Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGHACMB:2014:81

Instantie
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Datum uitspraak
01-09-2014
Datum publicatie
17-12-2014
Zaaknummer
2011/50529
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Belanghebbende wordt verdacht van ontduiking van invoerrechten en accijnzen ter zake van vier zendingen gedistilleerde dranken in de periode november 2004 tot en met februari 2005. Aan hem is in juli 2010 een UTB uitgereikt.

De Raad beslist dat belanghebbendes bezwaar ontvankelijk is, ook al is geen aangifte gedaan. Dit geldt evenzeer ter zake van de accijnzen, ook al spreekt artikel 128b lid 1 LIUD alleen over invoerrechten.

De Raad beslist voorts dat de Inspecteur ingevolge artikel 218 LIUD bevoegd is de ontdoken invoerrechten en accijnzen na te vorderen indien hij bewijst dat sprake is van ontduiking. De UTB is niet onaanvaardbaar laat uitgebracht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Beschikking van 1 september 2014, nr. 2011/50529

DE RAAD VAN BEROEP VOOR BELASTINGZAKEN

zitting houdende in Aruba

inzake:

X te Aruba, belanghebbende,

gemachtigde A,

tegen

de Inspecteur der Invoerrechten en Accijnzen.

1 Het procesverloop

3.1

Aan belanghebbende is op 26 juli 2010 een (op 9 juli 2010 gedagtekende) uitnodiging tot betaling (hierna: UTB) uitgereikt, strekkende tot betaling van Afl. 8.086,92 aan invoerrechten en Afl. 242.298,00 aan accijnzen ter zake van de ontvangst c.q. invoer van zendingen sterke dranken (gedistilleerd) in de periode van november 2004 tot en met maart 2005.

3.2

Belanghebbende is op 24 augustus 2010 tijdig in bezwaar gekomen tegen de heffing van invoerrechten/accijnzen. Bij uitspraak, gedagtekend 6 september 2010, heeft de Inspecteur het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard.

3.3

Belanghebbende is op 1 juni 2011 tegen deze uitspraak in beroep gekomen. Het beroep is aangevuld bij schrijven van 6 juni 2011.

3.4

De Inspecteur heeft een vertoogschrift ingediend.

3.5

Ter zitting van 1 april 2014 te Oranjestad zijn verschenen de voormelde gemachtigde en, namens de Inspecteur, B.

2 Ontvankelijkheid van het beroep

2.1

Op grond van artikel 128b, derde lid, van de Landsverordening in-, uit- en doorvoer (AB 2000-10; hierna: LIUD) kon belanghebbende binnen één maand nadat de uitspraak op bezwaar overeenkomstig het tweede lid van artikel 128b LIUD bij aangetekende brief ter post was bezorgd of tegen gedagtekend ontvangstbewijs aan belanghebbende was uitgereikt, bij de Raad in beroep komen.

2.2

Belanghebbende heeft gesteld dat de uitspraak op bezwaar door hem pas op 6 mei 2011 is ontvangen en dat deze kort daarvoor, en dus circa acht maanden ná de dagtekening ervan, door de Inspecteur ter post was bezorgd. De Inspecteur heeft deze gang van zaken bevestigd. De Raad heeft geen aanleiding aan de juistheid van deze gezamenlijke verklaring van partijen te twijfelen en volgt hen daarin.

2.3

Het voorgaande houdt in dat belanghebbende tijdig in beroep is gekomen.

3 De tussen partijen vaststaande feiten

Het volgende is op grond van de schriftelijke stukken en hetgeen ter zitting is gezegd, komen vast te staan. Het is tussen partijen niet in geschil of door één van de partijen gesteld en door de andere partij niet of onvoldoende tegengesproken.

