Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGHACMB:2015:24

Instantie
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Datum uitspraak
09-10-2015
Datum publicatie
30-11-2015
Zaaknummer
HLAR 65469/14
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

HLAR 65469/14

Datum uitspraak: 9 oktober 2015

gemeenschappelijk hof van jusTitie

van aruba, CURAÇAO, SINT MAARTEN

EN VAN BONAIRE, SINT EUSTATIUS EN SABA

Uitspraak op het hoger beroep van:

De Sociale Verzekeringsbank Curaçao (hierna: de SVB),

appellante,

tegen de uitspraak van het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao van

11 november 2014 in zaaknr. Lar 2013/65469, in het geding tussen:

appellante

en

Klein St. Michiel Advocatuur B.V (hierna: KSMA).

Procesverloop

Bij beschikking van 19 november 2012 heeft de SVB aan KSMA een naheffingsaanslag voor het jaar 2011 opgelegd.

Bij beschikking van 19 september 2013 heeft de SVB het door KSMA daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 11 november 2014 heeft het Gerecht het door KSMA daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard en die beschikking, alsmede die van 19 november 2012, vernietigd.

Tegen deze uitspraak heeft de SVB hoger beroep ingesteld.

KSMA heeft een verweerschrift ingediend.

Het Hof heeft de zaak ter zitting behandeld op 26 augustus 2015, waar de SVB, vertegenwoordigd door mr. M. Bonafasia, werkzaam in haar dienst, en KSMA, vertegenwoordigd door mr. M.R.B. Gorsira, advocaat, zijn verschenen.

Overwegingen

1. KSMA betoogt dat het hoger beroep wegens het ontbreken van procesbelang niet‑ontvankelijk dient te worden verklaard, omdat de SVB de naheffingsaanslag bij beslissing van 20 november 2014 heeft vernietigd en zij haar recht om hoger beroep in te stellen daarmee heeft verwerkt.

1.1.

In de beslissing van 20 november 2014 is vermeld dat deze is genomen naar aanleiding van het bezwaar tegen de beschikking van 19 november 2012. Ter zitting heeft de SVB echter verklaard dat de beslissing van 20 november 2014 is genomen ter uitvoering van de aangevallen uitspraak.

1.2.

Onder deze omstandigheden moet worden aangenomen dat de SVB in de beslissing van 20 november 2014 het steeds door haar ingenomen standpunt niet heeft prijsgegeven en dit standpunt juist de inzet is van het door de SVB ingestelde hoger beroep. Reeds om die reden heeft de SVB belang bij het hoger beroep. Dat de beslissing van 20 november 2014 niet genomen had behoeven te worden, omdat het Gerecht in de aangevallen uitspraak de beschikking van 19 november 2012 al had vernietigd, heeft daarom niet de betekenis die KSMA daaraan gehecht wil zien.

2. Ingevolge artikel 1 van de Landverordening Ziekteverzekering (hierna: LvZv) wordt onder bank verstaan: de Sociale Verzekeringsbank.

Ingevolge dezelfde bepaling wordt onder werknemer verstaan: een ieder die voor een werkgever in dienstverband of persoonlijk aangenomen arbeid verricht, behalve: degene die een dagloon geniet hoger dan NAf 197,10 indien voor hem een 5-daagse werkweek geldt.

Ingevolge artikel 1a, eerste lid wordt, voor de vaststelling of een werknemer als werknemer in de zin van artikel 1 aangemerkt wordt, tot het einde van een kalenderjaar geen rekening gehouden met wijzigingen van het loon, welke tijdens de duur van het dienstverband, onderscheidenlijk van de verrichting van het aangenomen werk, na 1 november van het voor het voorafgaande kalenderjaar plaatsvinden of hebben plaatsgevonden.

Ingevolge artikel 1b, kunnen de bedragen, vermeld in artikel 1 onder “werknemer”, bij landsbesluit houdende algemene maatregelen, worden aangepast aan de ontwikkeling van de prijsindexcijfers van de gezinsconsumptie.

Ingevolge artikel 2, eerste lid, stellen werkgever en werknemer bij de aanvang van het dienstverband, onderscheidenlijk de aanvang van de werkzaamheden en telkens wanneer het loon gewijzigd wordt, het dagloon vast met inachtneming van het daaromtrent in artikel 1 bepaalde.

Ingevolge artikel 8b, eerste lid, is de werkgever verplicht de premie die hij over een tijdvak van een maand of korter heeft ingehouden of had moeten inhouden, alsmede het gedeelte van de premie dat te zijnen laste komt, binnen vijftien dagen na het einde van die maand, op aangifte afte dragen.

Ingevolge het zesde lid moet, ook in gevallen dat geen premie behoeft te worden ingehouden en afgedragen, de aangifte op in het eerste lid aangegeven wijze gedaan worden.

Ingevolge artikel 8d, eerste lid, kan, indien de premie geheel of gedeeltelijk niet binnen de voorgeschreven termijn door de werkgever is afgedragen, de niet of te weinig afgedragen premie door middel van een aanslag, op te leggen aan de werkgever, nageheven worden, zolang niet sedert het einde van het kalenderjaar, waarin de premieschuld is ontstaan, vijf jaren zijn verstreken.

Ingevolge artikel 12, tweede lid, is een ieder verplicht ten behoeve van de uitvoering op verzoek aan de bank inlichtingen te verstrekken, desverlangd schriftelijk. De door de bank verlangde inlichtingen moeten binnen een door de bank te stellen termijn worden verstrekt. De verzekerde is verplicht uit eigen beweging aan de bank de inlichtingen te verstrekken, waarvan hij redelijkerwijs kan vermoeden dat deze aanleiding kunnen geven tot verlies of beëindiging van het recht op tegemoetkoming. Ook is een ieder verplicht de door de bank gegeven aanwijzingen ter uitvoering ten behoeve van deze landsverordening op te volgen.

