Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGHACMB:2015:34

Instantie
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Datum uitspraak
09-10-2015
Datum publicatie
30-11-2015
Zaaknummer
HLAR 73592/15
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

HLAR 73592/15

Datum uitspraak: 9 oktober 2015

gemeenschappelijk hof van jusTitie

van aruba, CURAÇAO, SINT MAARTEN

EN VAN BONAIRE, SINT EUSTATIUS EN SABA

Uitspraak op het hoger beroep van:

[Appellante], wonend in Aruba

appellante,

tegen de uitspraak van het Gerecht in eerste aanleg van Aruba van 12 januari 2015 in zaak nr. LAR-1973 van 2014, in het geding tussen:

appellante

en

de minister van Integratie, Infrastructuur en Milieu.

Procesverloop

Bij beschikking van 31 januari 2014 heeft de minister van Integratie, Infrastructuur en Milieu (hierna: de minister) aan [derde-belanghebbende] bouwvergunning verleend voor het oprichten van een appartementencomplex aan de Bushistraat 4.

Bij beschikking van 18 juli 2014 heeft de minister het daartegen door appellante gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 12 januari 2015 heeft het Gerecht het door appellante daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak heeft appellante hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

Het Hof heeft de zaak ter zitting behandeld op 28 augustus 2015, waar appellante, vertegenwoordigd door mr. D.C.A. Crouch, en de minister, vertegenwoordigd door mr. V.M. Emerencia, zijn verschenen. Voorts is daar [derde-belanghebbende], vertegenwoordigd door [gemachtigde], gehoord.

Overwegingen

Ingevolge artikel 15 van de Bouw- en Woningverordening (hierna: BWV) worden bouwvergunningen verleend door de minister, belast met publieke werken.

Ingevolge artikel 22 is een beslissing tot het verlenen van een voorwaardelijke bouwvergunning of tot gehele of gedeeltelijke weigering steeds met redenen omkleed en kan slechts gegrond zijn op één of meer van de volgende omstandigheden:
a. dat de aanvraag, de tekening, de omschrijving of het gebouw of ge-bouwsgedeelte niet voldoet aan de voorschriften, bij of krachtens deze landsverordening gegeven;

b. dat het gebouw ook in verband met de toegepaste bouwwijze niet zodanige hechtheid kan geacht worden te zullen bezitten, dat het voor het leven van de bewoners of gebruikers of voor de omgeving geen gevaar oplevert;

c. dat de afmetingen van de vertrekken of van de trappen of het aantal of de inrichting van de privaten of het aantal toegangswegen voor licht en lucht onvoldoende te achten zijn;

d. dat het gebruik van het gebouw of gebouwsgedeelte schadelijk voor de openbare gezondheid of voor de gezondheid van de gebruikers te achten is;

e. dat het gebouw of gebouwsgedeelte niet voldoet aan redelijke eisen van welstand of wegens zijn ligging of bouwwijze hinderlijk dan wel brandgevaarlijk voor de omgeving zal zijn;

f. dat de weg waaraan de woning zal komen te liggen, niet voldoet aan de eisen die betreffende het tracé, de breedte en de constructie daarvan, rekening houdende met de aard van de woning en de eis van begaanbaarheid van de weg voor de overheidsdiensten, gesteld worden;

g. dat het gebruik van het gebouw, dan wel het gebruik van de zich aan, bij of in het gebouw bevindende faciliteiten groot gevaar zal opleveren voor de vrijheid en de veiligheid van het verkeer;

h. dat het bouwplan in strijd is met de voorschriften van een ruimtelijk ontwikkelingsplan met voorschriften;

i. dat het bouwplan in strijd is met de voorwaarden, behorende bij een goedgekeurd verkavelingsplan.

2. Appellante betoogt dat het Gerecht ten onrechte heeft geoordeeld dat de bouwvergunning in strijd met artikel 22, aanhef en onder e, van de BWV is verleend, omdat het gebouw wegens zijn ligging of bouwwijze hinderlijk voor de omgeving zal zijn. Hiertoe voert appellante aan dat zij ten gevolge van het realiseren van het bouwplan hinder zal ondervinden, in de vorm van verlies van lucht, licht en privacy.

2.1

Dat betoog faalt. Aan de beschikking van 18 juli 2014 heeft de minister ten grondslag gelegd dat het op te richten bouwwerk ten opzichte van appellante geen belemmering van lucht en licht zal opleveren, in het bijzonder omdat het bouwplan ten oosten van de woning van appellante is gesitueerd. Ten aanzien van de privacy heeft de minister zich in die beschikking op het standpunt gesteld dat gezien de situatie ter plaatse met het oprichten van het bouwwerk de privacy van appellante mogelijk enigszins zal worden aangetast. Deze aantasting is evenwel niet zodanig onevenredig dat deze als hinder in de zin van artikel 22, aanhef en onder e, van de BWV dient te worden aangemerkt. Aldus heeft de minister genoegzaam gemotiveerd dat het op te richten gebouw niet hinderlijk voor de omgeving zal zijn. Gelet hierop, heeft het Gerecht in het in beroep aangevoerde terecht geen grond gezien voor het oordeel dat de minister zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat het bouwplan in strijd is met artikel 22, aanhef en onder e, van de BWV.

3. Het voor het eerst ter zitting in hoger beroep gevoerde betoog dat het bouwplan in strijd is met redelijke eisen van welstand omdat, naar gesteld, de welstandcommissie daarover geen positief advies heeft afgegeven, wordt wegens strijd met de goede procesorde buiten beschouwing gelaten. Niet is gebleken dat appellante dat niet eerder heeft kunnen aanvoeren.

4. Voor zover appellante betoogt dat het Gerecht ten onrechte de beroepsgronden terzake van de artikelen 6:162 en 5:37 van het Burgerlijk Wetboek en de te verrichten belangenafweging buiten beschouwing heeft gelaten, kan dat niet leiden tot het daarmee betoogde resultaat, reeds omdat een beslissing tot weigering van een bouwvergunning slechts gegrond kan zijn op de in artikel 22 van de BWV vermelde omstandigheden en deze weigeringsgronden bovendien van dwingende aard zijn.

5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

Het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. E.J. van der Poel, voorzitter, en mr. A.W.M. Bijloos en mr. T.G.M. Simons, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.E.B. de Haseth, griffier.

w.g. Van der Poel
voorzitter

w.g. De Haseth

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 9 oktober 2015

Verzonden:

Voor eensluidend afschrift,
de griffier,
voor deze,