3.1

Belanghebbende is op 16 maart 2005 aangehouden en in verzekering gesteld vanwege (onder meer) een verdenking van het medeplegen van overtreding van artikel 223a LIUD, te weten het hebben ontvangen van vier zendingen gedistilleerde dranken - op 5 november 2004, 11 november 2004, 21 januari 2005 en 11 februari 2005 - waarover geen invoerrechten en accijnzen waren betaald. Belanghebbende is op 18 maart 2005 weer op vrije voeten gesteld. Op 24 maart 2005 is een proces-verbaal afgerond waarin naast belanghebbende nog twee andere verdachten naar voren komen.

3.2

Met dagtekening 14 juli 2009 heeft de officier van justitie (hierna: OvJ) aan belanghebbende geschreven dat hij na bestudering van het dossier van mening is dat er in beginsel voldoende bewijs is om belanghebbende te dagvaarden, doch dat hij gelet op het tijdsverloop bereid is van verdere vervolging af te zien en de zaak te seponeren, indien belanghebbende “de aan de Douane verschuldigde invoerrechten en accijnzen ter waarde van AWG 250.384,92 voldoet, zoals aangegeven op de bijgevoegde berekening van de Douane.”

De brief vervolgt met de mededeling dat belanghebbende tot 11 augustus 2009 de tijd heeft om het verschuldigde bedrag aan de Douane te voldoen dan wel om met de Douane een betalingsregeling te treffen en dat, als dat niet gebeurt “na 11 augustus 2009 tot dagvaarding (zal) worden overgegaan”.

Bij de brief is gevoegd een “Overzicht opsomming vermoedelijk ontdoken bedrag aan Invoerrechten en Accijnzen door de rechtspersonen [Y N.V.] & [X Trading]”. Daarop staan vermeld de hiervoor genoemde vier zendingen sterke dranken vanaf begin november 2004 tot medio februari 2005, vanuit [de VS] naar Aruba.

3.3

Belanghebbende heeft het genoemde bedrag niet voldaan en heeft ter zake ook geen betalingsregeling getroffen. De OvJ is niet tot dagvaarding van belanghebbende overgegaan.

3.4

Op 26 juli 2010 is de onderhavige UTB aan belanghebbende uitgereikt. Daarin is onder meer vermeld:

“dat vast staat dat u de zendingen sterke dranken, zoals gespecificeerd in voormelde beschikking [Raad: de brief van de OvJ van 14 juli 2009], heeft ontvangen c.q. ingevoerd, en de voorgeschreven aangifte ten invoer niet werd gedaan en ook geen rechten werden betaald. (…) Destijds heeft de Inspecteur der Invoerrechten en Accijnzen u desgevraagd verwezen naar de Ontvanger der Belastingen om tot een betalingsregeling te komen. Tot heden heeft u het hierboven genoemde bedrag aan rechten niet betaald. Dit betekent dat u een openstaande belastingschuld heeft.

Op grond van hetgeen [is] bepaald in artikel 2 lid 2 en artikel 122 lid 1 [LIUD] en artikel 11 van de Landsverordening accijns op gedistilleerd en van de boven aangehaalde feiten, is het bedrijf [X Trading] een totaal bedrag van Afl. 8.086,92 aan Invoerrechten en Afl. 242.298,00 aan Accijns op gedistilleerd verschuldigd.”

3.5

In zijn bezwaar- en beroepschrift heeft belanghebbende betwist de vier zendingen gedistilleerd te hebben ontvangen.

4 Geschil

Tussen partijen is in geschil, primair, of belanghebbende ontvankelijk was in zijn bezwaar; subsidiair, of de Inspecteur de bevoegdheid heeft onbetaald gebleven accijnzen na te vorderen en, zo ja, of de navordering van invoerrechten en accijnzen bij de onderhavige UTB dan rechtsgeldig is geschied; meer subsidiair is in geschil of belanghebbende de nagevorderde invoerrechten en accijnzen is verschuldigd.

