Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGHACMB:2015:45

Instantie
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Datum uitspraak
16-06-2015
Datum publicatie
21-12-2015
Zaaknummer
AR 690/13 - ghis 71943 - H 36/15
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

aansprakelijkheid verzekering motorrijtuigen. Verhaal.

Samenvatting: Het Hof verwijst de rol voor een reactie op het verweer dat verweerder niet de aansprakelijk persoon is, omdat de auto waarmee een ongeval is veroorzaakt, is meegenomen terwijl verweerder sliep.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Burgerlijke zaken over 2015 Vonnis no.:

Registratienummer: AR 690/13 - ghis 71943 - H 36/15

Uitspraak: 16 juni 2015

GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE

van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en

van Bonaire, Sint Eustatius en Saba

V O N N I S

in de zaak van:

de naamloze vennootschap

BOOGAARD ASSURANTIËN N.V.,

gevestigd in Aruba,

oorspronkelijk eiseres,

thans appellante,

gemachtigden: mrs. A.J. Swaen en D.M. Passchier,

tegen

[geïntimeerde],

wonende in Aruba,

oorspronkelijk gedaagde,

thans geïntimeerde,

gemachtigde: mr. H.U. Thielman.

De partijen worden hierna Boogaard Assurantiën en [geïntimeerde] genoemd.

1 Het verloop van de procedure

1.1

Bij akte van appel van 17 juni 2014 is Boogaard Assurantiën in hoger beroep gekomen van het tussen partijen gewezen en op 7 mei 2014 uitgesproken vonnis van het Gerecht in eerste aanleg van Aruba (verder: GEA).

1.2

Bij op 25 juli 2014 ingekomen memorie van grieven, met producties, heeft Boogaard Assurantiën vijf grieven tegen het vonnis en het daaraan voorafgegane vonnis van 27 november 2013 aangevoerd en toegelicht. Haar conclusie strekt ertoe dat het Hof het vonnis van 7 mei 2014 zal vernietigen en haar vordering alsnog zal toewijzen, met veroordeling van [geïntimeerde] in de proceskosten in beide instanties.

1.3

Bij op 20 oktober 2014 ingekomen memorie van antwoord heeft [geïntimeerde] de grieven bestreden. Zijn conclusie strekt ertoe dat het Hof het bestreden vonnis zal bevestigen, althans de vordering van Boogaard Assurantiën geheel of gedeeltelijk zal afwijzen, met veroordeling van Boogaard Assurantiën in de proceskosten in beide instanties.

1.4

Op de daarvoor nader bepaalde dag, 19 mei 2015, hebben partijen pleitnotities overgelegd. Aan de pleitnota van [geïntimeerde] zijn producties gehecht. Vonnis is gevraagd en bepaald op heden.

2 De beoordeling

2.1

Het GEA heeft geen feiten vastgesteld. Het Hof zal dat wel doen. Tussen partijen staat het volgende vast.

2.1.1

Een polisblad vermeldt dat [geïntimeerde], met het adres Pos Chiquito 361-B, Aruba, een personenauto van het merk Toyota, type Tercel, tegen (onder meer) wettelijke aansprakelijkheid heeft verzekerd bij Boogaard Assurantiën. Het polisblad verwijst naar diverse polisvoorwaarden, onder meer naar bijzondere verzekeringsvoorwaarden. Hierin is onder meer bepaald:

"4 UITSLUITINGEN

In aansluiting op het terzake bepaalde in de Algemene Voorwaarden is tevens van de verzekering uitgesloten:

(...)

4.7

Schade veroorzaakt terwijl de feitelijke bestuurder van het motorrijtuig niet in het bezit is van een geldig of hoogstens 6 maanden verlopen, voor het motorrijtuig wettelijk voorgeschreven rijbewijs, alsmede schade terwijl de feitelijke bestuurder bij vonnis de rijbevoegdheid is ontnomen of ontzegd, of hem door de daartoe bevoegde autoriteiten een rijverbod is opgelegd.

(...)"

