Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGHACMB:2015:26

Instantie
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Datum uitspraak
09-10-2015
Datum publicatie
30-11-2015
Zaaknummer
HLAR 69731/14
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

HLAR 69731/14

Datum uitspraak: 9 oktober 2015

gemeenschappelijk hof van jusTitie

van aruba, CURAÇAO, SINT MAARTEN

EN VAN BONAIRE, SINT EUSTATIUS EN SABA

Uitspraak op het hoger beroep van:

de stichtingen Stichting Nationale Parken Bonaire (hierna: Stinapa), Stichting Sea Turtle Conservation Bonaire (hierna: STCB), beide gevestigd te Bonaire, en Stichting Wereld Natuur Fonds Nederland (hierna: WNFN), gevestigd te Zeist, Nederland, en 162 anderen,

appellanten,

tegen de uitspraak van het Gerecht in eerste aanleg van Bonaire, Sint Eustatius en Saba, zittingsplaats Bonaire, van 10 juni 2014 in zaak nr. War BES 2013/33 in het geding tussen

appellanten

en

de minister van Infrastructuur en Milieu.


Procesverloop

Bij beschikking van 20 februari 2013 heeft de minister aan de naamloze vennootschap Jokaya N.V. (hierna: Jokaya) vergunning verleend voor het hebben, aanleggen of doen aanleggen van een pier ter hoogte van Kaya J.N.E. Craane 10-12 (hierna: het perceel).

Bij beschikking van 14 november 2013 heeft de minister het door appellanten daartegen gemaakte bezwaar gedeeltelijk niet-ontvankelijk, gedeeltelijk gegrond en voor het overige ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 10 juni 2014 heeft het Gerecht het door appellanten daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, die beschikking vernietigd en bepaald dat de minister binnen vier maanden opnieuw op het bezwaar dient te beschikken, voor zover dat is gemaakt door Stinapa, STCB, WNFN en [appellante sub 4].

Tegen deze uitspraak hebben appellanten hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.


Appellanten hebben nadere stukken ingediend.

Het Hof heeft de zaak ter zitting behandeld op 27 augustus 2015, waar appellanten, vertegenwoordigd door mr. B.A.J. Haagen, advocaat te Amsterdam, en de minister, vertegenwoordigd door mr. M. Goeyers, werkzaam bij Rijkswaterstaat, zijn verschenen. Voorts is daar Jokaya, vertegenwoordigd door [gemachtigde], gehoord.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 7, eerste lid, van de Wet administratieve rechtspraak BES (hierna: de WarBES) kunnen natuurlijke personen of rechtspersonen, die door een beschikking rechtstreeks in hun belang zijn getroffen, daartegen beroep instellen bij het Gerecht.
Ingevolge artikel 55 zijn de personen, bedoeld in artikel 7, eerste lid, bevoegd een bezwaarschrift in te dienen bij het bestuursorgaan dat de beschikking heeft gegeven, en het beroep, bedoeld in artikel 7, eerste lid, pas in te stellen, nadat het bestuursorgaan op het bezwaarschrift heeft beslist.

Ingevolge artikel 20, eerste lid, van de Wet maritiem beheer BES (hierna: Wmb BES) is het verboden zonder of in afwijking van een vergunning van de beheerder, bouwwerken te hebben, aan te leggen of te doen aanleggen in of op de bodem van de territoriale zee of de exclusieve economische zone.
Ingevolge het tweede lid is het eerste lid van overeenkomstige toepassing op landaanwinning en op werkzaamheden die een verandering van het niveau of van de gesteldheid van de zeebodem tot gevolg hebben.
Ingevolge artikel 21, eerste lid, worden bij de beoordeling van de aanvraag voor een vergunning, als bedoeld in artikel 20, eerste lid, de effecten van de aanleg en het gebruik van het voorgenomen bouwwerk op het mariene milieu, de natuur, de veiligheid van de scheepvaart en het maritiem archeologisch erfgoed uitdrukkelijk in overweging genomen.
Ingevolge het vijfde lid wordt een vergunning geweigerd, indien een of meer belangen, vermeld in het eerste lid, op onoverkomelijke wijze in het gedrang zouden komen door verlening van de vergunning.

