Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGHACMB:2014:95

Instantie
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Datum uitspraak
15-12-2014
Datum publicatie
04-02-2015
Zaaknummer
HLAR 68801/14
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

In geschil is weigering van het verlenen van een te werkstelling vergunning. In eerste aanleg is werkgever niet-ontvankelijk verklaard wegens termijnoverschrijding. Hof oordeelt dat de termijnoverschrijding verschoonbaar is, daar de beschikking naar het verkeerde e-mailadres is verstuurd, hoger beroep is gegrond en zaak wordt terugverwezen naar het Gerecht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

HLAR 68801/14

Datum uitspraak: 15 december 2014

gemeenschappelijk hof van jusTitie

van aruba, CURAÇAO, SINT MAARTEN

EN VAN BONAIRE, SINT EUSTATIUS EN SABA

Uitspraak op het hoger beroep van:

de naamloze vennootschap JMD Enterprises N.V.,

appellante (hierna: de werkgever),

tegen de uitspraak van het Gerecht in eerste aanleg van Sint Maarten van 6 januari 2014 in zaak nr. Lar 113/2013 in het geding tussen:

de werkgever

en

de minister van Volksgezondheid, Sociale Ontwikkeling en Arbeid.

Procesverloop

Bij beschikking van 13 december 2012 heeft de minister geweigerd de werkgever vergunning te verlenen om [naam vreemdeling] (hierna: de vreemdeling) te werk te stellen.

Bij beschikking van 9 juli 2013 heeft de minister het door de werkgever daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 6 januari 2014 heeft het Gerecht het door de werkgever daartegen ingestelde beroep niet-ontvankelijk verklaard.

Tegen deze uitspraak heeft de werkgever hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

Het Hof heeft de zaak ter zitting behandeld op 3 november 2014, waar de werkgever, vertegenwoordigd door mr. C. Marica, advocaat, en de minister, vertegenwoordigd door mr. A.O. Muller, ook advocaat, zijn vertegenwoordigd.

Overwegingen

Ingevolge artikel 14, eerste lid, van het Uitvoeringsbesluit arbeid vreemdelingen wordt de beschikking, houdende toekenning, dan wel weigering, van de tewerkstellingsvergunning, per fax of e-mail aan de werkgever verzonden en in uitzonderlijke gevallen per aangetekende post verzonden of persoonlijk aan de werkgever uitgereikt. In geval van uitreiking in persoon dient de werkgever voor ontvangst te tekenen, aldus die bepaling.

De werkgever betoogt dat het Gerecht heeft miskend dat de minister de op 10 juli 2013 per e‑mail verzonden beschikking van 9 juli 2013 niet naar het in zijn bezwaarschrift vermelde e‑mailadres heeft verzonden, maar naar een ander e‑mailadres. Daardoor heeft die beschikking hem niet bereikt en mocht hem niet tegengeworpen worden dat hij het beroep niet binnen zes weken na de verzending heeft ingesteld, aldus de werkgever.

Dat betoog slaagt. De minister heeft de beschikking van 9 juli 2013 op 10 juli 2013 per e‑mailbericht verzonden aan het adres [emailadres] en niet aan het door de werkgever in zijn bezwaarschrift opgegeven adres [emailadres]. Het Gerecht heeft daarom ten onrechte overwogen dat de beschikking op 10 juli 2013 aan het in het bezwaarschrift van de werkgever vermelde e‑mailadres is verzonden. Het heeft om die reden evenzeer ten onrechte overwogen dat de termijn, waarbinnen hij daartegen beroep kon instellen, duurde van 11 juli 2013 tot en met 21 augustus 2013.
De werkgever heeft gesteld dat hij pas eind juli of begin augustus 2013 voor het eerst kennis heeft gekregen van de beschikking van 9 juli 2013. De minister heeft dit niet gemotiveerd weersproken. Die beschikking wordt daarom geacht op de dag vóór die waarop de werkgever daarvan aldus kennis heeft gekregen te zijn bekendgemaakt. Het beroepschrift is bij het Gerecht op 28 augustus 2013, dus binnen zes weken na die dag en derhalve tijdig, ingekomen.

Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Het Hof zal de zaak naar het Gerecht terugwijzen, opdat het de behandeling ervan hervat in de stand waarin deze zich bevond.

De minister dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

Het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van het Gerecht in eerste aanleg van Sint Maarten van 6 januari 2014 in zaak nr. Lar 113/2013;

III. wijst de zaak naar het Gerecht terug;

IV. veroordeelt de minister van Volksgezondheid, Sociale Ontwikkeling en Arbeid tot vergoeding aan de besloten vennootschap JMD Enterprises N.V. van de bij deze in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van Naf. 1.400,00 (zegge: veertienhonderd gulden), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

V. gelast dat het land Sint Maarten aan de besloten vennootschap JMD Enterprises N.V. het door haar voor de behandeling van het hoger beroep betaalde griffierecht ten bedrage van Naf. 150,00 (zegge: honderdvijftig gulden) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. E.J. van der Poel, voorzitter, en mr. R.W.L. Loeb en mr. J.E.M. Polak, leden, in tegenwoordigheid van mr. N.A. Martines, griffier.

w.g. Van der Poel

voorzitter

w.g. Martines

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 15 december 2014

Verzonden:

Voor eensluidend afschrift,
de griffier,
voor deze,