Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGHACMB:2014:68

Instantie
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Datum uitspraak
24-01-2014
Datum publicatie
15-12-2014
Zaaknummer
HLAR 64637/13
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Arubaanse zaak. Gouverneur heeft geweigerd te bevestigen dat appellant de Nederlandse nationaliteit verkrijgt. Hof oordeelt dat de beschikking onvoldoende is gemotiveerd en vernietigt de uitspraak.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

HLAR 64637/13

Datum uitspraak: 24 januari 2014

gemeenschappelijk hof van jusTitie

van aruba, CURAÇAO, SINT MAARTEN

EN VAN BONAIRE, SINT EUSTATIUS EN SABA

Uitspraak op het hoger beroep van:

de Gouverneur,

appellant,

tegen de uitspraak van het Gerecht in eerste aanleg van Aruba van 22 mei 2013 in zaak nr. LAR nr. 3758 van 2012 in het geding tussen:

[belanghebbende]

en

appellant.

Procesverloop

Bij beschikking van 28 juni 2012 heeft de Gouverneur geweigerd een verklaring van [belanghebbende] dat hij de Nederlandse nationaliteit verkrijgt te bevestigen.

Bij beschikking van 5 december 2012 heeft de Gouverneur het door [belanghebbende] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 22 mei 2013 heeft het Gerecht in eerste aanleg van Aruba het door [belanghebbende] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, die beschikking vernietigd en bepaald dat de Gouverneur binnen drie maanden een nieuwe beschikking op het door [belanghebbende] gemaakte bezwaar geeft.


Tegen deze uitspraak heeft de Gouverneur bij brief, bij het Gerecht ingekomen op 24 juni 2013, hoger beroep ingesteld.

Het Hof heeft de zaak ter zitting behandeld op 20 november 2013, waar de Gouverneur, vertegenwoordigd door mr. N.J. Abdul Hamid, werkzaam bij het Kabinet van de Gouverneur, en [belanghebbende], bijgestaan door B. Angela als tolk, zijn verschenen.

Overwegingen

Ingevolge artikel 1, eerste lid, aanhef en onder g, van de Rijkswet op het Nederlanderschap (hierna: de RWN) wordt in deze wet en de daarop berustende bepalingen onder toelating verstaan: instemming door het bevoegd gezag met het bestendig verblijf van de vreemdeling in het Europese deel van Nederland, Aruba, Curaçao, Sint Maarten of de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba.
Ingevolge artikel 6, eerste lid, aanhef en onder g, verkrijgt de vreemdeling die gedurende tenminste drie jaren de echtgenoot is van een Nederlander en gedurende een onafgebroken periode van tenminste vijftien jaren toelating en hoofdverblijf heeft in het Europese deel van Nederland, Aruba, Curaçao, Sint Maarten of de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba, na het afleggen van een daartoe strekkende schriftelijke verklaring het Nederlanderschap door een bevestiging, als bedoeld in het derde lid.
Ingevolge het derde lid beoordeelt de autoriteit die de verklaring in ontvangst neemt, aan de hand van de haar overgelegde stukken de gronden waarop de verklaring berust. Indien aan de vereisten daarvoor is voldaan, bevestigt zij schriftelijk de verkrijging van het Nederlanderschap.
Ingevolge artikel 23, eerste lid, kunnen bij of krachtens algemene maatregel van rijksbestuur ter uitvoering van deze Rijkswet nadere regelen worden gesteld.

Ingevolge artikel 2, aanhef en onder c, van het krachtens die regeling vastgestelde Besluit verkrijging en verlies Nederlanderschap (hierna: het BVVN), voor zover thans van belang, is in Aruba de Gouverneur tot het in ontvangst nemen van optieverklaringen en naturalisatieverzoeken en tot het uitreiken van uittreksels van naturalisatiebesluiten bevoegd.
Ingevolge artikel 22, eerste lid, voor zover thans van belang, onderzoekt de Gouverneur, behoudens in de gevallen waarin toelating niet is vereist, de verblijfsrechtelijke status van de optant en van de personen die in de optieverklaring zijn genoemd. Zo nodig verwijst hij de optant voor een bewijs van toelating naar de daartoe bevoegde instanties.
Ingevolge artikel 72 kunnen bij ministeriële regeling nadere regels ter uitvoering van dit besluit worden gesteld.

