Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGHACMB:2015:43

Instantie
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Datum uitspraak
16-06-2015
Datum publicatie
21-12-2015
Zaaknummer
2607 / 2009 Ghis 68491 H – 121 /2014
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bewijswaardering. Deskundigenonderzoek.

Het Hof acht bewezen dat de schade aan een auto is veroorzaakt doordat er vervuilde diesel is getankt Het hof acht deskundigenonderzoek niet nodig.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Burgerlijke zaken over 2015 Vonnis no.:

Registratienummer: 2607 / 2009 Ghis 68491 H – 121 /2014

Uitspraak: 16 juni 2015

GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE

van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en

van Bonaire, Sint Eustatius en Saba

V O N N I S

in de zaak van :

de naamloze vennootschap M&F DEVELOPMENT CO. N.V.

gevestigd in Aruba,

oorspronkelijk gedaagde in de hoofdzaak, eiseres in vrijwaring,

thans appellante in het principaal appel, geïntimeerde in het incidenteel appel,

gemachtigde: mr. R.A. Wix,

hierna: M&F,

tegen

[geïntimeerde],

wonende in Aruba,

oorspronkelijk eiseres in de hoofdzaak,

thans geïntimeerde in het principaal appel, appellante in het incidenteel appel,

gemachtigde: mr. C.R. Foy,

hierna: [geïntimeerde],

en

de naamloze vennootschap VALERO MARKETING & SUPPLY-ARUBA N.V.

gevestigd in Aruba,

oorspronkelijk gedaagde in vrijwaring,

thans geïntimeerde in het principaal appel,

gemachtigde: mr. M.E.D. Brown,

hierna: Valero.

1 Het verdere verloop van de procedure

1.1

Bij vonnis van 18 november 2014 heeft het Hof de zaak naar de rol verwezen voor het indienen van schriftelijk pleidooi zijdens Valero.

1.2

Op 24 maart 2015 heeft Valero pleitaantekeningen ingediend, met producties.

1.3

Op 19 mei 2015 heeft M&F een akte uitlating producties ingediend.

1.4

Op 21 april 2015 heeft [geïntimeerde] een akte uitlating producties ingediend.

1.5

Vonnis is bepaald op heden.

2 De verdere beoordeling

2.1

Met uitzondering van de hierna te bespreken grieven 1 en 2 is niet gegriefd tegen de vaststelling door het GEA van de feiten in het vonnis van 17 augustus 2011 onder 2. Het Hof heeft tegen deze vaststelling ambtshalve geen bedenkingen en zal daar ook van uitgaan.

2.2 [

geïntimeerde] heeft in de hoofdzaak gevorderd, verkort weergegeven,

1. voor recht te verklaren dat M&F aansprakelijk is voor door haar geleden schade als gevolg van de bij M&F gekochte en in de auto getankte vervuilde diesel;

2. M&F te veroordelen tot betaling van Afl. 15.036,40 ter zake van schade aan de motor van de auto (A), US$ 4.820,40 ter zake van schade voor de huur van een vervangende auto (B) en US$ 2.300 ter zake van schade wegens gederfd inkomen over de periode 8 juli 2009 tot en met 23 augustus 2009, alsmede US$ 100,- voor iedere dag gerekend tot aan het moment dat [geïntimeerde] weer over de auto kan beschikken, vermeerderd met rente (C en D).

De vordering van M&F in de vrijwaring strekt ertoe dat Valero wordt veroordeeld datgene aan M&F te betalen wat zij uit hoofde van het vonnis in de hoofdzaak aan [geïntimeerde] heeft betaald.

2.3

Bij het bestreden eindvonnis heeft het GEA in de hoofdzaak, uitvoerbaar bij voorraad, het onder 2 A en B gevorderde toegewezen en het overige afgewezen, met veroordeling van M&F in de proceskosten. In de vrijwaring heeft het GEA het door M&F gevorderde afgewezen, met veroordeling van M&F in de kosten van de vrijwaringprocedure. Hiertegen is het principaal appel gericht. Het incidenteel appel is gericht tegen de afwijzing van de door [geïntimeerde] gevorderde schade onder C en D.

