Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGHACMB:2014:4

Instantie
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Datum uitspraak
17-02-2014
Datum publicatie
18-02-2014
Zaaknummer
SRKG-84 van 2014
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Arubaanse zaak. Verzoeker wil dat het Hof het Land beveelt om binnen 24 uren na uitspraak zorg te dragen voor de reis en reiskosten naar Colombia en medische behandeling van verzoeker. Hof oordeelt dat het verzoek ontvankelijk is. Op grond van o.a. het EVRM heeft iedere veroordeelde (dus ook een vreemdeling) recht op tenuitvoerlegging van de straf onder humane omstandigheden waaronder mede begrepen wordt een adequate medische zorg. Het Hof acht het standpunt van het Land, welke er kort gezegd op neer komt dat het wel meevalt met de ernst van de geconstateerde ziekte (prostaatkanker) en dat er op het Land geen verplichting zou rusten om er voor te zorgen dat verzoeker op kosten van het Land een aan hem voorgeschreven behandeling kan ondergaan in Colombia, grond om het verzochte toe te wijzen. Dit onder verbeurte van een dwangsom van Afl 10.000,- per dag, tot maximaal Afl. 1.000.000,--

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Strafzaken over 2014

Zaaknummer: SRKG-84 van 2014

Beschikking van 17 februari 2014 (bij vervroeging)

GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE VAN ARUBA,

CURACAO, SINT MAARTEN EN VAN BONAIRE, SINT EUSTATIUS EN SABA

b e s c h i k k i n g

op het verzoek ex artikel 43 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van:

[verzoeker],

wonende in Aruba,

thans gedetineerd in het Korrektie Instituut Aruba,

hierna te noemen: [verzoeker],

gemachtigden: de advocaten mrs. G. de Hoogd, D.L. Emerencia en J.J.M. Zara,

tegen:

de publiekrechtelijke rechtspersoon

HET LAND ARUBA,

zetelend in Aruba,

hierna te noemen: het Land,

gemachtigden: dhr. A. Lumenier en mw. J. Harewood, en voorts mrs. V.M. Emerencia en I.L. Ras-Orman.

1 De procedure

1.1

Namens [verzoeker] is op 11 februari 2014 een verzoek ex artikel 43 Sv ter griffie van dit Hof ingediend, dat er toe strekt dat het Hof het Land - voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad – beveelt dat het binnen 48 uren na de uitspraak van deze beschikking er zorg voor draagt dat de reiskosten en de medische behandeling van [verzoeker] worden vergoed, althans gegarandeerd, in dier voege dat [verzoeker] zo spoedig als mogelijk naar Colombia kan reizen ten einde aldaar de door zijn behandelend specialist voorgeschreven (en door de arts van het KIA onderschreven) medische behandeling te ondergaan, kosten rechtens.

1.2

Het verzoek is behandeld in raadkamer van woensdag 12 februari 2014, alwaar (de gemachtigden van) [verzoeker], de gemachtigden van het Land en de (fgd) procureur-generaal mr. E. Baars zijn gehoord.

1.3

Tijdens de behandeling in raadkamer heeft [verzoeker] - zo heeft het Hof begrepen - zijn verzoek gewijzigd/aangevuld, in dier voege dat het Hof tevens wordt verzocht om ter verzekering van onverwijlde opvolging van het te geven bevel dwangsommen aan het Land oplegt.

1.4

Beschikking is bepaald op heden.

2 De beoordeling

2.1

Het Hof is ingevolge het derde lid van artikel 43 Sv bevoegd kennis te nemen van het onderhavige verzoek, aangezien [verzoeker] hoger beroep heeft ingesteld van het vonnis van de eerste rechter op grond waarvan hij thans is gedetineerd.