Ingevolge artikel 2 van de krachtens die bepaling vastgestelde Regeling verkrijging en verlies Nederlanderschap (hierna: de RVVN), voor zover thans van belang, oefent de uitvoeringsautoriteit de hem in het BVVN opgedragen werkzaamheden uit in overeenstemming met de Handleiding, alsmede met de nadere instructies terzake die in het desbetreffende Rijksdeel gelden, tenzij in deze regeling anders is bepaald.

In de Handleiding voor de toepassing van de RWN 2003, toegespitst op het gebruik in Aruba (hierna: de Handleiding) is terzake van de betekenis van de term toelating in artikel 1, eerste lid, aanhef en onder g, van de RWN als volgt vermeld: “‘Toelating’ betekent in de Arubaanse situatie concreet dat een vreemdeling (niet-Nederlander) verblijfsrecht heeft in Aruba op grond van de LTU(V). Het verblijfsrecht voor een niet‑Nederlander kan voor een bepaalde of onbepaalde tijd zijn. De vreemdeling verblijft in de volgende gevallen rechtmatig in Aruba, als hij in het bezit is van één van de volgende documenten:
1. een vergunning tot tijdelijk verblijf (artikel 6, tweede lid, LTUV jo. artikel 7 LTUV); of
2. een vergunning tot verblijf (artikel 6, derde lid, LTUV jo. artikel 7a LTUV); of
3. een verklaring van toelating van rechtswege (artikel 3 LTU(V)); of
4. een verklaring van toelating van rechtswege op grond van het beoogde artikel 3, eerste lid aanhef en onder g, uit het voorstel (ZJ 2011-2012-736) tot aanpassing van de LTU(V).”
In de Handleiding is terzake van de toepassing van artikel 6, eerste lid, aanhef en onder g, van de RWN als volgt vermeld: “Van toelating in Aruba is sprake indien optant rechtmatig verblijf heeft op grond van de artikelen 1, 3 en 6 LTUV. Optant dient dit rechtmatige verblijf aan de hand van een verblijfsdocument aan te tonen. De periode van vijftien jaren toelating en hoofdverblijf moet ‘onafgebroken’ zijn. In bedoelde periode mogen er dus geen zogenaamde ‘verblijfsgaten’ voorkomen. Een verblijfsgat leidt tot een onderbreking van de termijn. Na de onderbreking begint opnieuw een termijn van vijftien jaren te lopen. Of wordt voldaan aan de vereiste periode van onafgebroken toelating zal de Gouverneur afleiden uit het verblijfsdocument en de gegevens uit de bevolkingsadministratie. In andere gevallen zal de duur van de onafgebroken toelating alleen kunnen worden beoordeeld door de DIMAS aan de hand van de gegevens in het NAVAS. In die situatie zal de Gouverneur de DIMAS verzoeken om aan hem een bericht omtrent toelating af te geven. Het is overigens de bedoeling dat een bericht omtrent toelating alleen wordt gevraagd indien de Gouverneur niet of in onvoldoende mate beschikt over voldoende gegevens. Ook in gevallen waarbij de gegevens in de DIMAS en het overgelegde verblijfsdocument elkaar tegenspreken of er anderszins omstandigheden zijn, waardoor gerede twijfel bestaat over de juiste verblijfsrechtelijke positie van de optant of verzoeker, dient een bericht omtrent toelating te worden gevraagd. Voor de gevallen waarin en de wijze waarop een bericht omtrent toelating moet worden gevraagd, wordt verwezen naar de toelichting bij artikel 1, eerste lid, aanhef en onder g, RWN”.

