Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGHACMB:2015:81

Instantie
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Datum uitspraak
09-10-2015
Datum publicatie
26-08-2016
Zaaknummer
KG 157/14 Ghis 73408 H-162/15
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Kort geding. Aanleg van een pier. Hoe verhouden de rechten van erfpacht zich tot de uit de concessie voortvloeiende rechten?

Moeten de waterpercelen waarop de pier wordt gebouwd tot de van de concessie uitgezonderde havenfaciliteit worden gerekend? Beantwoording kan niet in dit kort geding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Burgerlijke zaken over 2015 Vonnisno.:

Registratienummer: KG 157/14 Ghis 73408 H-162/15

Uitspraak: 9 oktober 2015

GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE

van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en

van Bonaire, Sint Eustatius en Saba

VONNIS IN KORT GEDING

in de zaak van:

de naamloze vennootschap

SINT MAARTEN HARBOUR HOLDING COMPANY N.V.,

gevestigd te Sint Maarten,

oorspronkelijk eiseres,

thans appellante,

gemachtigden: mrs. J.B.C. van Amersfoort en E.R. de Vries,

tegen

de naamloze vennootschap

DOCK MAARTEN N.V.,

gevestigd te Sint Maarten,

oorspronkelijk gedaagde,

thans geïntimeerde,

gemachtigden: mrs. R. Zwanikken en N. Hijmans.

Partijen worden hierna SMH Holding en Dock Maarten genoemd.

1 Het (verdere) verloop van de procedure

in de hoofdzaak

1.1

Voor hetgeen in eerste aanleg is gesteld en verzocht, voor de procesgang aldaar en voor de overwegingen en beslissingen van het Gerecht in eerste aanleg van Sint Maarten (hierna: GEA) wordt verwezen naar het tussen partijen in deze zaak gewezen vonnis in kort geding van 5 december 2014. De inhoud van dit vonnis geldt als hier ingevoegd.

1.2

Het Land is in hoger beroep gekomen door indiening op 19 december 2014 van een daartoe strekkende akte van hoger beroep en een memorie van grieven met producties (waarbij één grief is voorgedragen en toegelicht), tevens inhoudende een verzoek ex artikel 235 Rv en een incidentele vordering tot het treffen van een voorlopige voorziening ex artikel 178 Rv. De conclusie van SMH Holding in de hoofdzaak strekt ertoe dat het Hof het vonnis waarvan beroep zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, de vorderingen van SMH Holding alsnog zal toewijzen, met veroordeling van Dock Maarten in de proceskosten van beide instanties, uitvoerbaar bij voorraad.

1.3

Dock Maarten heeft op 10 februari 2015 een memorie van antwoord ingediend waarin zij heeft geconcludeerd tot bevestiging van het vonnis waarvan beroep, met veroordeling van SMH Holding, uitvoerbaar bij voorraad, in de kosten vermeerderd met de wettelijke rente.

1.4

Op de daarvoor bepaalde dag hebben partijen ieder aan de hand van aan het Hof overgelegde pleitaantekeningen schriftelijk pleidooi gevoerd.

1.5

Vervolgens is vonnis nader bepaald op heden.

in het incident

1.6

Bij vonnis van 13 maart 2015 heeft het Hof de incidentele vordering van SMH Holding afgewezen en iedere beslissing over de kosten van het incident aangehouden.

2 De beoordeling

in de hoofdzaak

2.1

Anders dan in de memorie van antwoord staat vermeld, zijn de akte van appel en de memorie van grieven niet op 2 januari 2015, maar op 21 januari 2015 aan Dock Maarten betekend. De memorie van antwoord is derhalve tijdig ingediend. Het Hof zal acht slaan op de inhoud daarvan.

2.2

In de aard van de vordering ligt de spoedeisendheid besloten.

2.3

De voorzieningenrechter heeft in het bestreden vonnis onder 3 (a tot en met g) de feiten opgesomd die hij tot uitgangspunt heeft genomen. Hiertegen is niet gegriefd. De feiten komen, samengevat en ten dele aangevuld, neer op het volgende.

2.3.1

In de Verordening havenconcessies (AB 2007, nr. 15) is bepaald dat bij eilandsbesluit, houdende algemene maatregelen, havens kunnen worden aangewezen die van algemeen economisch belang zijn (artikel 1) en dat de exploitatie van een aldus aangewezen haven dient te geschieden op basis van een krachtens de Verordening Havenconcessies verleende concessie (artikel 2).

2.3.2

Bij Besluit aanwijzing Groot Baai en Kool Baai (A.B. 2007, nr. 17) is (onder meer) als een haven van algemeen economisch belang als bedoeld in artikel 1 van de Verordening havenconcessies aangewezen “de havenfaciliteiten aan en in de Groot Baai, omvattende de vrachthaven, de faciliteiten voor cruiseschepen en de A.C. Wathey Pier te Pointe Blanche, de Captain Hodge Warf te Philipsburg, alsmede de overige wateren van de Groot Baai en de daarin aan te leggen bouwwerken, met uitzondering van de in particulier beheer zijnde havenfaciliteiten, gelegen tussen de faciliteiten te Pointe Blanche en het strand van de Groot Baai, alsmede een strook van de territoriale zee van de Nederlandse Antillen die niet verder strekt dan twee honderd meter gemeten vanaf de afsluitingslijn voor de Groot Baai”.

