Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGHACMB:2015:57

Instantie
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Datum uitspraak
22-09-2015
Datum publicatie
11-01-2016
Zaaknummer
KG 73692/15 - H 247/15
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep kort geding
Inhoudsindicatie

machtenscheiding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Burgerlijke zaken over 2015 Vonnis no.:

Registratienummer: KG 73692/15 - H 247/15

Uitspraak: 22 september 2015

GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE

van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en

van Bonaire, Sint Eustatius en Saba

V O N N I S

in kort geding in de zaak van:

1 [appellant],

wonende in Curaçao,

2. de vereniging

MOVEMENTO FUTURO KORSOU,

gevestigd in Curaçao,

oorspronkelijk eisers,

thans appellanten,

gemachtigde: mr. D.A.A. Boersema,

tegen

1 DE VOORZITTER VAN DE STATEN VAN HET LAND CURAÇAO,

kantoorhoudend in Curaçao,

2. de openbare rechtspersoon

HET LAND CURAÇAO,

zetelend in Curaçao,

oorspronkelijk gedaagden,

thans geïntimeerden,

gemachtigden: mrs. W.R. Flocker en I.U.C. Narain.

De partijen worden hierna [appellant], MFK, de voorzitter en het Land genoemd.

1. Het verloop van de procedure

1.1

Bij akte van appel, tevens memorie van grieven, van 4 juni 2015 zijn [appellant] en MFK in hoger beroep gekomen van het in kort geding tussen partijen gewezen en op 20 mei 2015 uitgesproken vonnis van het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao (verder: GEA). Hierbij hebben [appellant] en MFK drie grieven tegen het vonnis aangevoerd en toegelicht. Hun conclusie luidt dat het Hof moge behagen het vonnis waarvan beroep te vernietigen en opnieuw recht doende uitspraak te doen in het geschil en een door het Hof in goede justitie te bepalen orgaan van het Land Curaçao te veroordelen tot betaling van de kosten in beide instanties.

1.2

Een memorie van antwoord heeft het Hof niet aangetroffen.

1.3

Op 11 augustus 2015 hebben partijen pleitnota's overgelegd. Vonnis is gevraagd en bepaald op heden.

2. De beoordeling

2.1

Het Hof zal uitgaan van de volgende feiten.

2.1.1 [

appellant] is leider van de politieke partij MFK. Hij is voor die partij lid van de Staten van Curaçao.

2.1.2

Voorzitter van de Staten is het statenlid [statenlid].

2.1.3

Op vrijdag 17 april 2015 vond in de Staten een beraadslaging plaats over het Adviesrapport Reorganisatie Feffik van de SOAB. Hierbij heeft onder anderen [appellant] het woord gevoerd. Op enig moment heeft de voorzitter [appellant] het woord ontnomen. Na een schorsing van de vergadering heeft de voorzitter [appellant] van de vergadering uitgesloten op grond van art. 78 van het Reglement van Orde voor de Staten van Curaçao (RvO).

2.1.4 [

appellant] heeft de voorzitter bij brief van maandag 20 april 2015 verzocht terug te komen van het besluit hem uit te sluiten van de op 17 april 2015 aangevangen vergadering van de Staten.

2.1.5

Bij brief van 20 mei 2015 heeft de voorzitter geantwoord dat er geen gronden zijn om het verzoek te honoreren.

2.1.6

Ten tijde van de uitspraak van het bestreden vonnis (20 mei 2015) was het de verwachting dat de desbetreffende vergadering op donderdag

21 mei 2015 om 09:00 uur zou worden hervat.

2.2

In dit kort geding hebben [appellant] en MFK gevorderd dat de voorzitter zal worden bevolen Schotte toe te laten tot de voortzetting van de vergadering, met verwijzing van de voorzitter, dan wel het Land, in de proceskosten.

Het GEA heeft [appellant] en MFK niet-ontvankelijk verklaard in de vorderingen tegen de voorzitter. Hiertegen is grief 1 gericht. Voor het overige heeft het GEA zich onbevoegd verklaard. Hiertegen is grief 2 gericht. Ten slotte heeft het GEA (uitvoerbaar bij voorraad) [appellant] en MFK in de proceskosten veroordeeld. Hiertegen is grief 3 gericht.