Principaal appel

2.4

In grief 1 klaagt M&F dat het GEA ten onrechte als vaststaand heeft aangenomen dat kort nadat [geïntimeerde] op 17 april 2009 diesel had getankt bij het autostation van M&F, de motor van de auto van Raven niet goed liep, terwijl de motor voor het tanken wel goed liep. M&F heeft betwist dat de motor voor het tanken goed liep. Ter onderbouwing heeft M&F zich beroepen op de stelling van [geïntimeerde] in het inleidend verzoekschrift dat zij haar auto kort voor het tanken naar de garage heeft gebracht. Uit de stellingen van [geïntimeerde] maakt het Hof op dat met “kort voor het tanken” wordt gedoeld op de onderhoudsbeurt op 6 april 2009, waarvan [geïntimeerde] een nota heeft overgelegd (productie 2 bij het inleidend verzoekschrift). De grief van M&F berust in zoverre op een verkeerde lezing van de stelling van [geïntimeerde]. De grief is overigens onvoldoende gemotiveerd om te kunnen slagen. De inhoud van de nota van 6 april 2009 van de garage biedt geen aanknopingspunten voor de stelling dat er al voor 17 april 2009 iets was met de motor. De stellingen van M&F vermelden daar overigens niets (concreets) over. Daartegenover staat als onbetwist vast dat [geïntimeerde] op 17 april 2009 heeft getankt bij M&F en daarna problemen heeft gekregen met de motor, die erin hebben geresulteerd dat de auto op 18 april 2009 tot stilstand kwam. De grief faalt derhalve.

2.5

Grief 3 richt zich tegen het oordeel van het GEA dat [geïntimeerde] in haar bewijsopdrachten is geslaagd. Die bewijsopdrachten luidden als volgt:

1) de door [geïntimeerde] bij M&F getankte diesel was vervuild;

2) die vervuilde diesel heeft de door de garage vastgestelde schade aan de motor veroorzaakt.

Het Hof verenigt zich met het oordeel van het GEA en de daaraan ten grondslag liggende overwegingen en maakt die tot de zijne. In aanvulling daarop overweegt het Hof het volgende.

2.6

De videobeelden waarop het GEA het bewijs mede heeft gebaseerd, zijn getoond aan de gemachtigde van M&F en daarvan is proces-verbaal opgemaakt. M&F is in de gelegenheid gesteld om tegenbewijs te leveren, bijvoorbeeld door overlegging van administratie over de onderhoudsmomenten van de betreffende tank dan wel door het horen van de daarbij rechtstreeks betrokken personen. Het door M&F geleverde tegenbewijs is onvoldoende. Daarbij neemt het Hof in aanmerking dat niet is betwist dat bij de beelden te horen is dat de schoonmakende persoon zegt werkzaam te zijn bij Thieleman (proces-verbaal van 23 augustus 2012, p. 4), en volgens de stellingen van Valero (alinea 6 van de conclusie van antwoord in vrijwaring) Tielemans het bedrijf is dat ingezet wordt voor het onderhoud van de tanksystemen van M&F. Gelet op het voorgaande heeft M&F het beeldmateriaal onvoldoende gemotiveerd betwist.