2.3.3

Bij besluit van 11 juli 2007 (nr. 492) is door het bestuurscollege van het toenmalige eilandgebied Sint Maarten aan SMH Holding voor de duur van 30 jaren een concessie verleend als bedoeld in artikel 2 van de Verordening Havenconcessies. Het concessiegebied omvat de havens genoemd in het Besluit aanwijzing Groot Baai en Kool Baai en betreft alle havenactiviteiten die, op het moment van verlening van de concessie of in de toekomst, onderdeel uitmaken van het beheer en de exploitatie van de wateren en terreinen die het concessiegebied vormen, waaronder (voor zover hier van belang) in elk geval het aanleggen van bouwwerken voor bepaalde, opgesomde, bestemmingen.

2.3.4

Het Land Sint Maarten heeft bij notariële akte van 4 november 2009, ingeschreven in de daartoe bestemde registers op 5 november 2009, ten behoeve van Dock Maarten rechten van erfpacht op een viertal (opgevulde) waterpercelen gevestigd, alsmede bij notariële aktes van 10 oktober 2011 (ingeschreven op 11 oktober 2011) en 14 december 2012 (ingeschreven op diezelfde dag) het recht van erfpacht op nog een tweetal waterpercelen.

2.3.5

Op 6 december 2013 heeft Dock Maarten een aanvraag ingediend bij het Ministerie van VROMI van ( het land) Sint Maarten voor de verlening van een bouwvergunning voor het project ‘Dock Maarten Expansion, Philipsburg, Sint Maarten’. Bij besluit van 21 juli 2014 is een bouwvergunning verleend ‘to construct a rock revetment (…) located at Juancho Yrausquin Blvd. # 26, Philipsburg Great bay (…)’.

2.4

SMH Holding stelt zich in deze procedure op het standpunt dat Dock Maarten onrechtmatig jegens haar handelt doordat Dock Maarten in strijd met het aan SMH Holding door middel van de concessie toegekende exclusieve recht om in het concessierecht te bouwen, een pier in het concessiegebied Groot Baai bouwt. Volgens SMH Holding heeft de eerste rechter ten onrechte geoordeeld dat de bouwactiviteiten van Dock Maarten vanwege de formele rechtskracht van de bouwvergunning ook jegens SMH Holding rechtmatig zijn.

2.5

Het Hof oordeelt hierover als volgt.

2.6

Tussen partijen is niet in geschil dat Dock Maarten reeds geruime tijd voor het verlenen van de concessie aan SMH Holding een jachthaven in de Groot Baai exploiteerde en dat deze haven als een in particulier beheer zijnde havenfaciliteit moet worden aangemerkt die als zodanig buiten de concessie valt. Tevens is tussen partijen niet in geschil dat de waterpercelen waarop Dock Maarten het recht van erfpacht heeft verkregen in het concessiegebied zijn gelegen en dat Dock Maarten op deze waterpercelen met de aanleg van een stenen pier is begonnen. Gesteld noch gebleken is dat de bouw van de pier niet overeenkomstig de bouwvergunning geschiedt.

2.7

Anders dan het GEA heeft geoordeeld, is naar het voorlopig oordeel van het Hof de formele rechtskracht van de aan Dock Maarten verleende bouwvergunning niet van doorslaggevende betekenis voor de vraag of Dock Maarten met de aanleg van de stenen pier onrechtmatig jegens SMH Holding handelt. Voor het antwoord op die vraag is in de eerste plaats van belang hoe de aan Dock Maarten verleende zakenrechtelijke rechten van erfpacht zich verhouden tot de uit de concessie voortvloeiende rechten van SMH Holding en of de waterpercelen waarop de erfpachtrechten (na uitgifte van de concessie) zijn gevestigd (en waarop de pier wordt gebouwd) al dan niet tot de van de concessie uitgezonderde havenfaciliteit van Dock Maarten moeten worden gerekend. De beantwoording van deze vragen vergt naar het oordeel van het Hof nader onderzoek, al dan niet in een procedure waarbij ook het Land Sint Maarten als concessieverlener en erfverpachter is betrokken. Dit kort geding is daartoe niet geëigend.

2.8

Nu SMH Holding daarenboven onvoldoende naar voren heeft gebracht om het oordeel te dragen dat in dit geval een voorziening uit hoofde van onverwijlde spoed is geboden, is het gevorderde niet toewijsbaar.

2.9

Het GEA heeft de vorderingen van SMH Holding derhalve terecht, zij het op andere gronden, afgewezen. Het hoger beroep is door SMH Holding tevergeefs ingesteld.

2.10

SMH Holding zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten in hoger beroep, aan de zijde van Dock Maarten tot op heden begroot op NAf 3.400,- aan salaris gemachtigde. De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten zal worden toegewezen zoals hierna te vermelden.

in het incident

2.11

Gelet op hetgeen hiervoor in de hoofdzaak is overwogen, zal SMH Holding worden veroordeeld in de kosten van het incident. Deze kosten worden aan de zijde van Dock Maarten tot op heden begroot op NAf 850,- aan salaris gemachtigde.

BESLISSING

Het Hof:

in de hoofdzaak

- bevestigt het vonnis waarvan beroep;

- veroordeelt SMH Holding in de kosten van het geding in hoger beroep, aan de zijde van Dock Maarten tot op heden begroot op NAf 3.400,- aan salaris gemachtigde, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf de vijftiende dag na heden;

- verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;

in het incident

- veroordeelt SMH Holding in de kosten van het incident, aan de zijde van Dock Maarten tot op heden begroot op NAf 850,- aan salaris gemachtigde;

- verklaart deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mrs. J. de Boer, G.C.C. Lewin en T.A.M. Tijhuis, leden van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie, en ter openbare terechtzitting van het Hof in Curaçao in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken op 9 oktober 2015.