5 De standpunten van partijen

5.1

Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat de Inspecteur niet bevoegd is accijnzen na te vorderen omdat daartoe in de Landsverordening accijns op gedistilleerd (hierna: LAG) geen bepalingen zijn opgenomen. Voorts stelt belanghebbende dat de onderhavige UTB buiten de termijn van artikel 122 lid 2 LIUD is opgelegd. Die termijn kan niet door het Openbaar Ministerie worden verlengd en ook op grond van het bepaalde in artikel 218 LIUD kan niet alsnog worden nagevorderd.

5.2

De gemachtigde heeft met betrekking tot het materiële geschilpunt, erover geklaagd dat hij het vertoogschrift van de Inspecteur, met daarbij gevoegd “ruim 100 pagina’s aan allerlei bijlagen”, pas vrijdagmiddag 28 maart 2014 heeft ontvangen. De gemachtigde heeft niet met belanghebbende kunnen overleggen en kan niet op de bijlagen reageren. Overigens betwist belanghebbende dat hij in de periode 14 juli tot 11 augustus 2009 contact met de Inspecteur heeft opgenomen om een betalingsregeling te treffen; hij begreep de brief van de OvJ van 14 juli 2009 niet en de OvJ was naar Nederland vertrokken.

5.3

De Inspecteur is van opvatting dat uit de bij het vertoogschrift overgelegde stukken genoegzaam is af te leiden dat belanghebbende de nagevorderde rechten is verschuldigd. Zowel belanghebbende als zijn ‘broker’ zijn daarvoor aansprakelijk. Door contact op te nemen met de Inspecteur heeft belanghebbende er blijk van gegeven dat (hij zich ervan bewust was dat) hij douanerechten verschuldigd was en heeft hij het bestaan van de onderhavige belastingschulden erkend.

6.5.

Wat de bevoegdheid tot navordering betreft, meent de Inspecteur dat sprake is van overtreding van artikelen 233 en 233a LIUD en dat daarom met toepassing van artikel 218 LIUD, zonder aan een termijn gebonden te zijn, kan worden nagevorderd. De Inspecteur heeft voorts gesteld dat het bezwaar van belanghebbende tegen de onderhavige UTB niet ontvankelijk had behoren te worden verklaard, in de eerste plaats omdat geen aangifte is gedaan en een bezwaarschrift alleen binnen één maand na het doen van aangifte kan worden ingediend, en in de tweede plaats, uitsluitend wat de UTB accijnzen betreft, omdat noch de LIUD, noch de Landsverordening accijns op gedistilleerd (AB 1991-GT 27; hierna: LAG) daarvoor een rechtsingang biedt.

5.5

Partijen doen hun standpunten verder steunen op de gronden welke daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, alsmede op hetgeen zij ter zitting hebben bijgebracht.

6 Beoordeling van het geschil

Ontvankelijkheid van het bezwaar; zonder aangifte?

6.1.

Artikel 128b lid 1 LIUD luidt:

“De aangever die bezwaar heeft tegen de berekening der invoerrechten of de toepassing van het tarief op door hem ten invoer aangegeven goederen, kan binnen één maand na de dagtekening van de aangifte door de Inspecteur een bezwaarschrift indienen bij de Inspecteur, die daarop beslist.”

6.2.

In artikel 123 lid 1 LIUD is voorgeschreven dat het invoerrecht betaald moet worden bij de aangifte ten invoer, zoals het door de Inspecteur is berekend. Artikelen 53 en 54 LIUD houden regels in ter zake van de aangifte. Op grond van artikel 122 lid 2 LIUD wordt “het invoerrecht, in minder betaald op het verschuldigde overeenkomstig het bij artikel 127 vastgestelde tarief, (…) binnen één jaar [Raad: vanaf 1 juni 2010: vijf jaren] na de datum van betaling bij beschikking van de Inspecteur door de Ontvanger nagevorderd”. Ingevolge het hiervoor aangehaalde artikel 128b LIUD kan vervolgens “binnen één maand na de dagtekening van de aangifte” een bezwaarschrift worden ingediend.

