Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGHACMB:2014:25

Instantie
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Datum uitspraak
08-04-2014
Datum publicatie
16-06-2014
Zaaknummer
KG 63703 H-526/13
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

CAP wil toegangsverbod opleggen aan autoverhuurbedrijven. Het GEA heeft voorshands geoordeeld dat een volledig toegangsverbod misbruik van de bevoegdheid en een onaanvaardbare beperking van de mededinging oplevert. Hof gelast comparitie ter plaatse om nadere inlichtingen te verkrijgen over de (on)haalbaarheid van een shuttleservice en tevens om minnelijke schikking te beproeven.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Registratienummer: KG 63703 H-526/13

Uitspraak: 8 april 2014

GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE

van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en

van Bonaire, Sint Eustatius en Saba

VONNIS

in het kort geding van:

de naamloze vennootschap CURAҪAO AIRPORT PARTNERS N.V.

gevestigd in Curaçao,

oorspronkelijk gedaagde in conventie, eiseres in reconventie, thans appellante,

gemachtigde: mr. R.F. van den Heuvel,

tegen

de naamloze vennootschappen

  1. JEJE CAR RENTAL N.V.,

  2. JDC CAR RENTAL N.V.,

  3. BORIC CAR RENTAL N.V.,

  4. CENTRAAL-RENT-A-CAR N.V.,

  5. NOORDSTAR-CPG CARS N.V.,

  6. ECOM RENTAL CAR N.V.,

  7. OOST WEST CAR RENTAL & CAR WASH N.V.,

de besloten vennootschappen:

8. PRINS CAR RENTAL B.V.,

9. ABC SERVICES & TRADING B.V.,

10. JUST4YOU CAR RENTAL B.V.

en

11. [ ] [ ] h.o.d.n. D&& CAR RENTAL & SALES

allen gevestigd in Curaçao,

oorspronkelijk eiseressen in conventie, verweersters in reconventie,

thans geïntimeerden,

gemachtigden: mrs. M.F. Murray en J.E. Lovert.

Partijen worden hierna “CAP” en “de autoverhuurbedrijven” genoemd.

1 Het verloop van de procedure

1.1

Voor hetgeen in eerste aanleg is gesteld en gevorderd, voor de procesgang aldaar en voor de overwegingen en beslissingen van het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao (GEA), wordt verwezen naar het tussen partijen in de zaak met nummer KG 63703/2013 gewezen en op 20 augustus 2013 uitgesproken vonnis in kort geding. De inhoud daarvan geldt als hier ingevoegd.

1.2

CAP is in hoger beroep gekomen van genoemd vonnis door indiening op 9 september 2013 van een daartoe strekkende akte van appel. In een op 30 september 2013 ingediende “memorie van grieven tevens verzoek tot gelijktijdige behandeling met verwante zaak”, met producties, heeft CAP negen grieven (A t/m I) aangevoerd en toegelicht en haar eis gewijzigd. Haar conclusie strekt er toe dat het Hof de vorderingen van de autoverhuurbedrijven zal afwijzen en die van CAP, zoals deze na wijziging luiden, zal toewijzen. De gewijzigde eis (onder II) luidt dat het Hof de autoverhuurbedrijven verbiedt om na het verstrijken van 24 uur na het betekenen van het in dezen te wijzen vonnis, althans na verloop van een in goede justitie te bepalen termijn op door hen beheerde websites en/of in folders en/of in andere reclame-uitingen of websites waarop zij op enige manier invloed kunnen uitoefenen, nog commerciële uitingen te doen of te laten doen van de strekking dat zij haar klanten ophaalt en/of afzet op de Luchthaven of dat zij daarvoor een concessie of een pick-up station heeft, één en ander met inbegrip van individuele uitlatingen gericht tot individuele of kleine groepen van (potentiele) klanten. De vorderingen onder I en III t/m V zoals in eerste aanleg ingesteld, zijn ongewijzigd gebleven.

1.3

In op 1 november 2013 gefaxte en op 4 november 2013 ingediende memorie van antwoord hebben de autoverhuurbedrijven de grieven van CAP bestreden. Hun conclusie strekt ertoe dat het Hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen, kosten rechtens.

1.4

Op 25 februari is mondeling pleidooi gehouden. Partijen hebben gepleit aan de hand van overgelegde pleitnotities, CAP met daaraan gehecht, op voorhand toegezonden, producties.

