Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGHACMB:2014:44

Instantie
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Datum uitspraak
12-08-2014
Datum publicatie
24-10-2014
Zaaknummer
Ghis 32633 – AR 776/08 – H 01/12
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Betreft terugverwijzing van de HR. In geschil is in hoeverre de zorgplicht van het Land Curaçao gaat jegens een gedetineerde, die tijdens het voetballen uitgleed over een beetje water en daardoor een dwarslaesie opliep. Criteria van het Kelderluikarrest zijn maatgevend bij het vaststellen van de aansprakelijkheid. Hof oordeelt dat het Land aansprakelijk is voor de schade ter zake van het ongeval.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Registratienrs. Ghis 32633 – AR 776/08 – H 01/12

Uitspraak: 12 augustus 2014

GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE

van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en

van Bonaire, Sint Eustatius en Saba

Vonnis in de zaak van:

[x],

wonende in Nederland,

hierna te noemen: [x],

oorspronkelijk eiser, thans appellant,

gemachtigde: mr. R.E.F.A. Bijkerk,

tegen

de openbare rechtspersoon HET LAND CURAÇAO,

zetelend in Curaçao,

hierna te noemen: het Land,

oorspronkelijk gedaagde, thans geïntimeerde,

gemachtigde: mr. M.R. Hammoud.

1 Verder verloop van de procedure

1.1.

Het Hof verwijst voor het verloop tot dan toe naar zijn vonnis van 12 juni 2012.

1.2.

Dit vonnis is door de Hoge Raad der Nederlanden op 28 juni 2013 vernietigd (ECLI:NL:HR:2013:47, NJ2013, 366). De Hoge Raad heeft het geding naar het Hof verwezen ter verdere behandeling en beslissing.

1.3.

Op 3 december 2013 hebben partijen een memorie na cassatie genomen.

1.4.

Vonnis is nader bepaald op heden.

2 Beoordeling

2.1. [

[x] heeft ook in hoger beroep een bewijs van onvermogen overgelegd. Hij kan worden toegelaten kosteloos in hoger beroep te procederen.

2.2.

Het Hof gaat uit van de feiten en omstandigheden waarvan ook de Hoge Raad in voormelde uitspraak is uitgegaan (rov. 3.1).

2.3.

Gelet op voormelde uitspraak van de Hoge Raad, wordt het volgende vooropgesteld. Het gaat in deze zaak om schade door ernstig letsel dat een gedetineerde ([x]) heeft opgelopen bij een voetbalspel op de binnenplaats van een cellenblok. De te beantwoorden vraag is of het Land in de gegeven omstandigheden heeft gehandeld in strijd met een zorgplicht jegens de gedetineerde, waarbij in een geval als het onderhavige de criteria van het Kelderluikarrest maatgevend zijn (HR 5 november 1965, LJN AB7079, NJ 1966/136). Deze houden in dat in het licht van de omstandigheden van het geval moet worden beoordeeld in hoeverre iemand die een situatie in het leven roept die voor anderen bij niet-inachtneming van de vereiste oplettendheid en voorzichtigheid gevaarlijk is, rekening dient te houden met de mogelijkheid dat die oplettendheid en voorzichtigheid niet in acht zullen worden genomen en met het oog daarop bepaalde veiligheidsmaatregelen dient te treffen. Bij die beoordeling dient met name in aanmerking te worden genomen in hoeverre niet-inachtneming van de vereiste oplettendheid en voorzichtigheid waarschijnlijk is, hoe groot de kans is dat daaruit ongevallen ontstaan, hoe ernstig de gevolgen kunnen zijn, en in hoeverre het nemen van veiligheidsmaatregelen bezwaarlijk is.

2.4.

Vast staat dat de situatie bij een voetbalspel op de binnenplaats waar het ongeval zich heeft voorgedaan, bij niet-inachtneming van de vereiste oplettendheid en voorzichtigheid gevaarlijk was. De vloer van de binnenplaats was glad en in beginsel niet geschikt voor het voetbalspel en de vloer was geregeld nat en dan nog gladder. Verder is van belang dat de gevangenisleiding gelegenheid heeft gegeven om op die binnenplaats te voetballen. Een en ander betekent dat onder verantwoordelijkheid van het Land een situatie in het leven was geroepen en bleef voortbestaan die voor een gedetineerde zoals [x] bij niet-inachtneming van de vereiste oplettendheid en voorzichtigheid gevaarlijk was.

2.5.

Naar het oordeel van het Hof kon in het licht van de omstandigheden van het geval aan het Land, onder wiens verantwoordelijkheid de situatie in het leven was geroepen die voor een gedetineerde zoals [x] bij niet-inachtneming van de vereiste oplettendheid en voorzichtigheid gevaarlijk was, de eis worden gesteld (a) rekening te houden met de mogelijkheid dat die oplettendheid en voorzichtigheid niet zouden worden betracht en (b) met het oog daarop bepaalde veiligheidsmaatregelen te treffen. Daartoe overweegt het Hof het volgende.