2.1.2

Een mutatierapport van de politie, gestempeld op 11 januari 2006, vermeldt dat op 9 december 2005 om 11.55 uur een aanrijding heeft plaatsgevonden op de Irenestraat te Oranjestad, Aruba. Als toedracht staat vermeld dat [Familie] (hierna: [ex-vrouw van geïntimeerde]), als bestuurster van een witte personenauto van het merk Toyota, type Tercel, geen voorrang verleende aan [slachtoffer], als bestuurster van een rode pick-up van het merk Nissan, met een aanrijding als gevolg, en dat de Toyota als gevolg van de klap tegen een muur botste, die in eigendom was van [slachtoffer].

2.1.3

Op een schadeformulier is [geïntimeerde] als verzekeringnemer ingevuld en als datum en tijd van het ongeval: 9 december 2005 om 11.55 uur. Als bestuurster staat [familie] ingevuld. Bij de vraag: "Wat is het nummer van zijn / haar rijbewijs?" staat een vraagteken ingevuld. Bij de vraag: "Werd in opdracht of met toestemming van verzekeringnemer gereden?" staat het vakje bij "ja" aangekruist.

2.1.4

Een schaderapport van schade-expert A.L.Th. Muller van

11 februari 2006 vermeldt dat de schade aan de muur wordt begroot op

Afl. 18.838,00. Het rapport vermeldt een omschrijving van de beschadigingen, bevat foto's en houdt de mededeling in dat de gehanteerde bouwmethode en wijze van afwerking alleen gedaan wordt door Albo Aruba N.V. en dat andere aannemers niet dezelfde afwerking kunnen leveren.

2.1.5

Een afschrift van een brief van 15 februari 2006 aan [slachtoffer], met afschrift van een cheque, vermeldt dat Boogaard Assurantiën ter zake van de schade van 9 december 2005 Afl. 18.688,00 uitkeert (het bedrag dat resteert na aftrek van het eigen risico van Afl. 150,00 van het hiervoor in rov. 2.1.4 genoemde bedrag).

2.1.6

Bij de stukken bevinden zich brieven van Boogaard Assurantiën van

25 april 2006 en 10 januari 2007, gericht aan [geïntimeerde], met als adres:

Pos Chiquito 361-B, Aruba, waarin Boogaard Assurantiën aanspraak maakt op betaling van Afl. 19.003,00. Ook zijn er aan [geïntimeerde] gerichte brieven van het incassobureau Sifra Services N.V. van 2 februari 2007 (deze is niet ondertekend), 10 oktober 2011 (deze verwijst naar een "onbetaald gelaten verzekeringspremie") en 6 oktober 2012.

2.1.7

Het inleidend verzoekschrift van deze zaak is op 22 maart 2013 bij het GEA ingediend, waarna [geïntimeerde] bij exploot van 17 april 2013 is opgeroepen. Op 20 maart 2013 waren reeds een beslagrekest en een beslagverlof aan hem betekend. Beide exploten zijn betekend aan het adres Pos Chiquito 361-B, Aruba, en in ontvangst genomen door [ex-vrouw ], aangeduid als respectievelijk huisgenote en ex-vrouw.

2.2

In dit geding heeft Boogaard Assurantiën betaling gevorderd van

Afl. 19.003,00, te vermeerderen met 15% buitengerechtelijke incassokosten en de wettelijke rente vanaf 9 december 2005.

Het GEA heeft de vordering afgewezen. Daartegen is het hoger beroep gericht.

Bij pleitnota in hoger beroep heeft Boogaard Assurantiën haar eis verminderd tot Afl. 18.788,00, met buitengerechtelijke incassokosten en wettelijke rente.

2.3

In hoger beroep is voldoende kenbaar op welke feitelijke stellingen Boogaard Assurantiën haar vordering baseert, namelijk op de volgende, die niet betwist zijn en daarom als vaststaande feiten worden aangenomen:

a. Op 9 december 2005 heeft zich een aanrijding voorgedaan waarvan de toedracht was zoals vermeld in het mutatierapport.

b. De bij die aanrijding ontstane schade aan de muur is veroorzaakt door een fout van [ex-vrouw], de bestuurster van de Toyota.

c. [ex-vrouw] beschikte niet over een geldig rijbewijs.

d. De Toyota was eigendom van [geïntimeerde].

e. [geïntimeerde] had als verzekeringnemer een verzekering uit hoofde van de Landsverordening aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen (AB 1999 no. GT 12, hierna: Lam) voor de Toyota afgesloten bij Boogaard Assurantiën.

f. Op 15 januari 2006 heeft Boogaard Assurantiën naar aanleiding van de aanrijding Afl. 18.688,00 uitgekeerd aan de eigenaar van de muur.

