Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGHACMB:2014:86

Instantie
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Datum uitspraak
23-05-2014
Datum publicatie
22-06-2016
Zaaknummer
HLAR 62459/13
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Oplegging naheffingsaanslagen premies ziekte- en ongevallenverzekering.

Ontbreken domiciliekeuze geen ambtshalve te beoordelen aspect. Eerst in hoger beroep aangevoerde beroepsgrond niet bij de beoordeling betrokken.

Ontoereikende motivering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

HLAR 62459/13

Datum uitspraak: 23 mei 2014

GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE

VAN ARUBA, CURAÇAO, SINT MAARTEN

EN VAN BONAIRE, SINT EUSTATIUS EN SABA

Uitspraak op het hoger beroep van:

de naamloze vennootschap Turbo Seal & Engineering N.V., gevestigd in Curaçao,

appellante,

tegen de uitspraak van het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao van 18 oktober 2013 in zaak nr. Lar 2010/130 (62459) in het geding tussen:

appellante

en

de Sociale Verzekeringsbank.

Procesverloop

Bij onderscheiden beschikkingen van 15 december 2006 heeft de SVB appellante naheffingsaanslagen premies ziekte- en ongevallenverzekering over de jaren 2001 t/m 2005 opgelegd.

Bij beschikking van 10 december 2007, kenmerk SVB nr. 20.21.13, heeft de SVB de daartegen door appellante gemaakte bezwaren ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 18 oktober 2013 heeft het Gerecht het daartegen door appellante ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak heeft appellante hoger beroep ingesteld.

De SVB heeft een verweerschrift ingediend.

Het Hof heeft de zaak ter zitting behandeld op 8 april 2014, waar appellante, vertegenwoordigd door mr. W.R. Flocker, advocaat, […] en […], en de SVB, vertegenwoordigd door mr. M. Bonafasia en J. de Windt, beiden werkzaam in haar dienst, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 8, eerste lid, van de Landsverordening Ongevallenverzekering (hierna: de LvOV) is de werkgever terzake van de kosten aan de uitvoering van deze landsverordening verbonden aan de bank een premie verschuldigd.
Ingevolge het tweede lid wordt de premie berekend naar een percentage van het dagloon van de werknemer. Het percentage wordt vastgesteld bij landsbesluit, houdende algemene maatregelen.
Ingevolge het zevende lid wordt de premie ten behoeve van de bank van de werkgever geheven door middel van afdracht op aangifte.
Ingevolge artikel 8a, eerste lid, is de werkgever verplicht de premie, bedoeld in artikel 8, eerste lid, binnen vijftien dagen na het einde van de maand, waarop deze betrekking heeft, op aangifte af te dragen.
Ingevolge het derde lid, voor zover thans van belang, wordt de aangifte gelijktijdig met de afdracht gedaan bij de bank in het eilandgebied, waarin de werkgever gevestigd is.
Ingevolge artikel 8b, tweede lid, is de werkgever gehouden het aangifteformulier duidelijk, volledig, stellig en zonder voorbehoud naar waarheid in te vullen of te doen invullen en te ondertekenen.
Ingevolge artikel 8c, eerste lid, kan, indien de premie geheel of gedeeltelijk niet binnen de voorgeschreven termijn is afgedragen, de te weinig afgedragen premie door middel van een aanslag, op te leggen ten name van de werkgever, nageheven worden, zolang niet sedert het einde van het kalenderjaar, waarin de premieschuld is ontstaan, vijf jaren zijn verstreken.
Ingevolge artikel 8e, eerste lid, is de werkgever gehouden een loonadministratie te voeren, waaruit duidelijk blijkt, aan de hand waarvan en de wijze waarop de premie is berekend.
Ingevolge het tweede lid moet de loonadministratie gedurende vijf jaren na het einde van het kalenderjaar, waarop zij betrekking heeft, worden bewaard.
Ingevolge artikel 8, eerste lid, van de Landsverordening Ziekteverzekering (hierna: de LvZv), voor zover thans van belang, is ter zake van de kosten verbonden aan de uitvoering van deze landsverordening aan de bank een premie verschuldigd.
Ingevolge het tweede lid, voor zover thans van belang, wordt de premie voor de werknemer en diens gezinsleden berekend naar een percentage van het dagloon van de werknemer.
Ingevolge het vijfde lid is de premie voor de werknemer en diens gezinsleden verschuldigd door de werkgever, de werknemer en de rechtspersoon de Nederlandse Antillen.
Ingevolge artikel 8a, eerste lid, is de werkgever inhoudingsplichtig ten aanzien van het gehele gedeelte van de premie dat ten laste van de werknemer komt.
Ingevolge artikel 8b, eerste lid, voor zover thans van belang, is de werkgever verplicht de premie die hij over een tijdvak van een maand of korter heeft ingehouden of had moeten inhouden, alsmede het gedeelte van de premie dat te zijnen laste komt, binnen vijftien dagen na het einde van die maand op aangifte af te dragen.
Ingevolge het derde lid, voor zover thans van belang, wordt de aangifte gelijktijdig met de afdracht gedaan bij de bank in het eilandgebied, waar de werkgever is gevestigd.
Ingevolge artikel 8c, tweede lid, is de werkgever gehouden het aangifteformulier duidelijk, volledig, stellig en zonder voorbehoud naar waarheid in te vullen of te doen invullen en te ondertekenen.
Ingevolge artikel 8d, eerste lid, voor zover thans van belang, kan, indien de premie niet geheel of gedeeltelijk binnen de voorgeschreven termijn door de werkgever is afgedragen, de niet of te weinig afgedragen premie door middel van een aanslag, op te leggen ten name van de werkgever, nageheven worden, zolang niet sedert het einde van het kalenderjaar, waarin de premieschuld is ontstaan, vijf jaren zijn verstreken.
Ingevolge het tweede lid kunnen ten aanzien van eenzelfde tijdvak meerdere aanslagen worden opgelegd.
Ingevolge artikel 8f, eerste lid, is de werkgever gehouden een loonadministratie te voeren, waaruit duidelijk blijkt, aan de hand waarvan en de wijze waarop de premie is berekend en ingehouden.
Ingevolge het derde lid moet de loonadministratie gedurende vijf jaren na het einde van het kalenderjaar, waarop het betrekking heeft, worden bewaard.