2.2

Wat betreft de door het Land bestreden ontvankelijkheid van [verzoeker] in zijn verzoek overweegt het Hof als volgt. Blijkens artikel 43 Sv kan in alle gevallen, waarin het belang van een goede strafrechtsbedeling een voorziening dringend noodzakelijk maakt en het wetboek zelf daaromtrent geen regeling bevat, een verzoek om zodanige voorziening worden gedaan door de verdachte of degene die daarbij een rechtstreeks hem bepaaldelijk aangaand belang heeft. Dit houdt in dat [verzoeker] in zijn verzoek kan worden ontvangen indien het aan het oordeel van het Hof voor te leggen geval aan twee cumulatieve voorwaarden voldoet. Ten eerste dient het Wetboek van Strafvordering geen regeling omtrent het geval te bevatten; op de tweede plaats moet het belang van een goede strafrechtsbedeling een voorziening dringend noodzakelijk maken. Daarnaast geeft de memorie van toelichting op dit artikel aan dat de stadia “van opsporing tot en met executie” tot de “strafrechtsbedeling” worden gerekend. Met executie wordt hier bedoeld de tenuitvoerlegging van rechterlijke beslissingen op last van het Openbaar Ministerie op de voet van artikel 605 Sv.

2.3

Ter zake van het door [verzoeker] verzochte (om op kosten van het Land af te reizen naar Colombia teneinde aldaar op kosten van het Land de voorgeschreven medische behandeling te ondergaan) kent het Wetboek van Strafvordering in elk geval geen regeling. Evenmin bestaat er dienaangaande andere (geldende) wetgeving waarbij wel in een regeling wordt voorzien. Dit brengt mee dat [verzoeker] in zoverre ontvankelijk is in zijn verzoek. Dat [verzoeker] de minister van Justitie bij brief van 5 februari 2014 heeft verzocht om ter zake van de onderhavige kwestie binnen 24 uren een beslissing te nemen, maakt dat niet anders. Dat verweer van het Land wordt daarom verworpen.

2.4

De thans te beantwoorden vraag is of het door [verzoeker] verzochte binnen de hiervoor onder 2.2 geschetste reikwijdte van de strafrechtsbedeling valt. Naar het oordeel van het Hof moet die vraag bevestigend worden beantwoord. Krachtens voormeld artikel 605 Sv is de bevoegdheid van het Openbaar Ministerie (lees tevens: het Land) ten aanzien van tenuitvoerlegging of executie van beslissingen in strafvorderlijke zin beperkt tot rechterlijke beslissingen. De hier relevante rechterlijke beslissing is een aan [verzoeker] opgelegde onvoorwaardelijke gevangenisstraf. In zo’n beslissing ligt naar het oordeel van het Hof in het algemeen het mede uit het EVRM voortvloeiende beginsel besloten dat in geval van tenuitvoerlegging daarvan iedere veroordeelde (dus ook vreemdelingen zonder titel voor verblijf in Aruba) onder humane omstandigheden moet worden gedetineerd, waaronder (onder meer) begrepen een door het Land te verschaffen en te bekostigen adequate medische zorg. Ook in zoverre wordt [verzoeker] ontvankelijk geoordeeld in zijn verzoek.

2.5

Voorts moet de vraag worden beantwoord of te dezen het belang van een goede strafrechtsbedeling een voorziening dringend noodzakelijk maakt. Ook die vraag wordt bevestigd beantwoord door het Hof, en behoeft gelet op de medische situatie van [verzoeker] en de bij partijen genoegzaam bekende (door de gevangenisarts onderschreven) standpunt annex verwijzing van de behandelend specialist van [verzoeker] geen verder betoog. Alle standpunten van het Land in dit verband worden verworpen.

2.6

Eén en ander brengt mee dat de door [verzoeker] verzochte voorziening binnen het bereik van artikel 43 Sv valt. [verzoeker] is daarom ontvankelijk in zijn onderhavige verzoek. Het ontvankelijkheidsverweer van het Land treft geen doel.