1.5

Vonnis is bepaald op heden.

2 De ontvankelijkheid

CAP is tijdig en op de juiste wijze in beroep gekomen van het bestreden vonnis, zodat zij daarin kan worden ontvangen.

3 De beoordeling

3.1

Het GEA heeft onder 2 van het bestreden vonnis feiten vastgesteld. Deze vaststelling is tussen partijen niet in geschil, zodat daarvan voorshands ook in hoger beroep kan worden uitgegaan:

- CAP heeft een dertigjarige concessie verkregen om de luchthaven in Curaçao te exploiteren. Het luchthaventerrein is te dien einde aan CAP in vruchtgebruik gegeven. De luchthaven en het bijbehorende luchthaventerrein worden hierna tezamen aangeduid als de Luchthaven.

- CAP heeft aan vijf (andere) autoverhuurbedrijven een exclusieve concessie verleend om hun bedrijfsactiviteiten vanuit een “booth” op de Luchthaven uit te oefenen. Deze concessie eindigde op 31 december 2013.

- Bij brief van 23 januari 2013 aan diverse autobedrijven, waaronder geïntimeerden, heeft CAP bericht, kort gezegd, dat het vanaf 30 januari 2013 niet is toegestaan hun klanten op de luchthaven op te halen of af te zetten en zich daarbij het recht voorbehouden aan hen de toegang tot de Luchthaven terrein te ontzeggen, boetes op te leggen en wielklemmen aan te leggen.

3.2

Bij het bestreden vonnis heeft het GEA in conventie op vordering van de autoverhuurbedrijven, verkort weergegeven:

1. CAP bevolen om de autoverhuurbedrijven ongehinderd toegang te verschaffen tot de Luchthaven voor het ophalen en wegbrengen van hun klanten, totdat onherroepelijk vaststaat dat CAP het recht heeft om de autoverhuurbedrijven die toegang te verbieden;

2. CAP verboden om boetes aan de autoverhuurbedrijven op te leggen voor het ophalen en wegbrengen van hun klanten zoals in dit kort geding bedoeld;

3. bepaald dat CAP een dwangsom verbeurt van NAf 1.000, = per dag of dagdeel dat CAP aan voormeld bevel of verbod geen gevolg geeft, met een maximum van

NAf 100.000,=;

een en ander met veroordeling van CAP in de proceskosten en uitvoerbaar bij voorraad. Het GEA heeft de vorderingen van CAP in reconventie, om, samengevat, de autoverhuurbedrijven te verbieden om (I) handel te drijven op de Luchthaven, waaronder het ophalen en afzetten van klanten of (II) commerciële uitingen te doen van die strekking, (III) op straffe van een dwangsom van NAF. 15.000,= per overtreding (IV) met een maximum van NAF. 1.500.000, = met (V) veroordeling van de autoverhuurbedrijven in de proceskosten afgewezen. Tegen bovenstaande beslissingen is het hoger beroep gericht, waarbij CAP haar eis heeft gewijzigd zoals hiervoor onder 1.2 weergegeven.

3.3

Als onvoldoende weersproken en volgens de eigen stellingen van de autoverhuurbedrijven gaat het Hof er voorshands van uit dat het litigieus gebruik door de autoverhuurbedrijven van de Luchthaven bestaat uit het ophalen en wegbrengen van klanten (hierna: de haal- en brengdienst van de autoverhuurbedrijven). De vorderingen van CAP hebben tot doel dit gebruik aan de autoverhuurbedrijven te verbieden. Hieruit vloeit reeds voort dat de autoverhuurbedrijven een rechtens te respecteren belang hebben bij hun vorderingen. Daaraan doet niet af dat de autoverhuurbedrijven volgens de uittreksels van de Kamer van Koophandel ook andere diensten aanbieden, nu voldoende aannemelijk is dat de inkomsten van de autoverhuurbedrijven mede worden gegenereerd uit de autoverhuur, waarmee de haal- en brengdienst rechtstreeks samenhangt. Grief A faalt daarom.