6.3.

Uit het voorgaande volgt dat de systematiek van heffing (betaling op aangifte) en naheffing (navordering) ter zake van invoerrechten in hoofdzaak dezelfde is als die ter zake van ‘reguliere’ aangiftebelastingen, zoals de loonbelasting en de omzetbelasting, met dien verstande dat navordering van invoerrechten geschiedt bij UTB (in plaats van bij naheffingsaanslag). Uit dit systeem van de wet moet naar het oordeel van de Raad worden afgeleid dat zowel tegen de eigen aangifte en betaling op die aangifte, als tegen een naderhand uitgebrachte UTB op grond van artikel 128b LIUD bezwaar kan worden gemaakt, in het laatste geval ook indien aanvankelijk geen aangifte was gedaan.

Ontvankelijkheid van het bezwaar; accijnzen

6.4.

In artikel 1 LIUD is bepaald: “Voor de toepassing van deze landsverordening en van alle andere wettelijke bepalingen op de in-, uit- en doorvoer en de accijnzen wordt verstaan onder:

(…) Rechten: zowel invoerrechten als accijnzen; (…).”

6.5.

Ingevolge artikel 6 LIUD zijn, onverminderd de bepalingen van de LIUD, op de in-, uit- en doorvoer van accijnsgoederen ook toepasselijk de bepalingen van de bijzondere lands-verordeningen op de accijnzen.

6.6.

De LAG bepaalt in artikel 11 lid 2 dat de accijns verschuldigd wegens invoer tot verbruik tegelijk met het invoerrecht wordt betaald op het kantoor van de Ontvanger der belastingen. De aangifte ingevolge artikel 54 LIUD moet geschieden ter inspectie (lid 1 van artikel 11 LAG).

6.7.

In het sub 6.1 aangehaalde artikel 128b lid 1 LIUD wordt alleen gesproken over “bezwaar (…) tegen de berekening der invoerrechten of de toepassing van het tarief op door hem ten invoer aangegeven goederen”.

6.8.

Het gaat in casu (mede) om een bevel tot betaling van accijns. Tegen een dergelijk bevel kan, gelet op de letterlijke bewoordingen van artikel 128b LIUD, geen bezwaar worden gemaakt bij de Inspecteur. In de LAG is evenmin een voorziening op dit punt getroffen. In eerdere jurisprudentie van de Raad betreffende de voorganger van de LIUD (de Algemene Verordening I.U. en D. 1908, waarvan het artikel 128b nagenoeg gelijk luidde aan artikel 128b LIUD) en de heffing van accijns op sigaretten (RvBB 7 november 1983, nr. 1983-006, ECLI:NL:ORBBNAA:1983:BR6187) is daarom beslist dat voor een betrokkene geen rechtsmiddel tegen een UTB als de onderhavige openstaat voor zover deze de betaling/navordering van accijnzen betreft. De Raad ziet, op grond van de hiernavolgende overwegingen, aanleiding thans op die eerdere jurisprudentie terug te komen.

6.9.

In het Europees Verdrag ter bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) is in artikel 6 lid 1 onder meer bepaald dat

“[b]ij het vaststellen van zijn burgerlijke rechten en verplichtingen (…) een ieder recht (heeft) op een eerlijke en openbare behandeling van zijn zaak, binnen een redelijke termijn, door een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat bij de wet is ingesteld”.

6.10.

Het EVRM is ook op burgers van de overzeese gebiedsdelen van het Koninkrijk der Nederlanden van toepassing. Voor hen gelden derhalve dezelfde rechten en verplichtingen als voor burgers van het Europese deel van het Koninkrijk.

6.11.