2.4

In hoger beroep is voorts voldoende kenbaar dat Boogaard Assurantiën haar vordering baseert op de juridische grondslag dat zij ingevolge art. 10 lid 2 Lam (hierna in rov. 2.7 geciteerd) voor het aan de eigenaar van de muur uitgekeerde bedrag verhaal kan nemen op [geïntimeerde].

2.5 [

geïntimeerde] heeft het verweer gevoerd dat de vordering is verjaard.

Een verhaalsvordering als de onderhavige verjaart door verloop van de vijfjaarstermijn als bedoeld in art. 3:310 lid 1 BW, welke termijn op zijn vroegst is aangevangen op de dag na 9 december 2005, de datum van de aanrijding, en op zijn laatst op de dag na 15 februari 2006, de datum van de uitkering aan de eigenaar van de muur.

[geïntimeerde] heeft gesteld dat hij de hiervoor in rov. 2.16 bedoelde brieven niet heeft ontvangen. Het telkens gebruikte adres komt overeen met het op het polisblad vermelde adres (en ook met het door de deurwaarder tweemaal bezochte adres). Boogaard Assurantiën mocht redelijkerwijs aannemen dat de geadresseerde aldaar kon worden bereikt. [geïntimeerde] heeft niet voldoende duidelijk betwist dat de brieven zijn verzonden (wellicht behoudens voor zover de stelling ziet op de ongetekende brief van 2 februari 2007), en evenmin dat de brieven op het gebruikte adres zijn aangekomen. Daarom is de stelling van [geïntimeerde

] dat hij geen van de brieven heeft ontvangen onvoldoende onderbouwd. Ook de brief van 10 oktober 2011, die kennelijk abusievelijk van een onbetaald gelaten verzekeringspremie melding maakt, moest hij redelijkerwijs opvatten als een aanmaning ter zake van de onderhavige vordering (gelet op de wijze waarop de brieven naar elkaar verwijzen). Ook is voldoende duidelijk kenbaar dat de brieven van Sifra Services N.V. namens Boogaard Assurantiën zijn geschreven. In alle brieven behoudt Boogaard Assurantiën zich ondubbelzinnig zijn recht op nakoming voor. De brieven hebben daarom stuitende werking. Het beroep op verjaring faalt.

2.6

Ook het beroep van [geïntimeerde] op rechtsverwerking faalt. Voor het aannemen van rechtsverwerking is de aanwezigheid vereist van bijzondere omstandigheden als gevolg waarvan hetzij bij [geïntimeerde] het gerechtvaardigd vertrouwen is gewekt dat Boogaard Assurantiën haar aanspraak niet (meer) geldend zal maken, hetzij de positie van [geïntimeerde] onredelijk zou worden benadeeld of verzwaard in geval Boogaard Assurantiën haar aanspraak alsnog geldend zou maken. Dergelijke omstandigheden zijn niet gebleken. Dat in de brieven rechtsmaatregelen zijn aangezegd en dat die aanvankelijk zijn uitgebleven, is onvoldoende bijzonder.

2.7

De Lam bepaalt onder meer:

Art. 3 lid 1. De verzekering moet de wettelijke aansprakelijkheid dekken van iedere bezitter, houder en bestuurder van het verzekerde motorrijtuig, alsmede van degenen die daarmede worden vervoerd.

Art 3 lid 3. De verzekering moet de wettelijke aansprakelijkheid voor de door het motorrijtuig veroorzaakte schade dekken, zoals die aansprakelijkheid voortvloeit uit de toepasselijke wet.

Art. 6 lid 1. De benadeelde heeft jegens de verzekeraar door wie de aansprakelijkheid volgens deze landsverordening is gedekt, een eigen recht op schadevergoeding. (...)