2.7

Met betrekking tot hetgeen de getuige [getuige] heeft verklaard, heeft M&F aangevoerd twijfels te hebben over de juistheid van zijn verklaring, omdat het volgens M&F niet mogelijk is dat de door [getuige] geconstateerde schade het gevolg is geweest van één keer vervuilde diesel tanken en meteen is ingetreden. Dit is geen feitelijke stelling, maar komt neer op een deskundigenoordeel. Het Hof gaat voorbij aan het bewijsaanbod ter zake, dat dus neerkomt op het aanbieden van voorlichting door deskundigen, nu het Hof daar geen behoefte aan heeft. Immers, de stellingen van M&F leveren onvoldoende betwisting op van hetgeen [getuige] heeft verklaard, namelijk dat hij heeft gezien dat de diesel van het door hem genomen monster uit de tank van de auto van [geïntimeerde] niet helder was, maar een vuil groenachtige kleur had, en dat er een gat zat in de zuiger van de auto waardoor er diesel kwam in de motorolie. In het verlengde daarvan acht het Hof ook het betoog van M&F dat meer dan honderd auto’s die op 17 april 2009 ook diesel hebben getankt, dezelfde schade zouden moeten hebben, geen feitelijke stelling, maar een deskundigenoordeel, dat de verklaring van [getuige] onvoldoende betwist en kennelijk steunt op de gedachte dat diesel in een tank homogeen van samenstelling is. Het hof heeft ook met betrekking tot dit betoog geen behoefte aan deskundige voorlichting. Grief 3 faalt daarom.

Ook de door Valero bij pleitnota in hoger beroep overgelegde stukken kunnen het door [geïntimeerde] geleverde bewijs niet ontzenuwen. De omstandigheid dat op die dag ook diesel is geleverd aan anderen en dat daarover geen klachten zijn binnengekomen, sluiten niet uit dat [geïntimeerde] diesel heeft getankt die wel vervuild was, nu niet duidelijk is wanneer en hoe die diesel vervuild is geraakt. Valero heeft ook niet met voldoende precisie duidelijk gemaakt welke hoeveelheid diesel zij precies heeft getest, wanneer dat was en waar die diesel zich toen bevond. De schriftelijke verklaring van [getuige] is onvoldoende om op basis daarvan niet bewezen te achten dat de schade aan de motor van de auto van [geïntimeerde] is veroorzaakt door de vervuilde diesel (en dus niet door een defect dat een gehele zending auto's had waartoe de auto van [geïntimeerde] behoorde).

2.8

Grief 4 heeft geen zelfstandige betekenis.

In de vrijwaring

2.9

De grieven 2 en 5 lenen zich voor een gezamenlijke bespreking en hebben tot doel de vrijwaring van M&F door Valero van de vorderingen van [geïntimeerde]. Het GEA heeft de gevorderde vrijwaring afgewezen. Het Hof verenigt zich met dit oordeel en de overwegingen daartoe in rov. 2.9 van het vonnis van 21 augustus 2013. M&F heeft tegenover het beroep van Valero op artikel 22 van de Supply Loan Delivery Equipment Agreement d.d. 29 september 2005 (productie 2 bij de conclusie van antwoord in vrijwaring), waarin, kort gezegd, M&F Valero volledig heeft gevrijwaard voor elke aansprakelijkheid, tenzij die aansprakelijkheid veroorzaakt zou zijn door het enkel en alleen nalaten van Valero, niets (nieuws) aangevoerd wat tot een ander oordeel leidt. Weliswaar is bewezen dat de door [geïntimeerde]bij M&F getankte diesel was vervuild, maar niets is gesteld met betrekking tot de vraag hoe die vervuiling is ontstaan, zodat uit de omstandigheden dat Valero de diesel heeft geleverd en de dieseltank en dieselpomp onderhoudt, op zichzelf nog niet kan worden afgeleid dat de aansprakelijkheid is veroorzaakt door enkel en alleen nalaten van Valero.