In artikel 1 lid 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM is bepaald: “Iedere natuurlijke of rechtspersoon heeft recht op het ongestoord genot van zijn eigendom. Aan niemand zal zijn eigendom worden ontnomen behalve in het algemeen belang en onder de voorwaarden voorzien in de wet en in de algemene beginselen van internationaal recht. De voorgaande bepalingen tasten echter op geen enkele wijze het recht aan, dat een Staat heeft om die wetten toe te passen, die hij noodzakelijk oordeelt om het gebruik van eigendom te reguleren in overeenstemming met het algemeen belang of om de betaling van belastingen of andere heffingen of boeten te verzekeren.”

6.12.

Volgens vaste rechtspraak van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) vallen zuivere belastinggeschillen buiten het bereik van artikel 6 EVRM (vgl. onder meer EHRM 12 juli 2001, nr. 44759/98, Ferrazzini tegen Italië, NJ 2004/435, BNB 2005/222). In de rechtspraak van het EHRM is het echter ook vaste jurisprudentie dat een effectief recht op toegang tot de onafhankelijke rechter een algemeen rechtsbeginsel vormt. Dit algemene rechtsbeginsel ligt mede ten grondslag aan artikel 6 EVRM en artikel 47 van het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie. Het geldt evenzeer binnen de nationale rechtsorde van een rechtsstaat en ook in geschillen die zien op gedwongen bijdragen aan de overheid als zodanig. Artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM brengt (dan ook) mee dat iedere maatregel die het ongestoorde genot van eigendom aantast, vergezeld moet gaan van procedurele garanties die de betrokkene een redelijke mogelijkheid bieden tot effectieve betwisting van de rechtmatigheid van die maatregel.

6.13.

De in het onderhavige geval toepasselijke wetgeving (de LAG en de LIUD) voorziet, zoals hiervoor overwogen, niet in een dergelijke mogelijkheid tot betwisting, hoewel de situatie dat een betrokkene een UTB ter navordering van accijnzen heeft ontvangen terwijl hij ontkent deze verschuldigd te zijn, juist een geval betreft waarin het bieden van een rechtsingang zonder meer geboden is, nu de UTB onmiskenbaar de bedoeling heeft te leiden tot een eigendomsontneming.

6.14.

Gelet op hetgeen is overwogen in 6.9 tot en met 6.13 kan naar het oordeel van de Raad niet worden aanvaard dat het onderhavige geschil (voor zover dat ziet op de heffing van accijnzen) niet aan een onafhankelijke rechterlijke instantie zou kunnen worden voorgelegd. Gelet op het belang dat daaraan in een rechtsstaat toekomt, dient ook in een geval als het onderhavige, los van artikel 6 EVRM, de toegang tot de rechter te worden gewaarborgd (vgl. Hoge Raad 28 maart 2014, ECLI:HR:2014:699). Dit belang noopt ertoe dat het hier gesignaleerde rechtstekort door de Raad - als de rechter in belastingzaken - wordt opgeheven en aan belanghebbende een rechtsingang wordt verschaft.

6.15.

Binnen het kader van de hier toepasselijke wettelijke regelingen kan die rechtsingang op eenvoudige en eenduidige wijze worden geboden door aan te nemen dat de in artikel 128b LIUD bedoelde rechtsgang niet alleen voor invoerrechten maar ook voor accijnzen is aangewezen. De Raad zal mitsdien daarvan uitgaan.

Slotsom ontvankelijkheid bezwaar

6.16.

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen komt de Raad tot de conclusie dat belanghebbende terecht in zijn bezwaar tegen de UTB is ontvangen, zowel wat de nagevorderde invoerrechten als wat de nagevorderde accijnzen betreft.

Navorderingsbevoegdheid

6.17.