3.4

In de grieven B en C klaagt CAP over het oordeel van het GEA dat CAP de publieke functie van de luchthaven op Curaçao dient te waarborgen en dat de toegankelijkheid van (de voor publiek bestemde gedeelten van) de Luchthaven vanwege de publieke functie van de Luchthaven het uitgangspunt dient te zijn. De grieven falen voor zover zij zich keren tegen de publieke functie van de Luchthaven. De Luchthaven heeft als enige luchthaven van Curaçao een publieke bestemming, in die zin dat een ieder die per vliegtuig Curaçao betreedt of verlaat, dit zal moeten doen via deze Luchthaven. Van CAP mag worden verlangd dat zij tot op zekere hoogte rekening houdt met deze publieke functie van de Luchthaven. Deze publieke functie weegt mee in de belangenafweging bij de beoordeling van de uitoefening van de bevoegdheid van CAP om als zakelijk gerechtigde de toegankelijkheid van de Luchthaven te beperken voor zover het gebruik verder gaat dan normaal gebruik. Uit het hiervoor in r.o. 3.3 overwogene volgt dat de autoverhuurbedrijven de toegang tot de Luchthaven wensen te gebruiken in het kader van hun bedrijfsvoering, waarmee een commercieel belang is gediend. Voorshands is het Hof daarom van oordeel dat de haal- en brengdienst van de autoverhuurbedrijven verder gaat dan normaal gebruik. In zoverre slagen de grieven B en C.

3.5

Het GEA heeft voorshands geoordeeld dat een volledig toegangsverbod voor de autoverhuurbedrijven onder de gegeven omstandigheden misbruik van bevoegdheid en een onaanvaardbare beperking van de mededinging oplevert. Tegen dit oordeel en de overwegingen daartoe keren zich grieven D, E en F.

3.6

Het Hof overweegt dat een beroep op oneerlijke mededinging alleen kan worden gebaseerd op het leerstuk van de onrechtmatige daad. Het Hof volgt niet het betoog van CAP dat aansluiting moet worden gezocht bij de concept-Landsverordening inzake concurrentie, nu die niet in werking is getreden. Evenmin dient aansluiting te worden gezocht bij de Nederlandse wetgeving op grond van het concordantiebeginsel, omdat het ontbreken van wetgeving in Curaçao niet tot gevolg heeft dat reeds uit het concordantiebeginsel de inhoud van de Nederlandse wet omtrent ontwerp van burgerlijk recht van rechtswege deel uitmaakt van het Curaçaos recht. Zulks te minder nu in de maatschappelijke discussie over de nog in te voeren regelgeving op dit rechtsgebied de opvatting breed wordt gedragen dat de specifieke omstandigheden van de Curaçaose markt een eigen “tailor made” model vragen, zoals de autoverhuurbedrijven naar voren hebben gebracht.

3.7

De autoverhuurbedrijven hebben aan het onrechtmatig handelen van CAP in de zin van oneerlijke mededinging ten grondslag gelegd dat CAP door het opleggen van een toegangsverbod aan de autoverhuurbedrijven voor de haal- en brengdienst op de Luchthaven een autoverhuurmarkt tracht te creëren die enkel toegankelijk is voor de concessiehouders en aldus de keuzevrijheid van de toerist op ongeoorloofde wijze beperkt. Naar het voorlopig oordeel strandt dit betoog reeds op de onweersproken omstandigheid dat, los van het aanbod van de vijf autoverhuurbedrijven op de Luchthaven, elders op het eiland voldoende aanbod is voor het huren van auto’s waar de toerist naar kan uitwijken. Dat de toerist in dat geval is aangewezen op een taxi of ander vervoer vanuit de Luchthaven om toegang te krijgen tot de gehuurde auto maakt niet dat daarom sprake is van oneerlijke mededinging. Daarnaast is het de vraag of het creëren van een markt die de keuzevrijheid aan de vraagzijde te veel beperkt, uitgevoerd door een entiteit die marktdeelnemer, noch overheidsinstelling is, onrechtmatig kan zijn jegens degene aan de aanbodzijde van die markt. Gelet op het voorgaande kan dit in het midden blijven.

3.8

De toetsing van de uitoefening van de bevoegdheid van CAP spitst zich daarom toe op de vraag of sprake is van misbruik van bevoegdheid. Indien CAP misbruik heeft gemaakt van haar bevoegdheid om de autoverhuurbedrijven te verbieden hun haal- en brengdienst op de Luchthaven te verrichten, levert dat een onrechtmatige gedraging jegens de autoverhuurbedrijven op. Artikel 3:13 BW, tweede lid, bepaalt hierover het volgende:

Een bevoegdheid kan worden misbruikt door haar uit te oefenen met geen ander doel dan een ander te schaden of met een ander doel dan waarvoor zij is verleend of in geval men, in aanmerking nemende de onevenredigheid tussen het belang bij uitoefening en het belang dat daardoor wordt geschaad, naar redelijkheid niet tot die uitoefening had kunnen komen.