2.6.

Dat voetballende gedetineerden in het vuur van hun spel niet de benodigde oplettendheid en voorzichtigheid zouden betrachten, a fortiori indien zij nog van jonge leeftijd waren, zoals [x], was zeer waarschijnlijk.

2.7.

De kans dat daaruit ongevallen ontstaan was aanzienlijk. Het ging immers om een met het oog op het voetbalspel beperkte gesloten ruimte. De vloer en muren waren van beton en de doelen stonden vlak bij de muren. In deze omstandigheden konden de gevolgen van ongevallen zeer ernstig zijn.

2.8.

Wat betreft de concreet te treffen veiligheidsmaatregelen had het Land een zekere beleidsruimte. Het Hof is niet ervan overtuigd dat geen der denkbare maatregelen in redelijkheid van het Land gevergd kon worden. Door [x] zijn genoemd het aanbrengen van een antisliplaag, de verplaatsing van de doelen, het ter beschikking stellen van deugdelijk schoeisel en bij gebreke van deze maatregelen een (tijdelijk) verbod van het voetballen of het openstellen van de in de gevangenis aanwezige sporthal (met de noodzaak van bewaking). Dat het nemen van een of meer van deze maatregelen zodanig bezwaarlijk was dat dit niet van het Land kon worden gevergd, is niet aannemelijk.

2.9.

In dit verband is verder nog van belang dat de gevangenisleiding de voetbaldoelen en voetballen heeft verstrekt, dat zij wist dat de gedetineerden met gebruik daarvan voetbalden op de binnenplaats, en dat de vloer van de binnenplaats geregeld nat werd.

2.10.

De conclusie is dat in de gegeven omstandigheden sprake is van strijd met een zorgplicht jegens de gedetineerde ([x]) doordat het Land geen adequate veiligheidsmaatregelen heeft getroffen, terwijl het Land rekening behoorde te houden met de mogelijkheid dat de benodigde oplettendheid en voorzichtigheid door de voetballende gedetineerden niet zouden worden betracht. Sprake is daarom van een doen of nalaten van het Land in strijd met hetgeen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt (artikel 6:162 BW). Aan het beroep door [x] op artikel 6:174 BW hoeft niet te worden toegekomen.

2.11.

Het beroep van het Land op eigen schuld faalt. Dat [x] deelnam aan het voetbalspel levert, mede gelet op de beperkte mogelijkheden van recreatie in de gevangenis, geen eigen schuld op. Dat hij hard rende is inherent aan zijn deelname. Ware dit anders, dan is er reden, mede gelet op de ernst van het letsel, de billijkheidscorrectie van artikel 6:101 BW toe te passen, in die zin dat de schadeplichtigheid van het Land geheel in stand blijft.

2.12.

Uit het voorgaande volgt dat het bestreden vonnis moet worden vernietigd. De gevraagde verklaring voor recht moet worden uitgesproken, met verwijzing naar de schadestaatprocedure.

2.13. [

x] heeft een voorschot van NAf 250.000,= gevorderd. Gelet op de uitzonderlijk ernstige gevolgen van het ongeval – [x] heeft een dwarslaesie opgelopen, waardoor hij aan beide armen en benen blijvend verlamd is geraakt – komt deze hoogte het Hof redelijk voor.

2.14.

Het Land dient de kosten van deze procedure in beide instanties te dragen.

3 Beslissing

Het Hof:

- vernietigt het bestreden vonnis, en opnieuw rechtdoende:

- laat [x] toe in hoger beroep kosteloos te procederen;

- verklaart voor recht dat het Land ter zake van het ongeval van 2 juni 2007 in de Bon Futuro gevangenis jegens [x] aansprakelijk is voor diens schade;

- veroordeelt het Land om tegen behoorlijk bewijs van kwijting bij wege van voorschot aan [x] te betalen NAf 250.000,=;

- verklaart deze veroordeling tot betaling van het voorschot uitvoerbaar bij voorraad;

- veroordeelt het Land tot betaling van schadevergoeding nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;

- veroordeelt het Land in de kosten van deze procedure aan de zijde van [x] gevallen en tot op heden begroot voor de eerste aanleg op NAf 3.000,= aan gemachtigdensalaris en voor het hoger beroep op NAf 10.800,= aan gemachtigdensalaris.

Aldus gewezen door mrs. J. de Boer, G.C.C. Lewin en H.J. van Kooten, leden van het Hof, en ter openbare terechtzitting van 12 augustus 2014 in Curaçao uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.