Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGHACMB:2014:40

Instantie
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Datum uitspraak
29-08-2014
Datum publicatie
20-10-2014
Zaaknummer
KG 7/2014 - HAR 29/2014
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Land vordert schorsing ten uitvoerlegging van vonnis van 21 februari. Geïntimeerden verzoeken om tussentijds cassatieberoep open te stellen. Hof bepaalt voor zover mogelijk en vereist dat tussentijds cassatie kan worden ingesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Registratienummer: KG 7/2014 - HAR 29/2014

Uitspraak: 29 augustus 2014

GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE

van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en

van Bonaire, Sint Eustatius en Saba

V O N N I S

op de bij verzoekschrift van 8 juli 2014 ingediende vorderingen in de zaak in kort geding van:

1. geintimeerde sub 1],

2. [ sub 2],

3. [ sub 3],

4. [ subs 4],

met gekozen domicilie in Nederland en in Sint Maarten,

oorspronkelijk eisers,

thans geïntimeerden,

eisers van de thans te beoordelen vorderingen,

gemachtigden: mrs. B.B Brooks en M. Meijjer.

tegen

de openbare rechtspersoon

het LAND SINT MAARTEN,

zetelend in Sint Maarten,

oorspronkelijk gedaagde,

thans appellant,

verweerder tegen de thans te beoordelen vorderingen,

gemachtigde: mr. M. Hofman,

De partijen worden hierna [geintimeerden] en het Land genoemd.

1 Het verloop van de procedure

1.1

Bij akte van appel van 13 maart 2014 is het Land in hoger beroep gekomen van het in kort geding tussen partijen gewezen en op 21 februari 2014 uitgesproken vonnis van het Gerecht in eerste aanleg van Sint Maarten

(verder: GEA).

1.2

Bij vonnis van 9 mei 2014 heeft het Hof op vordering van het Land de tenuitvoerlegging van het vonnis van 21 februari 2014 geschorst voor de duur van de procedure in hoger beroep (zaaknummer HAR 9/2014). Bij herstelvonnis van 13 juni 2014 heeft het Hof het vonnis van 9 mei 2014 verbeterd op een punt betreffende de begroting van de proceskosten.

1.3

Bij op 8 juli 2014 ingekomen verzoekschrift, met producties, hebben [geintimeerden] vorderingen ingesteld die verband houden met de tenuitvoerlegging van het vonnis van 21 februari 2014.

1.4

Bij op 25 juli 2014 ingekomen verweerschrift heeft het Land geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring, althans afwijzing van de vorderingen, met veroordeling van [geintimeerden] in de kosten van de procedure.

1.5

Op 8 augustus 2014 hebben partijen pleitnotities ingediend. Vonnis is gevraagd en bepaald op heden.

2 De beoordeling

2.1

De vorderingen strekken in de eerste plaats in wezen ertoe dat het Hof, hetzij met terugwerkende kracht, hetzij voor de toekomst, de rechtsgevolgen ontneemt aan zijn vonnis van 9 mei 2014. Het Hof zal geen uitdrukkelijk onderscheid maken tussen de ontvankelijkheid van de vorderingen en de toewijsbaarheid ervan, omdat het Land daarbij onvoldoende belang heeft.

2.2

Gesteld noch gebleken is dat het vonnis van 9 mei 2014 een kennelijke fout bevat die zich voor eenvoudig herstel leent. Evenmin zijn gronden voor herroeping van het vonnis van 9 mei 2014 in de zin van art. 382 Rv gesteld of gebleken. Een andere processuele weg waarlangs het Hof aan het vonnis van

9 mei 2014 met terugwerkende kracht de rechtsgevolgen zou kunnen ontnemen, ziet het Hof niet. Langs de weg van heroverweging van een eindbeslissing in een tussenuitspraak (wat daarvan verder zij in dit geval) kan dat resultaat niet worden bereikt.

2.3

Met verwijzing naar de in het vonnis van 9 mei 2014 gegeven motivering, die het Hof ook thans nog juist voorkomt, ook wat betreft de daarbij aangelegde maatstaf, en met inachtneming van hetgeen partijen hebben gesteld over de thans over en weer bestaande belangen, komt het Hof tot het oordeel dat ook thans nog het belang van het Land bij behoud van de bestaande toestand tot op het hoger beroep zal zijn beslist, zwaarder weegt dan het belang van [geintimeerden] bij tenuitvoerlegging van het vonnis van 21 februari 2014 voordat op het hoger beroep zal zijn beslist. Hetgeen [geintimeerden] hebben gesteld over nieuwe ontwikkelingen, werpt geen ander licht op het gewicht dat in mei 2014 aan de belangen over en weer moest worden gehecht en wijzen er ook niet op dat er thans een ander gewicht aan die belangen moet worden gehecht. Het Hof acht daarom geen grond aanwezig om voor de toekomst de rechtsgevolgen te ontnemen aan zijn vonnis van 9 mei 2014.

2.4

De hiervoor bedoelde vorderingen moeten dus worden afgewezen.

2.5 [

geintimeerden] hebben het Hof daarnaast verzocht om, kort gezegd, tussentijds cassatieberoep open te stellen.

Het komt het Hof voor dat uit art. 401a lid 1 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering van Europees Nederland in verbinding met art. 1 lid 1 en 2 van de Rijkswet Cassatierechtspraak volgt dat tegen het vonnis van 9 mei 2014 en tegen het onderhavige vonnis cassatie kan worden ingesteld voordat op het hoger beroep zal zijn beslist, en dat dienaangaande geen beslissingsbevoegdheid toekomt aan het Hof. Dit is echter aan de Hoge Raad ter beoordeling. Het Hof zal voor zover mogelijk en vereist bepalen dat tegen het vonnis van 9 mei 2014 en tegen het onderhavige vonnis cassatie kan worden ingesteld voordat op het hoger beroep zal zijn beslist.

2.6 [

geintimeerden] zullen als de in het ongelijk gestelde partijen worden veroordeeld in de kosten van het naar aanleiding van deze vorderingen gevoerde geding.

B E S L I S S I N G

Het Hof:

wijst de vorderingen af;

veroordeelt [geintimeerden] in de kosten van het naar aanleiding van de onderhavige vorderingen gevoerde geding, aan de zijde van het Land gevallen en tot op heden begroot op NAf 900,00 aan verschotten en op NAf 1.700,00 aan salaris voor de gemachtigde;

bepaalt, voor zover mogelijk en vereist, dat tegen het vonnis van 9 mei 2014 en tegen het onderhavige vonnis cassatie kan worden ingesteld voordat op het hoger beroep zal zijn beslist.

Dit vonnis is gewezen door mrs. J. de Boer, G.C.C. Lewin en H.J. van Kooten, leden van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao,

Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba en ter openbare terechtzitting van het Hof in Sint Maarten uitgesproken op 29 augustus 2014 in tegenwoordigheid van de griffier.