Ter zake van de invoer van gedistilleerd dient aangifte te worden gedaan conform de LIUD en de verschuldigde accijnzen dienen tegelijk met de verschuldigde invoerrechten te worden betaald (artikel 11 LAG, zie 6.6 hiervoor). Anders dan de LIUD (in artikel 122 lid 2) bevat de LAG echter geen bepalingen ter zake van de navordering van accijnzen. In artikel 122 lid 2 (zie 6.2 hiervóór) wordt uitsluitend van invoerrechten (en niet ook van accijnzen) gesproken. Artikel 122 is opgenomen in Hoofdstuk Hoofdstuk II, ‘Invoer’, van de LIUD, in de Elfde Afdeling welke gaat over het tarief.

6.18.

De Inspecteur heeft gesteld dat zijn navorderingsbevoegdheid in casu is gestoeld op artikel 218 LIUD waarin is bepaald:

“In alle gevallen waarin invoerrecht of accijns is ontdoken, zullen, onverminderd de strafvervolging, de ontdoken belasting en de gemaakte kosten moeten worden voldaan.” Artikel 218 is opgenomen in Hoofdstuk IX van de LIUD dat gaat over ‘Vervolging en straffen’, onder de Eerste Afdeling welke ‘Algemene bepalingen’ bevat. Artikel 219 bepaalt dat de bepalingen van hoofdstuk IX toepasselijk zijn bij overtreding van alle ter uitvoering van de LIUD gegeven wettelijke regelingen.

6.19.

Volgens de Inspecteur heeft hij in geval van ontduiking van invoerrechten en accijnzen, waarvan naar zijn mening in het onderhavige geval sprake is, ingevolge artikelen 218 en 219 LIUD een in de tijd ongelimiteerde navorderingsbevoegdheid.

6.20.

In zijn beschikking van 23 november 1990, nr. 1990-015 (kenmerk 42/1988) welke niet is gepubliceerd, heeft de Raad ter zake van het bepaalde in artikel 218 van de Algemene Verordening I.U. en D. 1908 (hierna: AVIUD), waarvan het artikel 218 (nagenoeg) gelijk luidde aan artikel 218 LIUD, overwogen dat “de wijze waarop aan dit voorschrift gevolg kan worden gegeven niet uitdrukkelijk is geregeld. Evenmin is uitvoering gegeven aan het bepaalde in de artikelen 260 en 260a van de [AVIUD] om nadere regelen te geven. Een redelijke wetstoepassing brengt evenwel mee dat de Inspecteur de ontdoken belasting bij beschikking kan navorderen, zulks op de voet van artikel 122, lid 2, van de [AVIUD], met dien verstande dat - zoals de Raad in zijn beschikking van 30 januari 1989 [Raad: de tussenbeschikking in deze zaak] reeds heeft geoordeeld - de in lid 2 genoemde termijn van een jaar niet geldt in een geval als het onderhavige waarin gebruik is gemaakt van valse of vervalste bescheiden en dat tegen die beschikking de in artikel 128b van de [AVIUD] bedoelde rechtsmiddelen kunnen worden aangewend.”

In de tussenbeschikking van 30 januari 1989 had de Raad overwogen dat artikel 122 lid 2 LIUD slechts van toepassing is, kort gezegd, op situaties waarin op reguliere wijze aangifte is gedaan en rechten zijn betaald op basis van ‘correcte facturen’ en dat in geval van ontduiking geen beroep kan worden gedaan op voormeld artikel.

6.21.

De Raad blijft bij deze eerdere beslissingen omtrent het toepassingsbereik van (de voorganger van) artikel 218 LIUD (vgl. RvBB 14 maart 1988, ECLI:NL:ORBBNAA:1988:BQ8617). Voor de onderhavige zaak houdt zulks in dat de Inspecteur de ter zake van invoer ontdoken invoerrechten en accijnzen kan navorderen. Het ligt daarbij op de weg van de Inspecteur om te bewijzen dat sprake is (geweest) van ontduiking.

6.22.