Aan de beschikking van 5 december 2012 heeft de Gouverneur ten grondslag gelegd dat uit informatie, verkregen van het Departamento di Integracion, Maneho y Admision di Stranheronan (hierna: DIMAS) en uit de door [belanghebbende] bij zijn verzoek overgelegde vergunningen tot tijdelijk verblijf blijkt dat hij van 17 februari 2001 tot 17 augustus 2001 geen toelating in het Koninkrijk had. Aldus heeft hij niet gedurende een onafgebroken periode van tenminste vijftien jaren toelating in het Koninkrijk gehad, als bedoeld in artikel 6, eerste lid, aanhef en onder g, van de RWN. Dat aan hem op 21 november 2005 een vergunning tot verblijf voor onbepaalde tijd is verleend, maakt dat niet anders, nu vergunningen tot verblijf krachtens een andere wettelijke regeling en met toepassing van ander beleid worden verleend dan verklaringen omtrent verkrijging van het Nederlanderschap.

Het Gerecht heeft die beschikking aldus onvoldoende draagkrachtig gemotiveerd geacht. Nu aan [belanghebbende] in 2005 een vergunning tot verblijf voor onbepaalde tijd is verleend, waarvoor een vreemdeling eerst in aanmerking komt na een onafgebroken rechtmatig verblijf gedurende tien jaren, heeft de Gouverneur ten onrechte geen informatie omtrent deze vergunningverlening bij de DIMAS ingewonnen en bij zijn besluitvorming betrokken, aldus het Gerecht.

De Gouverneur betoogt dat het Gerecht daarmee heeft miskend dat, reeds omdat uit het door de DIMAS gegeven bericht omtrent toelating van 9 februari 2012 en uit de door [belanghebbende] overgelegde vergunningen tot tijdelijk verblijf blijkt dat [belanghebbende] van 17 februari 2001 tot 17 augustus 2001 geen toelating in het Koninkrijk had, hij niet aan het in artikel 6, eerste lid, aanhef en onder g, van de RWN voor het verkrijgen van het Nederlanderschap gestelde vereisten voldoet. Dat hem in 2005 een vergunning tot verblijf voor onbepaalde tijd is verleend, betekent niet dat er onafgebroken toelating in de zin van artikel 6, eerste lid, aanhef en onder g, van de RWN is geweest. Het toetsingskader voor de verlening van vergunningen tot verblijf voor onbepaalde tijd is een andere dan dat voor verklaringen omtrent verkrijging van het Nederlanderschap. Er was geen reden om te onderzoeken, waarom de minister, belast met vreemdelingenzaken, [belanghebbende] een vergunning tot verblijf voor onbepaalde tijd heeft verleend, aldus de Gouverneur.

4.1. Zoals hiervoor onder 1 overwogen, is in de Handleiding terzake van de term ‘toelating’ in de zin van artikel 1, eerste lid, aanhef en onder g, van de RWN uiteengezet dat een vreemdeling daarover in de Arubaanse situatie beschikt, indien hem, voor zover thans van belang, een vergunning tot tijdelijk verblijf is verleend. Niet in geschil is dat aan [belanghebbende] van 17 februari 2001 tot 17 augustus 2001 geen zodanige vergunning is verleend. Reeds om deze reden heeft de Gouverneur zich bij de beschikking van 5 december 2012 terecht op het standpunt gesteld dat [belanghebbende] gedurende die periode geen toelating in vorenbedoelde zin in Aruba had, zodat niet aan de in artikel 6, eerste lid, aanhef en onder g, van de RWN voor het verkrijgen van het Nederlanderschap gestelde vereisten is voldaan.
Dat aan [belanghebbende], als gesteld, in 2005 een vergunning tot verblijf voor onbepaalde tijd is verleend, geeft geen grond voor een ander oordeel, nu daarmee niet is weggenomen dat aan [belanghebbende] in voormelde periode geen vergunning tot tijdelijk verblijf was verleend.
Het betoog slaagt.

5. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

7. Beslissing

Het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van het Gerecht in eerste aanleg van Aruba van 22 mei 2013 in zaak nr. LAR nr. 3758 van 2012;

III. verklaart het bij het Gerecht in die zaak ingestelde beroep

ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. J.Th. Drop, voorzitter, en mr. R.W.L. Loeb en mr. A.W.M. Bijloos, leden, in tegenwoordigheid van mr. N.A. Martines, griffier.

w.g. Drop

voorzitter

w.g. Martines

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 24 januari 2014

Verzonden:

Voor eensluidend afschrift,
de griffier,
voor deze,