2. Appellanten betogen – samengevatdat het Gerecht ten onrechte heeft geoordeeld dat de minister het bezwaar, voor zover gemaakt door de 161 natuurlijke personen, genoemd in de bij het hogerberoepschrift gevoegde bijlage 1 onder 1 tot en met 161, terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard, omdat zij niet rechtstreeks door de beschikking van 20 februari 2013 in hun belang zijn getroffen. Door de kleinschaligheid van Bonaire zijn alle bewoners rechtstreeks in hun belang getroffen bij een grootschalige activiteit als de oprichting van een pier, gelet op de ruimtelijke effecten ervan. In de memorie van toelichting bij de Wet volkshuisvesting, ruimtelijke ordening en milieubeheer BES (hierna: de Wet VROM BES) (TK 2009-10, 32473, nr. 3, blz. 17) is vermeld dat er bij een plan of grootschalige activiteit, waarvoor een milieueffectrapport moet worden gemaakt, gezien de kleinschaligheid van de BES-eilanden rekening mee moet worden gehouden dat op basis van het zichtcriterium al snel alle bewoners daarbij als belanghebbenden kunnen worden aangemerkt, aldus appellanten.

2.1.

Dit betoog faalt. Niet in geschil is dat de desbetreffende 161 natuurlijke personen geen zicht hebben op de op te richten pier en dat hun woningen niet op een afstand van 100 meter of minder van het perceel zijn gelegen. Onder deze omstandigheden, heeft het Gerecht terecht geoordeeld dat de minister de door hen tegen de beschikking van 20 februari 2013 gemaakte bezwaren terecht niet‑ontvankelijk heeft verklaard (vergelijk de uitspraak van het Hof van 27 november 2006, in zaak nr. 140 HLAR 14/06, ECLI:NL:OGHNAA:2006:BG1993). De kleinschaligheid van Bonaire als zodanig heeft, naast het zogenoemde zicht- en afstandscriterium, niet de betekenis die appellanten daaraan gehecht willen zien. Voor zover appellanten naar de memorie van toelichting bij de Wet VROM BES verwijzen, geeft dat geen grond voor een ander oordeel, reeds omdat in die toelichting juist is vermeld dat op een kleinschalig eiland als Bonaire al snel alle bewoners op basis van het zichtcriterium bij een mer-plichtig plan of grootschalige activiteit als belanghebbenden kunnen worden aangemerkt.

3. Appellanten betogen voorts dat het Gerecht ten onrechte heeft overwogen dat de minister bij de beoordeling van de aanvraag terecht alleen de in artikel 21, eerste lid, van de Wmb BES vermelde belangen heeft betrokken. Dat in artikel 21, eerste lid, van de Wmb BES is bepaald dat deze belangen bij de beoordeling van de aanvraag uitdrukkelijk in overweging worden genomen, brengt niet met zich dat de minister daarbij geen andere belangen mag en moet betrekken. In dit verband verwijzen appellanten naar de totstandkomingsgeschiedenis van de Landsverordening maritiem beheer, de voorloper van de Wmb BES, waarin onder meer was vermeld dat die verordening de ontwikkeling van de economische bestaansbronnen van de Nederlandse Antillen, zoals die gelegen in de toeristensector, beoogde te ondersteunen. Het Gerecht heeft miskend dat de minister bij de verlening van de vergunning ten onrechte geen doorslaggevend belang heeft toegekend aan het behoud van het koraalrif, onder meer wegens het economische belang daarvan, aldus appellanten.

3.1

Ook dat betoog faalt. In artikel 21, vijfde lid, van de Wmb BES is geregeld, in welke gevallen de minister weigert een vergunning als bedoeld in artikel 20, eerste lid, te verlenen, te weten indien een of meer belangen, vermeld in artikel 21, eerste lid, op onoverkomelijke wijze in het gedrang zouden komen door verlening van de vergunning. Aldus is in artikel 21, vijfde lid, van de Wmb BES bepaald dat de minister de vergunning alleen kan en moet weigeren, indien een of meer belangen, vermeld in het eerste lid, door verlening van de vergunning op onoverkomelijke wijze in het gedrang zouden komen. Voor de uitleg van die bepaling, zoals door appellanten voorgestaan, biedt de tekst daarvan dan ook geen grondslag. Voor zover appellanten naar de totstandkomingsgeschiedenis van de Landsverordening maritiem beheer verwijzen, waarin volgens hen aanknopingspunten kunnen worden gevonden voor een uitleg van artikel 21, vijfde lid, van de Wmb BES die van de tekst van die bepaling afwijkt, geeft dat geen grond voor een ander oordeel. Volgens vaste rechtspraak van het Hof (onder meer de uitspraak van 24 januari 2014 in zaak nr. HLAR 63998/13, ECLI:NL:OGHACMB:2014:65) kan aan een duidelijke bepaling niet door de toelichting daarop worden afgedaan.

4. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

Het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. E.J. van der Poel, voorzitter, en mr. R.W.L. Loeb en mr. A.W.M. Bijloos, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.E.B. de Haseth, griffier.

w.g. Van der Poel

voorzitter

w.g. De Haseth

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 9 oktober 2015

Verzonden:

Voor eensluidend afschrift,
de griffier,
voor deze,