Art. 10 lid 2. De verzekeraar die ingevolge deze landsverordening de schade van een benadeelde geheel of ten dele vergoedt, ofschoon de aansprakelijkheid voor die schade niet door een met hem gesloten overeenkomst was gedekt, heeft voor het bedrag der schadevergoeding verhaal op de aansprakelijke persoon (...).

2.8

De omstandigheid dat de verzekeringsovereenkomst op 9 januari 2006 is geroyeerd, staat er niet aan in de weg dat Boogaard Assurantiën moet worden aangemerkt als een verzekeraar die ingevolge de Lam de schade van een benadeelde geheel of ten dele heeft vergoed, ofschoon de aansprakelijkheid voor die schade niet door een met hem gesloten overeenkomst was gedekt, een en ander als bedoeld in art. 10 lid 2 Lam.

2.9 [

geïntimeerde] heeft bij memorie van antwoord het verweer gevoerd dat hij niet kan worden aangemerkt als de aansprakelijk persoon als bedoeld in

art. 10 lid 2 Lam. Hij heeft ontkend dat [ex-vrouw] in zijn opdracht of met zijn toestemming heeft gereden, en gesteld dat de Toyota is meegenomen toen [geïntimeerde] sliep.

Boogaard Assurantiën heeft bij pleitnota in hoger beroep een beroep gedaan op de Landsverordening wegverkeer (AB 1997 no. 18). Die bepaalt onder meer:

Art 19 lid 1. Indien door een botsing met, of een aan- of overrijding door een voertuig waarmee op een weg wordt gereden, schade wordt toegebracht aan niet door dat voertuig vervoerde personen of goederen, is, behoudens het vijfde lid, de eigenaar of, indien er een houder is, de houder van het voertuig verplicht om die schade te vergoeden.

Art. 19 lid 3. De eigenaar of, indien er een houder is, de houder van een voertuig is aansprakelijk voor de gedragingen van degene die hij met het voertuig laat rijden.

Art. 19 lid 5. De rechter kan het bedrag der schadevergoeding beperken, wanneer aannemelijk is, dat het ongeval is te wijten aan overmacht, daaronder begrepen schuld van iemand voor wie de eigenaar of de houder niet aansprakelijk is.

[geïntimeerde] heeft nog niet kunnen reageren op het beroep van Boogaard Assurantiën op art. 19 leden 1 en 3 Landsverordening wegverkeer. Hij zal in de gelegenheid worden gesteld dat bij akte te doen. Boogaard Assurantiën zal een antwoordakte mogen nemen. Van belang kan zijn of, indien [ex-vrouw] de Toyota heeft meegenomen toen [geïntimeerde] sliep, sprake is van "met het voertuig laten rijden" als bedoeld in art. 19 lid 3 van de Landsverordening wegverkeer. Van laten rijden is niet alleen sprake als de eigenaar of de houder er uitdrukkelijk of stilzwijgend mee instemt, maar ook als hij door zijn zorgeloosheid de ander de gelegenheid tot rijden heeft verschaft (zie verder hierover: Asser/Hartkamp & Sieburgh, 6 IV *, 2011, nr. 289).

Voorts kan van belang zijn door wie en onder welke omstandigheden het hiervoor in rov. 2.1.3 bedoelde schadeformulier is ingevuld.

2.10

Op grond van het gemotiveerde en geïllustreerde expertiserapport neemt het Hof aan dat de uitkering aan de eigenaar van de muur niet te hoog is geweest. [geïntimeerde] heeft daar onvoldoende tegen ingebracht.

B E S L I S S I N G

Het Hof:

verwijst de zaak naar de Hofrol van dinsdag 18 augustus 2015 om 8.30 uur in Aruba voor akte aan de zijde van [geïntimeerde] (zie rov. 2.9);

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mrs. J. de Boer, G.C.C. Lewin en S. Verheijen, leden van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao,

Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba en ter openbare terechtzitting van het Hof in Aruba uitgesproken op 16 juni 2015 in tegenwoordigheid van de griffier.