Ingevolge artikel 15, vijfde lid, onder f, van de Landsverordening administratieve rechtspraak (hierna: de Lar) houdt het beroepschrift, indien de indiener geen woonplaats heeft in de Nederlandse Antillen, de keuze van een domicilie in de Nederlandse Antillen in.
Ingevolge artikel 22, eerste lid, voor zover thans van belang, wordt een beroepschrift dat niet aan de bij artikel 15 gestelde eisen voldoet, door de griffier aan de indiener in persoon of, indien een gemachtigde is aangewezen, aan die gemachtigde met mondelinge of schriftelijke opgave van redenen ter aanvulling teruggegeven of teruggezonden. Daarbij wordt de termijn vermeld, waarbinnen de aanvulling dient te geschieden.
Ingevolge het tweede lid kan het Gerecht het beroep niet‑ontvankelijk verklaren, indien het beroepschrift niet binnen de gestelde termijn is verbeterd of aangevuld.
Ingevolge artikel 64, eerste lid, voor zover thans van belang, nodigt het bestuursorgaan de bezwaarde en andere partijen uit voor een hoorzitting, waar zij zich in persoon of bij gemachtigde kunnen doen horen.

2. De SVB betoogt dat het Gerecht het beroep ten onrechte niet
niet-ontvankelijk heeft verklaard wegens het ontbreken van de keuze van een domicilie in de Nederlandse Antillen in het beroepschrift, nu een beroepschrift dat niet aan de bij artikel 15 van de Lar gestelde vereisten voldoet, niet eerst ter zitting kan worden aangevuld.

2.1.

Omdat de SVB geen hoger beroep heeft ingesteld en de vraag of het Gerecht het beroep ten onrechte niet niet-ontvankelijk heeft verklaard wegens het ontbreken in het beroepschrift van de keuze van een domicilie in de Nederlandse Antillen, niet ambtshalve wordt onderzocht, kan hetgeen de SVB in dit kader heeft aangevoerd niet leiden tot het kennelijk ermee beoogde resultaat.

3. Appellante betoogt dat het Gerecht heeft miskend dat de beschikking van 10 december 2007 in strijd met artikel 64 van de Lar is gegeven.

3.1.