3.9

Mede gelet op hetgeen hiervoor onder 3.6 is overwogen is de maatstaf of CAP door het opleggen aan de autoverhuurbedrijven van een toegangsverbod naar de Luchthaven voor de haal- en brengdienst onrechtmatig jegens de autoverhuurbedrijven handelt, niet of CAP hierdoor de mededinging onrechtmatig beperkt, maar of zij haar bevoegdheid om aan de autoverhuurbedrijven beperkingen op te leggen van het gebruik van de Luchthaven, misbruikt in de zin van artikel 3:13 BW waarbij lid 2 van die bepaling een niet-limitatieve lijst van mogelijke gevallen geeft.

3.10

Niet is gesteld, noch is gebleken dat CAP de bevoegdheid tot beperking van de toegang van de autoverhuurbedrijven uitoefent met geen ander doel dan de autoverhuurbedrijven te schaden. Het Hof acht evenmin aannemelijk geworden dat CAP haar bevoegdheid uitoefent met een ander doel dan waarvoor zij is verleend. De bevoegdheid is immers niet met een specifiek doel verleend. Voor wat betreft de belangenafweging als bedoeld in het slot van artikel 3:13 lid 2 BW overweegt het Hof dat voorhands wordt uitgegaan van het belang van CAP bij het reguleren van het gebruik van de Luchthaven, waaronder mede is begrepen de commerciële exploitatie van de Luchthaven, tegenover het belang van de autoverhuurbedrijven bij het behoud van de haal- en brengdienst voor haar klanten. Voldoende aannemelijk is dat door het niet (meer) kunnen aanbieden van de haal- en brengdienst een groot deel van de klanten van de autoverhuurbedrijven zal wegvallen, zodat het belang van de autoverhuurbedrijven hierdoor wordt geschaad. Het belang van de toeristen speelt bij deze afweging op zich zelf geen rol, maar zoals hiervoor in r.o. 3.5 is overwogen weegt de publieke functie van de Luchthaven wel mee ten nadele van CAP.

3.11

CAP heeft gesteld dat zowel financieel als operationeel een shuttleservice, vergelijkbaar met het systeem in Aruba, waarvoor de autoverhuurbedrijven hebben aangeboden een redelijke fee te willen betalen, niet haalbaar is. Mede naar aanleiding daarvan zal het Hof een comparitie van partijen ter plaatse van de Luchthaven gelasten, om nadere inlichtingen te verkrijgen. Het Hof wenst ter plaatse te worden voorgelicht over de (feitelijke) onhaalbaarheid van een shuttleservice voor de autoverhuurbedrijven. Zulks, mede in het licht van de onweersproken omstandigheid dat CAP wel toestaat dat hotels op de Luchthaven aan hun gasten een shuttleservice aanbieden zonder dat hieraan een concessieovereenkomst ten grondslag ligt. Voorts wenst het Hof ter plaatse te worden voorgelicht over de wijze waarop de autoverhuurbedrijven op de minst belastende wijze de Luchthaven kunnen gebruiken voor de haal- en brengdienst.

3.12

De comparitie zal tevens worden benut om een minnelijke schikking te beproeven. Partijen dienen daarom voor zover mogelijk te worden vertegenwoordigd door een daartoe bevoegde persoon. Desgewenst kunnen zij zich laten vergezellen door hun gemachtigden.

3.13

Het Hof geeft partijen in overweging geruime tijd voor de hierna te bepalen datum van de comparitie ter plaatse in onderhandeling te treden over een minnelijke regeling.

3.14

In verband met uitdiensttreding van mr. J.P. de Haan per 1 april jl. is dit vonnis gewezen door een andere samenstelling van het Hof dan die ten overstaan waarvan partijen hebben gepleit.

3.15

Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.

B E S L I S S I N G

Het Hof:

gelast een comparitie van partijen ter plaatse, voor de luchthaven HATO ter hoogte van de aankomsthal, en wel op 26 mei 2014 om 10.30 uur;

bepaalt dat uitstel niet zal worden toegestaan;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mrs. G.C.C. Lewin, S. Verheijen en F.J. Lourens, leden van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie, en ter openbare terechtzitting van het Hof in Curaçao in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken op 8 april 2014.