2.7

Uit al het vorenstaande en de (naar het oordeel van het Hof bedenkelijke) standpunten van het Land - die er kort gezegd op neer komen dat het wel meevalt met de ernst van de bij [verzoeker] geconstateerde ziekte (prostaatkanker), en dat er op het Land geen plicht rust om er voor te zorgen dat [verzoeker] op kosten van het Land de aan hem voorschreven medische behandeling kan ondergaan in Colombia - ziet het Hof grond om de het door [verzoeker] verzochte toe te wijzen. Er zijn geen steekhoudende gronden gesteld of gebleken die een ander oordeel kunnen rechtvaardigen. Hierbij wordt nog overwogen dat het Land krachtens de toe te wijzen vordering van [verzoeker] ten behoeve van hem zekere geldsommen zal moeten betalen of afdoende zal moeten garanderen dat die geldsommen zullen worden betaald door het Land. In het licht daarvan is (onderbouwd) gesteld noch gebleken dat het Land niet in staat is om deze beschikking binnen 48 uur na de uitspraak daarvan na te komen.

2.8

Tegen deze beschikking staat geen (gewoon) rechtsmiddel open met schorsende werking. In het licht daarvan heeft [verzoeker] geen belang bij zijn verzoek om deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. Dat verzoek van [verzoeker] zal daarom worden afgewezen.

2.9

Wat betreft de door [verzoeker] verzochte oplegging van dwangsommen wordt het volgende overwogen. Het Hof is van oordeel dat de in deze procedure overgelegde beschikking van het Hof van 5 februari 2014 is gegeven ten behoeve van het kunnen ondergaan door [verzoeker] van de aan hem voorgeschreven medische behandeling in Colombia. Zie in dit verband de laatste zin van rechtsoverweging 2.7 van die beschikking. Evenwel stelt het Land zich in weerwil van strekking en geest van voormelde faciliterende beschikking op de hiervoor verworpen standpunten, en onthoudt het [verzoeker] op grond daarvan bedoelde op korte termijn noodzakelijke medische behandeling. Het Hof ziet vooral daarin aanleiding om aan het te geven bevel stevige dwangsommen te verbinden, zoals vermeld in het dictum.

2.10

In de uitkomst van deze zaak en de door het Land onbestreden stelling van [verzoeker], dat hij volgens het Land voor deze procedure niet in aanmerking komt voor toevoeging van een advocaat, ziet het Hof aanleiding om het Land te veroordelen in de proceskosten gevallen aan de zijde van [verzoeker]. Die kosten worden begroot op nihil, omdat de gemachtigden van [verzoeker] ter zitting hebben verklaard dat zij hem in deze procedure, waarin geen griffiegelden worden geheven, gratis bijstaan.

3 De beslissing

Het Hof:

-beveelt het Land om binnen 48 uren na de uitspraak van deze beschikking er zorg voor te dragen dat de reiskosten naar Colombia en de kosten van de bij partijen genoegzaam bekende medische behandeling van [verzoeker] in Colombia worden vergoed, althans dat vergoeding van die kosten afdoende wordt gegarandeerd, zodat [verzoeker] zo spoedig als mogelijk naar Colombia kan reizen ten einde aldaar de door zijn behandelend specialist voorgeschreven medische behandeling te ondergaan;

-bepaalt dat het Land ten behoeve van [verzoeker] een dwangsom verbeurt van

Afl. 10.000,-- (tienduizend Arubaanse florin) per dag of deel daarvan dat het voormeld bevel niet of niet volledig opvolgt;

-bepaalt dat het Land te dezen maximaal Afl. 1.000.000,-- (één miljoen Arubaanse florin) aan dwangsommen kan verbeuren;

-veroordeelt het Land in de kosten van deze procedure gevallen aan de zijde van [verzoeker], tot aan deze uitspraak begroot op nihil;

-wijst af het meer of anders verzochte.

Aldus gegeven in raadkamer op 17 februari 2014 door mrs. H. Mol, A.H.M. van de Leur, en N.K. Engelbrecht, leden van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba, in tegenwoordigheid van de griffier.