Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGHACMB:2014:99

Instantie
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Datum uitspraak
01-09-2014
Datum publicatie
27-05-2015
Zaaknummer
RvBAz 67397 van 2014
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Uitspraak op het hoger beroep krachtens artikel 37, tweede lid, van de Rijkswet Gemeenschappelijk Hof van Justitie. Gerechtsambtenaar bij het Gemeenschappelijk Hof van Justitie betwist de juistheid van haar inschaling. Als enige grond voor haar hoger beroep heeft zij aangevoerd dat dat de behandeling van haar beroep in eerste aanleg niet kan worden aangemerkt als een behandeling door een onafhankelijk en onpartijdig gerecht, bedoeld in artikel 6 van het EVRM. Dit betoog faalt. De leden van het Hof in hun rechtsprekende functie zijn niet onderworpen aan de Beheerraad of het bestuur van het Hof. Voorts heeft de behandeling in eerste aanleg plaatsgevonden door een plaatsvervangend lid van het Hof dat op geen enkele wijze betrokken is bij het conflict en dat ook overigens geen bemoeienis heeft met de dagelijkse gang van zaken van het Hof. Bij de beantwoording van de vraag of een gerechtelijke procedure beantwoordt aan de eisen, gesteld in artikel 6 van het EVRM, moet die procedure voorts in haar geheel worden bezien, dus inclusief de fase van hoger beroep.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RvBAz 67397 van 2014

Uitspraak van 1 september 2014

GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE

VAN ARUBA, CURAÇAO, SINT MAARTEN

EN VAN BONAIRE, SINT EUSTATIUS EN SABA

UItspraak

krachtens artikel 37 van de Rijkswet Gemeenschappelijk Hof van Justitie in de zaak tussen:

[A],

wonende te Bonaire,

oorspronkelijk klaagster, thans appellante,

hierna te noemen: [A],

gemachtigde: de advocaat mr. R.P. Koeijers,

en

de Beheerraad van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie,

zetelend in Curaçao,

oorspronkelijk verweerder, thans geïntimeerde,

hierna te noemen: de Beheerraad,

gemachtigden: de advocaten mr. L.M. Virginia en mr. E. van Veen.

1 Procesverloop

Bij uitspraak van 4 februari 2014 heeft het Gerecht in eerste aanleg van Bonaire, Sint Eustatius en Saba (hierna: het Gerecht) het beroep van [A], gericht tegen haar inschaling in schaal 12 bij gelegenheid van haar benoeming tot gerechtsambtenaar in de functie van vestigingsmanager met als standplaats Bonaire, ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak heeft [A] hoger beroep ingesteld.

De Beheerraad heeft een contra-memorie ingediend.

Het hoger beroep is op 30 juni 2014 te Curaçao behandeld ter zitting van het Hof, waar [A] is verschenen in persoon, bijgestaan door haar gemachtigde; de Beheerraad is vertegenwoordigd door mr. L.M. Virginia, vergezeld van D. Bazoer, M. Alment, C. Bernsen, en C. Barendregt.

Uitspraak is nader bepaald op heden.

2 Overwegingen

2.1

Ingevolge artikel 37, eerste lid, van de Rijkswet Gemeenschappelijk Hof van Justitie (hierna ook: de Rijkswet) kan een belanghebbende tegen een rechtspositionele beschikking of handeling waarbij een rechter, de directeur bedrijfsvoering, een gerechtsambtenaar, een rechterlijk ambtenaar in opleiding, een gewezen rechter, een gewezen directeur bedrijfsvoering, een gewezen gerechtsambtenaar of een gewezen rechterlijk ambtenaar in opleiding als zodanig, hun nagelaten betrekkingen of hun rechtverkrijgenden belanghebbende zijn, beroep instellen bij het Gerecht in eerste aanleg van het land waar belanghebbende woont.

Ingevolge het tweede lid kan een belanghebbende tegen de uitspraak van het Gerecht in eerste aanleg hoger beroep instellen bij het Hof.