Ingevolge artikel 14a, derde lid, wordt, indien een aanslag, welke werd opgelegd wegens het niet voldoen aan de verplichting van artikel 8b, zesde lid, in zijn geheel moet worden verminderd, een boete geheven van NAf 100,-.

Ingevolge artikel 1, aanhef en onder b, van het Landsbesluit houdende algemene maatregelen van 29 juni 1987 ter uitvoering van artikel 12 van de LvZv (hierna: Lbham) omvatten de door de SVB in art 12, tweede lid, van de LvZv verlangde inlichtingen onder andere het loon, alsmede de wijziging en de datum van ingang van de wijziging in het loon van de arbeider.

3. Het Gerecht heeft overwogen dat - kort weergegeven – [medewerkster (hierna: medewerkster)], werkzaam in dienst van KSMA, in het jaar 2011 geen werknemer in de zin van artikel 1 van de LvZv was, daarom voor KSMA geen aangifteplicht bestond en reeds om die reden geen naheffingsaanslag kon worden opgelegd.

4. De SVB betoogt dat - kort weergegeven – het Gerecht daarmee heeft miskend dat KSMA wel aangifteplichtig was, zij er op grond van de ten tijde van het nemen van de beschikking van 19 november 2012 bij haar bekende, van KSMA afkomstige, gegevens van mocht uitgaan dat [medewerkster] werknemer was in de zin van artikel 1 van de LvZv en de naheffingsaanslag daarom terecht is opgelegd.

4.1.

Zoals hiervoor onder 2. vermeld, wordt ingevolge artikel 1a, eerste lid, van de LvZv voor de vaststelling of een werknemer aangemerkt wordt als werknemer in de zin van artikel 1, tot het einde van een kalenderjaar geen rekening gehouden met wijzigingen van het loon, welke tijdens de duur van het dienstverband, onderscheidenlijk van de verrichting van het aangenomen werk, na 1 november van het voor het voorafgaande kalenderjaar plaatsvinden of hebben plaatsgevonden. Ingevolge artikel 12, tweede lid, in verbinding met artikel 1, aanhef en onder b, van het Lbham was het aan KSMA om aan de SVB informatie te verstrekken met betrekking tot de wijziging van het loon van [medewerkster]. Bovendien was KSMA, zelfs indien geen premie behoefde te worden ingehouden en afgedragen, ingevolge artikel 8b, zesde lid, van de LvZv niettemin gehouden om aangifte te doen.

Nu de SVB op de peildatum, te weten 1 november 2010, van KSMA geen informatie over de loonwijziging van [medewerkster] had ontvangen, mocht zij uitgaan van de bij haar bekende gegevens, te weten de hoogte van het loon van [medewerkster] over het jaar 2010, die gebaseerd was op de loongegevens, door KSMA in 2009 verstrekt. Nu dat loon de loongrens voor het jaar 2011 niet overschreed, heeft de SVB zich in de beschikking van 19 november 2012 niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat [medewerkster] werknemer in de zin van artikel 1 van LvZv was.

Het betoog slaagt.

4.2.

Dit leidt echter niet tot vernietiging van de aangevallen uitspraak. Ten tijde van het geven van de beschikking van 19 september 2013 was de SVB bekend met de voor het jaar 2011 van belang zijnde veranderingen in het loon van [medewerkster], nu KSMA deze op 19 november 2012, onmiddellijk na ontvangst van de beschikking van dezelfde datum, aan de SVB heeft verstrekt. Volgens vaste rechtspraak van het Hof (uitspraak 30 mei 2005; ECLI:NL:OGHNAA:2005:BF7453) moet op een bezwaarschrift in beginsel worden beslist met toepassing van het recht zoals dat geldt op het moment waarop de desbetreffende beschikking wordt gegeven en uitgaande van de feiten en omstandigheden ten tijde daarvan. Onder deze omstandigheden had de SVB bij het geven van de beschikking van 19 september 2013 de door KSMA ingediende mutaties in aanmerking moeten nemen. Nu de SVB dat niet heeft gedaan en aangezien, naar niet in geschil is, het loon van [medewerkster] met deze mutaties boven de loongrens voor 2011 is komen te liggen, heeft de SVB het bezwaar van KSMA ten onrechte ongegrond verklaard en de naheffingsaanslag ten onrechte gehandhaafd. Het Hof volgt de SVB niet in haar betoog dat het hiervoor vermelde uitgangspunt in dit geval niet van toepassing is, omdat KSMA de mutaties in het loon van [medewerkster] niet tijdig aan haar heeft verstrekt, reeds omdat uit artikel 14a, derde lid, van de LvZv voortvloeit dat een naheffingsaanslag die mede het gevolg is van het ten onrechte niet doen van aangifte, in zijn geheel wordt verminderd als nadien blijkt dat de werkgever ten aanzien van de desbetreffende werknemer niet premieplichtig is.

5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd, zij het met verbetering van de gronden waarop deze rust.

6. Voor een proceskostenveroordeling in hoger beroep bestaat geen aanleiding.

Beslissing

Het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. E.J. van der Poel, voorzitter, en mr. R.W.L. Loeb en mr. T.G.M. Simons, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.E.B. de Haseth, griffier.

w.g. Van der Poel

voorzitter

w.g. De Haseth

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 9 oktober 2015

Verzonden:

Voor eensluidend afschrift,
de griffier,
voor deze,