2.3

Bij gebrek aan andersluidende informatie houdt het Hof het erop dat de behandeling van het Adviesrapport Reorganisatie Feffik van de SOAB in de Staten niet is afgerond, zodat [appellant] en MFK thans nog een voldoende belang hebben bij toewijzing van hun vorderingen om te kunnen worden ontvangen in hun vorderingen en in het hoger beroep.

2.4

De bevoegdheid om als procespartij in een burgerlijk geding op te treden komt in beginsel alleen toe aan natuurlijke personen en rechtspersonen, en dus niet aan organen van rechtspersonen. Er geldt geen algemene uitzondering voor organen van het Land en geen bijzondere uitzondering voor de voorzitter. Er geldt ook geen uitzondering indien naast het orgaan van een rechtspersoon, ook de rechtspersoon zelf in rechte wordt betrokken. Indien de eiser in een dergelijk geval kan worden ontvangen in de vordering tegen de rechtspersoon, doet dat er niet aan af dat hij niet kan worden ontvangen in de vordering tegen het orgaan. Ook de omstandigheid dat [appellant] en MFK zich op schending van hun recht ex art. 25 Bupo-verdrag hebben beroepen, is geen reden om hen ontvankelijk te achten in hun vorderingen tegen de voorzitter. Alles wat zij in het geding tegen de voorzitter hebben aangevoerd, kan in het geding tegen het Land worden beoordeeld. Grief 1 faalt daarom.

2.5 [

appellant] en MFK hebben aan hun vorderingen ten grondslag gelegd dat de voorzitter hen heeft beperkt in rechten ex art. 25 Bupo-verdrag en daarom onrechtmatig jegens hen heeft gehandeld. Daarmee is de bevoegdheid van de burgerlijke rechter gegeven, nu het hier gaat om een geschil over een burgerlijke zaak als bedoeld in art. 99 lid 1 sub a van de Staatsregeling van Curaçao. Het beginsel van de scheiding der machten brengt niet mee dat de burgerlijke rechter niet bevoegd is om kennis te nemen van vorderingen als de onderhavige. In zoverre is grief 2 terecht voorgedragen.

2.6

De scheiding der machten brengt echter wel mee dat de rechter uiterste terughoudendheid moet betrachten bij de beoordeling van geschillen als de onderhavige, waarbij een Statenlid bezwaar maakt tegen het optreden van de Statenvoorzitter in de Staten jegens hem, terwijl de Statenvoorzitter zich beroept op de bevoegdheden die hem zijn gegeven in het RvO (dat is gebaseerd op art. 62 van de Staatsregeling van Curaçao). Slechts in zeer uitzonderlijke gevallen kan de rechterlijke taak meebrengen dat de rechter zich in een dergelijk geschil mengt. Het bepaalde in art. 25 Bupo-verdrag doet daar niet aan af. Een dergelijk uitzonderlijk geval doet zich hier naar voorshands oordeel van het Hof niet voor. De vorderingen komen daarom niet voor toewijzing in aanmerking. Grief 2 leidt dus niet tot toewijzing van de vorderingen.

2.7

Grief 3 faalt bij gebrek aan zelfstandig belang.

2.8

Omwille van de duidelijkheid zal het Hof het bestreden vonnis geheel vernietigen en een nieuw dictum uitspreken. [appellant] en MFK dienen als de in het ongelijk gestelde partijen de kosten van beide instanties te dragen.

B E S L I S S I N G

Het Hof:

vernietigt het vonnis waarvan beroep;

verklaart [appellant] en MFK niet-ontvankelijk in de vorderingen tegen de voorzitter;

weigert de gevorderde voorzieningen voor het overige;

veroordeelt [appellant] en MFK in de kosten van het geding in eerste aanleg, aan de zijde van de voorzitter en het Land gevallen en begroot op NAf 1.000,00 aan salaris voor de gemachtigden;

verklaart voornoemde proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;

veroordeelt [appellant] en MFK in de kosten van het geding in hoger beroep, aan de zijde van de voorzitter en het Land gevallen en tot op heden begroot op

NAf 3.400,00 aan salaris voor de gemachtigde.

Dit vonnis is gewezen door mrs. G.C.C. Lewin, T.A.M. Tijhuis en D. Radder, leden van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba en ter openbare terechtzitting van het Hof in Curaçao uitgesproken op 22 september 2015 in tegenwoordigheid van de griffier.