Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGHACMB:2015:13

Instantie
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Datum uitspraak
09-10-2015
Datum publicatie
27-11-2015
Zaaknummer
HLAR 72664/15
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

HLAR 72664/15

Datum uitspraak: 9 oktober 2015

gemeenschappelijk hof van jusTitie

van aruba, CURAÇAO, SINT MAARTEN

EN VAN BONAIRE, SINT EUSTATIUS EN SABA

Uitspraak op het hoger beroep van:

[Appellant], verblijvend in de Dominicaanse Republiek,

appellant,

tegen de uitspraak van het Gerecht in eerste aanleg van Bonaire, Sint Eustatius en Saba, zittingsplaats Bonaire, van 27 januari 2015, in het geding tussen:

appellant

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie.

Procesverloop

Bij beschikking van 8 oktober 2013 heeft de staatsecretaris een aanvraag van appellant om hem een vergunning tot tijdelijk verblijf voor het verrichten van arbeid in loondienst te verlenen afgewezen.

Bij beschikking van 11 augustus 2014 heeft de staatssecretaris het door appellant daartegen gemaakte bezwaar opnieuw ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 27 januari 2015 heeft het Gerecht het door appellant daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak heeft appellant hoger beroep ingesteld.

De staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend.

Het Hof heeft de zaak ter zitting behandeld op 27 augustus 2015, waar appellant, vertegenwoordigd door mr. M. Bijkerk, advocaat, en zijn echtgenote […], en de staatssecretaris, vertegenwoordigd door mr. P.J. de Graaf, werkzaam in dienst van het openbaar lichaam, zijn verschenen.

Overwegingen

  1. Ambtshalve wordt als volgt overwogen.

  2. Ingevolge artikel 6, eerste lid, van de Wet toelating en uitzetting BES (hierna: de Wtu BES) behoeven vreemdelingen die in de openbare lichamen verblijven en niet bij of krachtens artikel 3 of 5a zijn toegelaten tot verblijf een verblijfsvergunning voor bepaalde of onbepaalde tijd.
    Ingevolge artikel 9, eerste lid, kan de verblijfsvergunning voor bepaalde of onbepaalde tijd door Onze Minister worden geweigerd:
    a. (…);
    b. met het oog op de openbare orde of het algemeen belang, waaronder economische redenen mede worden begrepen;
    c. indien niet kan worden aangetoond dat degene, voor wie toelating wordt verzocht, over voldoende middelen van bestaan zal beschikken.
    Ingevolge artikel 16d, eerste lid, onder c, kan de vreemdeling door Onze Minister ongewenst worden verklaard, indien hij geen toelating van rechtswege of bij vergunning verleend heeft en een gevaar vormt voor de openbare orde of de nationale veiligheid.
    Ingevolge het derde lid kan de ongewenst verklaarde vreemdeling geen toelating van rechtswege of bij vergunning verleend hebben in de openbare lichamen. Hij kan evenmin toestemming hebben om de beslissing omtrent een verblijfsvergunning voor bepaalde of onbepaalde tijd in de openbare lichamen af te wachten.
    Ingevolge artikel 16e, eerste lid, kan Onze Minister op aanvraag van de vreemdeling besluiten tot opheffing van de ongewenstverklaring.
    Ingevolge het tweede lid, wordt de ongewenstverklaring opgeheven indien de vreemdeling tien jaren onafgebroken buiten de openbare lichamen verblijf heeft gehad en zich in die periode geen van de gronden, bedoeld in artikel 16d, eerste lid, hebben voorgedaan.

  3. Appellant is bij beschikking van 9 oktober 2014, gehandhaafd bij beschikking op bezwaar van 28 januari 2015, ongewenst verklaard. Tegen deze laatste beschikking heeft appellant geen rechtsmiddelen aangewend, zodat deze in rechte onaantastbaar is.

  4. Het gevolg dat artikel 16d, derde lid, van de Wtu BES aan de ongewenstverklaring verbindt is dat de desbetreffende vreemdeling geen toelating van rechtswege of bij vergunning verleend kan krijgen in de openbare lichamen, zolang de ongewenstverklaring voortduurt. Dat brengt met zich dat een vreemdeling, eerst wanneer de ongewenstverklaring afloopt, is vernietigd of ingetrokken, dan wel opgeheven, belang heeft bij beroep tegen een afwijzing van een aanvraag tot verlening van een vergunning tot tijdelijk verblijf (vergelijk de uitspraken het Hof van 4 juni 2007, ECLI:NL:OGEANA:2008:BG3700 en 29 november 2007, ECLI:NL:OGHNAA:2007:BG3814).
    De ongewenstverklaring van appellant duurde ten tijde van belang voort en stond aldus aan het verlenen van een vergunning, als verzocht, in de weg. Het beroep van appellant tegen de beschikking van 11 augustus 2014 kon onder die omstandigheden niet leiden tot vergunningverlening. Appellant had daarbij derhalve geen belang. Het Gerecht heeft het beroep ten onrechte niet om die reden niet-ontvankelijk verklaard.

  5. Voor zover appellant een beroep heeft gedaan op artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens (hierna: het EVRM), wordt als volgt overwogen. Bij het nemen van enige beslissing omtrent de ongewenstverklaring dient, indien daarop een beroep wordt gedaan, artikel 8 van het EVRM door de staatssecretaris in aanmerking te worden genomen. De beoordeling door de staatssecretaris in dat kader kan voorts, indien tegen die beslissing beroep wordt ingesteld, door de rechter op rechtmatigheid worden getoetst. Nu de ongewenstverklaring van appellant, zoals hiervoor overwogen, in rechte onaantastbaar is, moet die afweging thans rechtens juist worden geacht.

  6. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen het Gerecht zou behoren te doen, zal het Hof het door appellant tegen de beschikking van 11 augustus 2014 ingestelde beroep alsnog niet‑ontvankelijk verklaren.

  7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.


Beslissing

Het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van het Gerecht in eerste aanleg van Bonaire, Sint Eustatius en Saba, zittingsplaats Bonaire, van 27 januari 2015;

III. verklaart het bij het Gerecht in die zaak tegen de beschikking van de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie van 11 augustus 2014 ingestelde beroep niet-ontvankelijk;

IV. verstaat dat de griffier aan appellant het door hem voor de behandeling van het hoger beroep betaalde griffierecht ten bedrage van 168 USD (zegge: eenhonderdachtenzestig dollar) terugbetaalt.

Aldus vastgesteld door mr. E.J. van der Poel, voorzitter, en mr. R.W.L. Loeb en mr. A.W.M. Bijloos, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.E.B. de Haseth, griffier.

w.g. Van der Poel

voorzitter

w.g. De Haseth

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 9 oktober 2015

Verzonden:

Voor eensluidend afschrift,
de griffier,
voor deze,