Ingevolge het derde lid geschieden de behandeling en de beslissing in hoger beroep door een meervoudige kamer van het Hof bestaande uit een lid of plaatsvervangend lid van het Hof als voorzitter en twee andere personen niet zijnde rechters.

Ingevolge het vierde lid worden de andere personen bedoeld in het derde lid benoemd bij koninklijk besluit voor een periode van drie jaar.

2.2

Als enige grond voor het hoger beroep heeft [A] aangevoerd dat de behandeling van haar beroep in eerste aanleg niet kan worden aangemerkt als een behandeling door een onafhankelijk en onpartijdig gerecht, bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Zij heeft daartoe gewezen op de omstandigheid dat de rechter in eerste aanleg tevens (plaatsvervangend) lid is van het Hof en als zodanig recht heeft gesproken ‘in eigen zaak’. Immers, zo heeft [A] betoogd, zowel de Beheerraad als het bestuur van het Hof maakt deel uit van dezelfde door het Hof gevormde, rechtspersoonlijkheid bezittende, organisatie. In dit verband heeft zij er tevens op gewezen dat de bevoegdheden van de Beheerraad in rechtspositionele aangelegenheden in belangrijke mate krachtens mandaat feitelijk door het bestuur worden uitgeoefend.

2.3

Deze hogerberoepsgrond slaagt niet. Zoals het Gerecht ter zake met juistheid heeft overwogen is daartoe in de eerste plaats van belang dat de leden van het Hof in hun rechtsprekende functie niet zijn onderworpen aan de Beheerraad of het bestuur van het Hof. In artikel 45, vijfde lid, van de Rijkswet is immers uitdrukkelijk bepaald dat het bestuur bij het geven van aanwijzingen en de uitvoering van zijn taken niet treedt in de procesrechtelijke behandeling van, de inhoudelijke beoordeling van of de beslissing in een zaak of in categorieën van zaken. Aldus biedt de Rijkswet voldoende waarborgen voor een onafhankelijke en onpartijdige behandeling van geschillen als het onderhavige. Voorts heeft de behandeling in eerste aanleg plaatsgevonden door een plaatsvervangend lid van het Hof dat op geen enkele wijze betrokken is bij het conflict en dat ook overigens geen bemoeienis heeft met de dagelijkse gang van zaken van het Hof. Gelet hierop geeft ook de persoon van de rechter in eerste aanleg geen aanleiding voor enig vermoeden van vooringenomenheid.

2.4

Tot slot overweegt het Hof nog dat bij de beantwoording van de vraag of een gerechtelijke procedure beantwoordt aan de eisen, gesteld in artikel 6 van het EVRM, die procedure in haar geheel dient te worden bezien, dus inclusief de fase van een eventueel hoger beroep. In aanmerking genomen de in artikel 37, derde en vierde lid, van de Rijkswet neergelegde bijzondere waarborgen waarmee samenstelling van het Hof, oordelend in hoger beroep in zaken als de onderhavige, is omgeven, ziet het Hof geen grond voor het oordeel dat de rechtsgang in hoger beroep niet voldoet aan de in artikel 6 van het EVRM ten aanzien van onafhankelijkheid en onpartijdigheid gestelde eisen. Nu, naar ter zitting is gebleken, [A] uitsluitend heeft willen betogen dat de rechtsgang in eerste aanleg niet aan deze eisen heeft voldaan, kan dit betoog ook daarom niet tot het door haar beoogde gevolg leiden.

2.5

Het vorenstaande leidt tot de slotsom dat het hoger beroep ongegrond is, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

2.6

Voor een proceskostenveroordeling bestaan geen gronden.

3 Beslissing

Het Gemeenschappelijk Hof van Justitie, recht doende in hoger beroep:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gewezen door mr. W.C.E. Winfield, voorzitter, tevens lid van het Hof, en mr. H. Bolt en mr. J. Sybesma, andere personen als bedoeld in artikel 37, derde lid, van de Rijkswet Gemeenschappelijk Hof van Justitie, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op maandag 1 september 2014 in tegenwoordigheid van de griffier.

De griffier is buiten staat deze

uitspraak mede te ondertekenen.