In incidenteel appel

2.10

De grief van [geïntimeerde] heeft tot doel het alsnog toewijzen van schadevergoeding, bestaande uit gederfd inkomen van US$ 100,- per dag over de periode 8 juli 2009 (de datum van inlevering van de huurauto) tot 23 augustus 2009 (de dag waarop [geïntimeerde] tegen betaling andere werkzaamheden is gaan verrichten). Ter toelichting op de stelling dat [geïntimeerde] haar schade zoveel mogelijk heeft beperkt heeft zij verwezen naar uitvoerige correspondentie met M&F vanaf begin 2009 (producties bij memorie van grieven in het incidenteel appel). Uit deze correspondentie valt op te maken dat het repareren van de auto gecompliceerd werd door het faillissement van de garage waar de auto zich bevond. Aanvankelijk, zo blijkt verder uit de correspondentie, was M&F bereid (een deel van) de schade van [geïntimeerde] te vergoeden, maar na de brief van

21 juli 2009 van Valero bleek dit uiteindelijk niet het geval. Kennelijk heeft [geïntimeerde] naar aanleiding daarvan haar inleidend verzoekschrift ingediend. Onder deze

– onweersproken – omstandigheden en in het licht van het – eveneens

onweersproken – aanzienlijke bedrag dat benodigd was voor de reparatie van de auto acht het Hof de schade van [geïntimeerde], bestaande uit gederfd inkomen, toewijsbaar.

Het Hof zal deze schade naar billijkheid schatten op een bedrag van US$ 2.000,- en optellen bij het door het GEA toegewezen bedrag van US$ 4.820,40 (kosten van de vervangende huurauto). De wettelijke rente is als onbetwist toewijsbaar met ingang van 17 april 2009.

Slotsom

2.11

De slotsom is dat het principaal appel van M&F faalt, zowel tegen [geïntimeerde] als tegen Valero, en dat het incidenteel appel van [geïntimeerde] grotendeels slaagt. Omwille van de duidelijkheid zal het Hof het vonnis van 21 augustus 2013 geheel vernietigen en de dicta geheel opnieuw formuleren. M&F zal als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten van het principaal appel en incidenteel appel worden veroordeeld.

B E S L I S S I N G

Het Hof:

  • -

    vernietigt het vonnis van 21 augustus 2013;

  • -

    doet opnieuw recht als volgt:

  • -

    veroordeelt M&F om aan [geïntimeerde] te betalen ter zake van schadevergoeding een bedrag van Afl. 15.036,40 en een bedrag van US$ 6.820,40 (of het equivalent daarvan in Arubaanse guldens), beide bedragen te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 17 april 2009 tot aan de dag der algehele voldoening;

  • -

    veroordeelt M&F in de kosten in de hoofdzaak in eerste aanleg, aan de zijde van [geïntimeerde] gevallen en begroot op Afl. 1.143,- aan verschotten en Afl. 4.950,- aan salaris van de gemachtigde van [geïntimeerde];

  • -

    verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

  • -

    veroordeelt M&F in de kosten van het in eerste aanleg gevoerde incident, gevallen aan de zijde van [geïntimeerde], begroot op nihil;

  • -

    veroordeelt M&F in de kosten van het principaal appel, aan de zijde van [geïntimeerde] gevallen en begroot op Afl. 398,- aan verschotten en Afl. 5.100,- aan salaris van de gemachtigde van [geïntimeerde];

  • -

    veroordeelt M&F in de kosten van het incidenteel appel, aan de zijde van [geïntimeerde] gevallen en begroot op Afl. 2.550,- aan salaris van de gemachtigde van [geïntimeerde];

  • -

    wijst af het door M&F in de vrijwaringszaak tegen Valero gevorderde;

  • -

    veroordeelt M&F in de kosten van de procedure in vrijwaring in eerste aanleg gevallen aan de zijde van Valero, begroot op Afl. 1.800,- aan salaris van de gemachtigde van Valero;

  • -

    veroordeelt M&F in de kosten van het principaal appel, aan de zijde van Valero gevallen en begroot op Afl. 386,- aan verschotten en Afl. 5.100,- aan salaris van de gemachtigde van Valero.

Dit vonnis is gewezen door mrs. G.C.C. Lewin, E.M. van der Bunt en F.J. Lourens, leden van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie, en ter openbare terechtzitting van het Hof in Aruba in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken op 16 juni 2015.