De Raad heeft zich in zijn hiervoor genoemde eerdere beschikkingen niet uitgelaten over de vraag of, nu de in artikel 122 lid 2 LIUD genoemde termijn van één jaar (met ingang van 1 juni 2010: vijf jaren) niet geldt, er een - andere - uiterste termijn van toepassing is waarbinnen navordering met toepassing van artikel 218 LIUD moet plaatsvinden. De Inspecteur heeft die vraag ontkennend beantwoord en gesteld dat een zodanige navordering niet aan een termijn is gebonden. Belanghebbende heeft gesteld dat een (maximale) termijn van vijf jaren als navorderingstermijn volstaat.

6.23.

Naar het oordeel van de Raad vereist het algemene rechtsbeginsel van de rechtszekerheid alsmede het belang dat daaraan in een rechtsstaat toekomt, ook los van artikel 6 EVRM, dat het standpunt van de Inspecteur wordt verworpen. Het is aan de wetgever om in de hier toepasselijke uiterste termijn voor navordering op de voet van artikel 218 LIUD te voorzien. Nu hij zulks heeft nagelaten, rekent de Raad het tot zijn taak om binnen het overige kader van de onderhavige wettelijke regelingen te beoordelen of een bevel tot betaling van invoerrechten en/of accijnzen onaanvaardbaar laat is uitgebracht. De Raad is van oordeel dat dit in casu niet het geval is. In zoverre is het gelijk aan de Inspecteur.

Materiële geschilpunt

6.24.

Met betrekking tot het materiële geschilpunt, of sprake is van ontduiking van invoerrechten en accijnzen en, zo ja, welke bedragen terzake van belanghebbende kunnen worden nagevorderd, stelt de Raad vast dat het partijdebat nog niet voldoende is gevoerd. De Inspecteur heeft ter zitting van de Raad desgevraagd te kennen gegeven dat de door hem bij zijn vertoogschrift overgelegde stukken compleet zijn in die zin dat de Raad daaruit zou moeten kunnen concluderen dat belanghebbende ter zake van de invoer van (de sub 3 bedoelde) vier zendingen gedistilleerde dranken invoerrechten en accijnzen heeft ontdoken en dat de onderhavige UTB terzake terecht is opgelegd. Ter zitting van de Raad is het materiële geschilpunt evenwel niet behandeld; belanghebbende noch de Raad had ter zitting van de door de Inspecteur overgelegde stukken kennis genomen.

6.25.

In verband met het voorgaande acht de Raad het dienstig dat de Inspecteur de hiervoor bedoelde, aan de Raad en belanghebbende overgelegde stukken van een (nadere) toelichting voorziet. Bij die gelegenheid kan hij mede, voor zover hij zulks nuttig of nodig acht, nadere of aanvullende stukken inbrengen.

6.26.

Belanghebbende zal daarna de gelegenheid worden geboden op die stukken en toelichting te reageren.

6.27.

Vervolgens zullen partijen worden opgeroepen voor een nadere mondelinge behandeling van de zaak.

7 Beslissing

De Raad:

verzoekt de Inspecteur binnen zes weken na de datum van deze beschikking de toelichting en eventuele overige stukken (als bedoeld in 6.25) aan de Raad en, in afschrift, aan belanghebbende ter beschikking te stellen;

stelt belanghebbende in de gelegenheid (als bedoeld in 6.26) om binnen twaalf weken na de dagtekening van deze stukken daarop te reageren in een aan de Raad te richten geschrift dat mede in afschrift aan de Inspecteur dient te worden gezonden;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Aldus gedaan in raadkamer door mrs. M.T. Boerlage, voorzitter, G.J. van Muijen en E.F. Faase, leden, in tegenwoordigheid van de secretaris N. Martines en uitgesproken in het openbaar op 1 september 2014.

Deze uitspraak is ondertekend door, mr. S. Verheijen, huidige voorzitter van de Raad van Beroep in Belastingzaken tevens lid van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie, nu de voorzitter en de leden die over deze zaak hebben gezeten daartoe buiten staat zijn.