Zoals het Hof eerder heeft overwogen (onder meer uitspraak van 2 december 2011 in zaak nr. HLAR 47361/11; ECLI:NL:OGHACMB:2011:BV2081), kunnen beroepsgronden die in eerste aanleg hadden kunnen worden voorgedragen maar niet zijn voorgedragen en geen punt betreffen dat het Gerecht ambtshalve had behoren te onderzoeken, in hoger beroep, nu daarbij de uitspraak van het Gerecht het voorwerp van het geschil is, niet bij de beoordeling worden betrokken. Appellante heeft in eerste aanleg niet aangevoerd dat en waarom de beschikking van 10 december 2007 in strijd met artikel 64 van de Lar is gegeven. Aangezien het voorts geen punt betreft dat het Gerecht ambtshalve had behoren te onderzoeken, kan dit betoog niet tot vernietiging van de aangevallen uitspraak leiden.
Het betoog faalt.

4. Appellante betoogt voorts dat het Gerecht ten onrechte heeft overwogen dat het aan haar was om aannemelijk te maken dat de SVB de naheffingsaanslagen onjuist heeft vastgesteld. Omdat zij aan de op haar ingevolge de LvOv en de LvZv rustende administratie- en bewaarplicht heeft voldaan, was het aan de SVB om aannemelijk te maken dat de naheffingsaanslagen op juiste wijze zijn vastgesteld, aldus appellante. Voorts heeft het Gerecht ten onrechte overwogen dat zij haar betoog dat de SVB de naheffingsaanslagen onjuist heeft vastgesteld, onvoldoende heeft toegelicht, aldus appellante.

4.1.

Nu de SVB bij de beschikking van 10 december 2007 premies ziekteverzekering en volksverzekering heeft nageheven, was het aan haar om de grondslag daarvoor duidelijk te maken.
Aan de beschikking van 10 december 2007 heeft de SVB ten grondslag gelegd dat zij de door appellante ingediende mutatieformulieren heeft gecontroleerd en daarbij heeft geconstateerd dat deze niet met de gegevens omtrent inschrijvingen van werknemers van appellante in haar bestand overeenkomen. De SVB heeft deze stelling echter niet nader toegelicht. Zo heeft zij niet vermeld, van welke bij haar bekende gegevens is uitgegaan, voor welke werknemers afwijkingen zijn geconstateerd en waaruit die afwijkingen bestaan. Evenmin valt uit de beschikking op te maken, in hoeverre en welke van de gestelde afwijkingen tot de opgelegde naheffingen hebben geleid. Voorts heeft de SVB niet gesteld en aannemelijk gemaakt dat appellante niet aan de op haar ingevolge de LvOv en LvZv rustende administratie- en bewaarplicht heeft voldaan.
De conclusie is dat de SVB de naheffingsaanslagen niet toereikend heeft gemotiveerd.
Het betoog slaagt.

5. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd. Doende hetgeen het Gerecht had behoren te doen, zal het Hof het beroep gegrond verklaren en de beschikking van 10 december 2007 vernietigen.

6. De SVB dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden verwezen.

Beslissing

Het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba

verklaart het hoger beroep gegrond;

vernietigt de uitspraak van het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao van 18 oktober 2013 in zaak nr. Lar 2010/130 (62459);

verklaart het bij het Gerecht in die zaak door Turbo Seal & Engineering tegen de beschikking van de Sociale Verzekeringsbank van 10 december 2007, kenmerkt SVB nr. 20.21.13 gegrond;

vernietigt die beschikking;

veroordeelt de Sociale Verzekeringsbank tot vergoeding aan de naamloze vennootschap Turbo Seal & Engineering van de bij deze in verband met de behandeling van het beroep en hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van Naf. 3150,00 (zegge: drieduizend eenhonderd vijftig gulden), geheel toe te rekenen aan door een derde verleende rechtsbijstand;

gelast dat het Land Curaçao het aan de naamloze vennootschap Turbo Seal & Engineering het door haar voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep betaalde griffierecht ten bedrage van Naf. 150,00 (zegge: honderd vijftig gulden) teruggeeft.

Aldus vastgesteld door mr. J.Th. Drop, voorzitter, en mr. R.W.L. Loeb en mr. P. van Dijk, leden, in tegenwoordigheid van mr. N.A. Martines, griffier.

w.g. Drop

voorzitter

w.g. Martines

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 23 mei 2014

Verzonden:

Voor eensluidend afschrift,
de griffier,
voor deze,