifford (hierna: Gifford) deze functie van [naam directeur] overgenomen.

2.9

Op 23 mei 2013 heeft 2 Swedes een inventaris opgemaakt van de door 2 Swedes aan SDS geleverde en door SDS nog niet doorverkochte goederen.

2.10

Bij brief van 9 januari 2014 heeft 2 Swedes de overeenkomst tussen partijen ontbonden ‘due to non-performance’.

3 De beoordeling

3.1 2

Swedes heeft in eerste aanleg – na wijziging van eis en samengevat – gevorderd dat SDS wordt veroordeeld tot betaling aan haar van (i) US$ 32.426,98 ter zake niet betaalde facturen, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 6 juli 2012, (ii) US$ 14.174,34 ter zake van niet verkochte en niet terug geleverde goederen, vermeerderd met de wettelijke rente, (iii) US$ 5.700,- aan buitengerechtelijke kosten, beslagkosten en nakosten, alles vermeerderd met de wettelijke rente en (iv) de kosten van het geding, eveneens vermeerderd met de wettelijke rente. Het GEA heeft geoordeeld dat 2 Swedes de vorderingen voldoende heeft onderbouwd, dat voor zover schadevergoeding is gevorderd de redelijkheid en billijkheid zich ertegen verzetten dat SDS zich erop beroept dat zij niet in gebreke is gesteld en dat de overeenkomst niet is geëindigd. Het GEA heeft vervolgens het gevorderde, met uitzondering van de gevorderde buitengerechtelijke kosten en nakosten, afgewezen.

3.2

De eerste grief richt zich tegen het oordeel van het GEA dat de vordering van 2 Swedes voldoende is onderbouwd en de tweede grief richt zich tegen het passeren van het verweer dat Gifford niet heeft kunnen nagaan om welke vordering of facturen het gaat. Volgens SDS heeft het GEA de stelling dat haar directeur niet bekend is met de vermeende vordering verkeerd geïnterpreteerd. Nu evenwel in hoger beroep mogelijke verzuimen of feitelijke onjuistheden die zich in eerste aanleg hebben voorgedaan kunnen worden hersteld, heeft SDS geen zelfstandig belang bij beoordeling van deze twee grieven.

Niet betaalde facturen

3.3 2

Swedes heeft haar vordering door middel van de door haar overgelegde facturen onderbouwd. Nu SDS niet, althans onvoldoende heeft weersproken dat de op deze facturen vermelde goederen aan haar zijn geleverd, is zij gehouden deze facturen te voldoen. Weliswaar heeft SDS bestreden dat de gefactureerde toeslag van 25% is overeengekomen en aangevoerd dat dit 15% moet zijn, maar dit enkele, niet nader onderbouwde verweer treft in het licht van de reeds door haar betaalde facturen die eveneens op een toeslag van 25% zijn gebaseerd, geen doel. Ook het verweer dat op het door haar aan 2 Swedes verschuldigde bedrag US$ 2.357,94 in mindering moet worden gebracht, kan niet slagen. 2 Swedes heeft gemotiveerd betwist dit bedrag aan SDS verschuldigd te zijn en SDS heeft haar stelling in respons daarop niet nader toegelicht of geconcretiseerd, zodat deze als onvoldoende onderbouwd wordt verworpen.

3.4

SDS heeft voorts nog gesteld dat zij reeds vóór 23 november 2010 een drietal betalingen aan 2 Swedes heeft gedaan en dat deze betalingen op het door haar verschuldigde bedrag in mindering moet worden gebracht. Ook dit betoog faalt. 2 Swedes heeft de betalingen betwist en SDS heeft geen stukken overgelegd ter onderbouwing daarvan noch heeft zij gesteld wanneer die betalingen zouden zijn gedaan. Zelf indien en voor zover er vanuit wordt gegaan dat de door SDS gestelde betalingen wel zijn gedaan, geldt dat voor de hand ligt dat deze betalingen, zoals 2 Swedes niet (meer) weersproken heeft gesteld, reeds op het door 2 Swedes op 23 november 2013 genoemde bedrag in mindering zijn gebracht. Tot een vermindering van de vordering kunnen deze betalingen dan ook niet leiden. Het in dit verband door SDS gedane bewijsaanbod zal als niet ter zake dienende worden gepasseerd.

3.5

Het voorgaande brengt mee dat SDS aan 2 Swedes het gevorderde bedrag van

US$ 32.426,98 is verschuldigd. Het GEA heeft dit deel van de vordering van 2 Swedes derhalve terecht, zij het op andere gronden, toegewezen. De derde grief faalt.

Niet verkochte en niet terug geleverde onderdelen

3.6 2

Swedes heeft onder overlegging van een door SDS opgestelde inventarislijst gesteld, en SDS heeft niet, althans onvoldoende weersproken, dat 2 Swedes voor een bedrag van US$ 14.174,34 aan goederen aan SDS heeft geleverd. Blijkens de door 2 Swedes (in punt 2 van het inleidend verzoekschrift) betrokken stelling, dienen deze goederen eerst te worden betaald indien ze door SDS zijn doorverkocht. SDS heeft dit beaamd en het vindt ook bevestiging in artikel 1.6 van de overeenkomst. Niet is in geschil dat de goederen niet zijn doorverkocht, zodat in beginsel nog geen betalingsverplichting bestaat. Voor toewijzing van dit deel van de vordering op grond van een vordering tot nakoming bestaat, anders dan het GEA heeft geoordeeld, dan ook geen grond.

3.7

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, is de overeenkomst tussen partijen per brief van 9 januari 2014 rechtmatig ontbonden. Dit brengt mee dat een verbintenis tot ongedaanmaking van de reeds ontvangen prestaties is ontstaan en dat SDS de door haar ontvangen goederen aan 2 Swedes dient te retourneren. Met het GEA is het Hof van oordeel dat moet worden aangenomen dat SDS onbereidwillig is de goederen te retourneren. Weliswaar heeft SDS in haar memorie van grieven gesteld dat 2 Swedes de goederen te allen tijde op kan halen, maar dit kan haar niet baten. Niet alleen heeft 2 Swedes betwist dat SDS haar daartoe, ondanks verzoeken, in de gelegenheid heeft gesteld, ook rust op SDS de ongedaanmakingsverbintenis zodat het op haar weg ligt de goederen te retourneren. Gesteld noch gebleken is dat SDS dit heeft gedaan dan wel voornemens is te doen. Het voorgaande brengt mee dat SDS is gehouden het bedrag van US$ 14.174,34 bij wijze van schadevergoeding aan 2 Swedes te betalen.

3.8

Het GEA heeft derhalve ook dit deel van de vordering terecht, zij het eveneens op andere gronden, toegewezen. De in dit verband aangevoerde vierde grief faalt.

Wettelijke rente

3.9

De vijfde grief richt zich tegen de toegewezen wettelijke rente over het op grond van de niet betaalde facturen verschuldigde bedrag vanaf 6 juli 2012. Volgens SDS kan niet worden gezegd dat de wettelijke rente vanaf die datum is verschuldigd. Deze grief slaagt. Uit de ter adstructie van de verschuldigdheid van de wettelijke rente overgelegde e-mail van 6 juli 2012 volgt niet dat de wettelijke rente is aangezegd en evenmin dat het thans verschuldigde bedrag wordt bedoeld. Gelet hierop zal de wettelijke rente worden toegewezen vanaf de dag van de betekening van de dagvaarding in eerste aanleg, nu deze als een sommatie tot betaling kan worden aangemerkt. Voor wat betreft de wettelijke rente slaagt het beroep.

3.10

Het vorenoverwogene brengt mee dat het vonnis waarvan beroep wordt bevestigd, met uitzondering van de wettelijke rente over de gevorderde hoofdsom van

US$ 32.426,98. Voor opheffing van het door 2 Swedes gelegde beslag bestaat geen grond.

Proceskosten

3.11

SDS wordt als de grotendeels in het ongelijk te stellen partij veroordeeld in de kosten van het geding, aan de zijde van 2 Swedes begroot op NAf 2.200,- aan salaris gemachtigde. De wettelijke rente zal worden toegewezen vanaf de vijftiende dag na betekening van dit vonnis.

BESLISSING

Het Hof:

- vernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover dat ziet op de toegewezen wettelijke rente vanaf 6 juli 2012 over het bedrag van US$ 32.426,98, en opnieuw rechtdoende;

- veroordeelt SDS om aan 2 Swedes te betalen de wettelijke rente over het bedrag van US$ 32.426,98 vanaf 23 augustus 2013 tot de dag der algehele voldoening van dat bedrag;

- bevestigt het vonnis van beroep voor het overige;

- veroordeelt SDS in de kosten van het hoger beroep, aan de zijde van 2 Swedes tot op heden begroot op NAf 2.200,- aan gemachtigdensalaris, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de vijftiende dag na betekening van dit vonnis.

Dit vonnis is gewezen door mrs. S. Verheijen, T.A.M. Tijhuis en H. Fehmers, leden van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie, en ter openbare terechtzitting van het Hof in Sint Maarten in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken op 9 oktober 2015.